donderdag 25 augustus 2011

Over snot- en andere neuzen

Wetenschappers willen alles doorgronden.
Een voorbeeld van een vraag die sommigen onder hen bezighoudt: wat is het verband tussen de vorm van de neus en zijn functie.
En neuzen zijn er, zoals andere lichaamsdelen in allerlei formaten: kloefen, petieterkes, wipnneuzen, mopskes,… en gewone snotneuzen. Wie dagelijks in de spiegel kijkt weet tot welke categorie zijn exemplaar behoort.

image
Maar de Duitse onderzoekers onder leiding van Marlijn Noback van de Eberhard Karls Universität in Tübingen, hadden het eigenlijk niet over de uiterlijke vorm van de neus. De het ging hen om de bouw van de neusholte.

image

Ze deden metingen aan 100 schedels van 10 groepen mensen afkomstig uit 5 verschillende klimaatzones.
En wat ze vonden past mooi in Darwin’s “survival of the fittest”-theorie.
Mensen uit koude, droge streken, hebben langere, hogere en smallere neusholtes dan mensen die in warme en vochtige streken leven.
De hoge, smalle holte zorgt ervoor dat de ingeademde lucht langer contact maakt met het neusslijmvlies. De lucht is dan goed opgewarmd en bevochtigd vóór hij in de longen terecht komt. De microscopisch kleine haartjes, die de wanden van de lange, hoge holte bedekken houden zo ook beter stofdeeltjes en ziekteverwekkers tegen.
Dit kan ook verklaren waarom mensen uit warme en vochtige streken, die naar het noorden trekken, sneller te maken krijgen met verkoudheden: hun neusholte is niet aangepast aan de omstandigheden.

“Hoe zit het met mijn neusholte?” zal je je misschien afvragen.
Je kan dat moeilijk zomaar zien.
Maar er bestaat toch een soort “neusregeltje” dat een verband legt tussen de uitwendige bouw van je neus en de vorm van je neusholte: een lange, smalle neusholte is niet aan kleine mopsneusjes besteed. Daarvoor is meestal een relatief smal en groot exemplaar nodig. Een “smalle kloef” dus.

Kijk nu maar eens opnieuw in de spiegel.
Schrik niet, maar hou rekening met wat je ziet als je naar Alaska cruiset …

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen