Posts tonen met het label Merelbeke. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Merelbeke. Alle posts tonen

donderdag 28 oktober 2010

Over Mondjen Colle en tinpest

Mijn nonkel Raymond was een gekende loodgieter in Merelbeke.
Mondjen Colle” noemden de mensen hem. Colle was zijn achternaam.
Een kleine, gedrongen maar oersterke man en een keiharde werker.
Een echte suikernonkel was het niet, want hij zat serieus op zijn centen.
Maar toch was ik niet weg te slaan uit zijn werkhuis.
Ik hielp hem met veel plezier bij het plooien van zinken dakgoten en bij het aanpompen van de blaasbalg als hij de ijzeren haken moest smeden waarmee de “capucinegoten” werden opgehangen.

image
Ik had het voor hem en hij zag mij ook wel zitten.
”Ge moet loodgieter worden” zei hij “en u specialiseren in het sanitair, dan kunt ge mijn zaak hier overnemen en goed uw brood verdienen”.
Want Mondjen Colle had geen kinderen en hij wilde dat zijn levenswerk verder gezet werd.

Ik ben geen loodgieter geworden.
Maar hij heeft mij wel, zonder het te beseffen, een duwtje naar de chemie gegeven.
Ik wou weten waarom hij de randen van zijn zinkplaten altijd eerst met een nat varkensharen borsteltje insmeerde vóór hij ze aaneen soldeerde.
Het kon toch geen water zijn wat hij over de zink wreef, want het metaal bruiste en het ging meer blinken.
”Da’s ‘sprit sel’,” zei hij, “om de zink te zuiveren zodat de soudure beter pakt”.
Jaren later wist ik dat zijn ‘sprit sel’ een verbastering was van “esprit de sel” – zoutgeest, een gebruiksnaam voor waterstofchloride.
Pure chemie dus dat stukje loodgieterij.

Maar echte loodgieterij werd het voor mij pas ieder jaar op het einde van augustus.
Dan brachten de dorpsgenoten hun lepels en vorken bij Mondjen Colle om ze te laten vertinnen, zodat ze er mooi blinkend uitzagen tegen de grote kermis van begin september.
Dat was voor mij een echt feest.
Nonkel zette in zijn werkhuis een grote oude braadpan op zijn kolenvuur en hij liet er dunne staven tin in smelten.
”Luister eens” zei hij terwijl hij een tinnen staaf tegen mijn oor dubbel plooide.
”Hoort ge dat kraken? Da’s het bewijs dat het zuivere tin is!”
”Als het weinig of niet kraakt, zit er veel lood bij”
En als bewijs moest ik luisteren als hij een loodstaaf samenduwde.
”We zullen maar een beetje lood in de pan gooien” zei hij, “want zuivere tin is te duur en ze smaken het verschil toch niet als ze soep eten!”.
Als de lepels en de “fourchetten” hun tin- en loodbad genomen hadden, werden ze aan een draad opgehangen om uit te lekken en te drogen.
Klaar voor gebruik, tot nonkel en ik ze het jaar daarop terugzagen voor een vers laagje.
Over zware metalen in de soep en de pap gesproken…

Maar tin bleef mij fascineren.
En toen ik in een paar jaar later in Gent chemie ging studeren hoorde ik prof. Eeckhout zaliger over de allotrope modificaties van tin praten.
Allotrope modificaties: een geleerd woord om aan te geven dat sommige stoffen, naar gelang de omstandigheden, een andere kristalvorm kunnen aannemen.
Tin is zo’n stof.
Boven de 16°C is tin een blinkend zilverwit hecht metaal: de bèta-kristalvorm
Beneden de 13,5°C gaat het over naar een andere kristalvorm waardoor het veel minder hecht wordt en de kleur naar grijs-zwart evolueert: de alfa-kristalvorm.
Hoe lager de temperatuur, hoe pulveriger het metaal wordt.
Je kan dit goed zien in de volgende filmmontage waarin men een blokje zilverwit bèta-tin afgekoeld heeft tot –40°C om dan om de 3 minuten een foto te nemen: je ziet het blokje letterlijk verbrokkelen tot een brosse massa alfa-tin:


Tinpest in actie

Dit “vergaan” van tin bij lage temperaturen was vooral in de middeleeuwen een echte tinpest: bij koude winters zakten de tinnen orgelpijpen in de kerken als kaartenhuisjes in mekaar.
Ook poolreiziger Scott kreeg er mee te maken, toen zijn met tin gesoldeerde jerrycans vol kerosine leegliepen en hij de strijd met Amundsen om als eerste de zuidpool te bereiken, verloor.
En de soldaten van Napoleon verloren hun broek in de bittere Russische winterkou omdat hun tinnen knopen het begaven!



Het schijnt zelfs dat die fameuze “hand van Napoleon” niets met maagpijn van de keizer te maken had: hij hield gewoon zijn knopenloze broek op!
Maar dat laatste verhaal heb ik niet van prof. Eeckhout en ook niet van Mondjen Colle.
Dat heb ik zelf verzonnen…

woensdag 20 oktober 2010

Bang! Bang! Bang!

Toen ik hier de laatste weken over de Nobelprijzen aan het berichten was, kwam het bij mij op om een iets te bloggen over de vinding waarmee Alfred Nobel zelf in de 19de eeuw zoveel geld verdiend heeft.
Nobel vond in 1867 dynamiet uit en bij zijn overlijden in 1896, had hij er 32 miljoen Zweedse kronen mee verdiend (ongeveer 3,2 miljoen Euro).
Met de rente op dat belegd kapitaal worden nu nog jaarlijks 5 wetenschappers (redelijk…) rijkelijk beloond.

Dynamiet was een methode om de zeer explosieve en zeer schokgevoelige stof, nitroglycerine veilig te kunnen transporteren.
Nobel slaagde erin het vloeibare nitroglycerine te absorberen de zeer poreuze vaste stof kiezelgur:

image

Op die wijze kon het sterk explosief in staven gefabriceerd worden en veilig gebruikt worden bij wegenaanleg, tunnelbouw enz.
Nobel werd er dus schatrijk mee.

Nitroglycerine, de actieve stof in dynamiet, is een eenvoudige chemische verbinding, die ontstaat door aan glycerine een mengsel van salpeterzuur en zwavelzuur toe te voegen.

image
Zo simpel dat we dat in de jaren 60 zelf probeerden te maken.
Ik, toen al chemie-fanaat, en twee van mijn Merelbeekse kameraden, Rudi Van Poucke en Gilbert Penninck (dag mannen!).
Gelukkig is ons experiment toen mislukt, want we waren ons niet bewust van de enorme detonatiekracht van het goedje.
Het erg schokgevoelige nitroglycerine ontbindt immers in een kolossale hoeveelheid gas, die door de vrijgestelde warmte supersnel een enorm volume inneemt en bijgevolg alles in zijn omgeving wegduwt

                      4 C3H5(ONO2)3 → 12 CO2 + 10 H2O + 6 N2 + O2
                        Vloeistof       →      gas           gas        gas      gas


In het filmpje van de BBC hieronder is dat goed gezien.

Spelen met meer dan vuur was dat.
Een Merelbeekse jeugdzonde waar ik, gelukkig, nu nog kan over mijmeren…

dinsdag 19 januari 2010

Astronomie online: Star Viewer

Zo nu en dan besteed ik in mijn blogje wat aandacht aan astronomie.
Sterrenkunde heeft me altijd al geboeid.

Newtonkijker40 jaar geleden al, kocht ik mij fotograaf Vandendriesche in Merelbeke een kleine Newtonkijker.
Fotozaak Vandendriesche is er al lang niet meer. Mijn kijkertje is nog altijd springlevend.

Voor waarnemingen van de maan en de grootste planeten was dit ding voldoende.
En toen ik in de zeventiger jaren les gaf aan het St.-Janscollege te Hoegaarden-Meldert, ik heb hem ooit gebruikt om met mijn leerlingen een fotoreportage te maken van een zonsverduistering. Ik denk er nog met heimwee en plezier aan terug.
 
MeadeETX70A Een tiental jaar geleden, kocht ik mij een moderner toestel: een Meade ETX 70A.
De ETX 70 A is geen Newtonkijker maar een refractortelescoop(je).
Dit telescoopje is uitgerust met een volgcomputertje met motor, zodat je een object tijdens de waarnemingen automatisch kan blijven volgen.
Naast de maan, kan je er de ringen van Saturnus goed mee waarnemen. Ook de wolkenbanden op Jupiter en de grootste manen van deze reuzeplaneet zijn er mee te zien. En als de omstandigheden een beetje gunstig zijn, kan je een glimp van de poolkappen van Mars opvangen en… de Orionnevel bewonderen.
Een groot voordeel van de ETX is dat er op internet zeer veel gebruikersgroepen actief zijn, waar je massa's informatie over gebruik, toe- en aanpassingen kan vinden.

Maar de indrukwekkendste beelden en de beste informatie is voor een amateur met beperkte middelen toch te halen uit virtuele waarnemingen.
Daarvoor zijn er een aantal degelijke PC-programma’s beschikbaar.
De Nederlandse versie van het gratis, maar zeer degelijke planetarium-programma Stellarium bijvoorbeeld.
Of nog completer, maar niet gratis: Starry Night

Maar als je er tegenop ziet om extra software op je PC te installeren, dan kan je tegenwoordig ook via internet je astronomie-hartje ophalen.
Eén van de betere sites daarvoor vind ik Star Viewer.

Op de startpagina van Star Viewer zie je een massa kleine witte vierkantjes tussen de sterren. Klik je erop dan krijg onmiddellijk een YouTube-filmpje over het object, soms met audio-informatie.
En links op de pagina vind je een lijst van de opmerkelijkste astronomische constellaties.
Klik je op een item uit die lijst dan reis je er naar toe.
Je komt in een Google Sky-kaart terecht met alle mogelijke zoom- en schuifmogelijkheden van dien.

Een eenvoudige maar schitterende kennismaking met de fascinerende wereld van de astronomie vind ik.
Misschien krijg je zo wel appetijt om bijvoorbeeld Stellarium toch eens te installeren.
Probeer Star Viewer maar eens uit door op onderstaand beeld te klikken.

image

woensdag 13 januari 2010

Strooizout en vriezen in huis

In deze barre wintertijden is strooizout moeilijk te krijgen.
Ik heb nog een paar kilootjes.
Het is kwestie van er spaarzaam mee om te springen, want de winter is nog maar juist begonnen. Er kunnen dus nog meer strenge koudeprikken volgen vóór de lente onze streken weer gaat opwarmen.

Strooizout is meestal natriumchloride (NaCl of keukenzout) en soms calciumchloride (CaCl2).
Als je die zouten op sneeuw of ijs gooit, lossen ze erin op.
En de zoutoplossingen (pekels) hebben een lager stolpunt dan het zuivere water zelf.
D.w.z. dat ze niet stollen bij 0°C, maar bij een lagere temperatuur.
En dat heeft als gevolg dat er dus bij temperaturen beneden de 0°C geen ijsvorming optreedt.
Hoever de temperatuur beneden 0°C mag dalen, hangt af van de concentratie van het zout in de pekel én van het soort zout.
Bij een 10%-oplossing van keukenzout is het stolpunt -6°C.
Bij een 20%-oplossing van keukenzout mag de temperatuur al tot -16°C dalen vóór er ijs gevormd wordt.
Calciumchloride veroorzaakt nog sterkere stolpuntdalingen, maar dat zout is meer belastend voor het milieu en… het is ook duurder.
Uit het voorgaande zal je ook wel begrijpen dat een goed effect van strooizout afhangt van de mate waarin het zout met de sneeuw en het ijs op de wegen vermengd geraakt. Er moet dus voldoende verkeer zijn om het zout te verspreiden en het met de sneeuw en het ijs te vermengen.

Waarom zoutoplossingen een lager stolpunt hebben dan water?
Dat beantwoorden vraagt wat fysica. Je mag het voor mijn part ook chemie noemen.
We proberen het eenvoudig te houden.
IJs verschilt van vloeibaar water door het feit dat in ijs de moleculen in een mooi geordend patroon zitten:

Water en ijs  
Bij 0°C wordt water van zijn vloeibare vorm omgezet in de vaste vorm (ijs).
Maar als je zout (NaCl) bij het water doet, beletten de zoutdeeljes (Na+ en Cl-) de vorming van de vaste geordende ijsstructuur. Gevolg: er ontstaat geen ijs. We blijven met een oplossing (dus vloeibaar) van zout in water zitten! Ik hoop dat dit voldoende duidelijk was.

Als toetje een bied ik jullie nog een mooi stukje keukenfysica (of keukenchemie).
Dat moet je zeker eens proberen.
Eigenlijk is het iets wat mijn vaderke mij al getoond en geleerd heeft toen ik een jongetje was van een jaar of 10. Hij legde wel niet het waarom uit. Dat ga ik nu wel proberen te doen.
Ziehier het recept:
  • neem een bekertje goed gevuld met sneeuw. Een koffietas voldoet, maar met een dunwandig plastic bekertje lukt het beter.
  • plaats het bekertje met de sneeuw op een houten plankje
    (een snijplankje b.v.) in een plasje water.
  • voeg ruim keukenzout aan de sneeuw toe en roer alles goed door elkaar tot een papperige brij. Ik heb ondervonden dat grof zeezout best werkt, maar gewoon keukenzout doet het ook goed.
  • roer voldoende lang en je zal merken dat het bekertje aan houten plankje is vastgevroren. Je kan het plankje zonder problemen omdraaien. Het bekertje valt er niet af.
    De sneeuwpekel dondert wel op tafel natuurlijk.
Mijn vaderke heeft mij dat vriestrucje dikwijls getoond.
Ik heb er altijd van genoten.
En ik wilde weten hoe dat kon: het laten vriezen in huis naast de Leuvense stoof!
Jaren later wist ik het.
Voor het oplossen van het zout in de sneeuw en het ijs, moet de geordende vaste structuur van ijs (zie hierboven) afgebroken worden.
Die afbraak vraagt nogal wat energie. En die energie wordt aan de omgeving onttrokken.
Dus aan het (dunwandig) bekertje.
Maar ook aan het water van het plasje waarin het bekertje staat.
Dat water koelt dus af. Zo sterk zelfs dat het bevriest.

Ik heb daar samen met Mia een diamontage(tje) van gemaakt.



Dat moet je echt eens doen! Zeker als je jonge kinderen of kleinkinderen in huis hebt.
Maar je vrouw of man is ook goed. Als je maar opruimt nadien.
En haast je nu er nog sneeuw ligt!

woensdag 6 januari 2010

Goud, wierook en mirre

Het is vandaag 6 januari en dus Driekoningen.
Een traditionele christelijke feestdag waarop herdacht wordt hoe drie wijzen uit het oosten het pasgeboren kind Jezus in Bethlehem kwamen begroeten.
Van welk oosten Caspar, Melchior en Balthasar precies kwamen blijft onduidelijk. Bethlehem ligt (voor ons) ook al vrij ver in het oosten, alhoewel we toch over het Nabije Oosten spreken.
Het kan Perzië (Iran) of Babylonië (Irak, Jordaniê,…) of Sheba (Ethiopië, Jemen) geweest zijn. Hun reis moet in elk geval doenbaar geweest zijn met kamelen.
En ze hadden rare geschenken mee voor een pasgeboren kind.
Geen kleedje, geen knuffel, geen speeltje, geen warm schapenvelletje, maar goud, wierook en mirre.
Maria en Jozef zullen daar toch niet zo blij mee geweest zijn, denk ik, gezien de barre omstandigheden waarin de kleine Jezus ter wereld was gekomen.
Wat kun je in zo’n situatie met goud, wierook en mirre doen? 

goudwierookmirre
Maar Jezus was niet zo maar een gewoon kind.
Het ging om de door de profeten voorspelde nieuwe koning der Joden, de Messias.
Vandaar die ongewone, symbolische en rijke dingen.
Raar hoe ze ons daar als kind zo weinig uitleg over gegeven hebben.
Goud kenden we. Dat was inderdaad een kostbaar cadeau.
En wierook kenden we ook van de hoogdagen en de processies in de kerk. Een spul dat een nogal dikke ambetant riekende walm verspreidde waar mijn zus altijd onpasselijk van werd.
Maar mirre? Nooit gezien.
En wierook wat is dat eigenlijk?

boswelliasacraHet hoofdbestanddeel van wierook is eigenlijk een hars dat men bekomt na indrogen van het sap dat afgetapt wordt van de schrale Boswellia papyrifera- of de Boswellia sacra-bomen, die in Jemen, Oman en Somalië op dorre rotsige bodems groeien.
Dit kostbaar hars, dit olibanum, was het dat door Caspar aan Jezus als geschenk werd aangeboden. Niet de wierook die we uit de kerken kennen.
Het olibanumhars bevat vluchtige en geurige bestanddelen die bij verbranding vrijkomen of die door de verbranding en de hoge temperaturen omgezet worden (pyrolyse) in andere geurstoffen.

wierookvat De wierook die in kerken en voor wierookstokjes gebruikt wordt, is een mengsel van olibanum of een goedkoper hars (dennenhars b.v.), en allerlei componenten die voor geurstoffen kunnen zorgen: berkenschors, gedroogde rozenblaadjes, patchouli,… en…mirre.
Er bestaan talloze wierooksamenstellingen, dure en minder dure.
In kerken wordt het wierookmengsel in een wierookvat op gloeiende houtskool verbrand. Een al dan niet aangenaam geurende walm stijgt dan samen met het gebed ten hemel…

Caspar bracht kostbaar olibanum mee. Melchior edel goud.
En Balthasar schonk precieuze mirre.
Mirre is net als olibanum een hars. Dit keer afkomstig van de mirreboom (Commiphora) die ook in Jemen, Oman en Somalië te vinden is.
Ook dit hars bevat een uitgebreid mengsel aan geurstoffen, waardoor het in parfums en wierook verwerkt werd (en nog wordt).
In de tijd van de geboorte van Jezus was mirre een erg kostbare stof. Ze was zelfs veel meer waard dan olibanum en goud. Balthasar had dus zijn kompanen overtroefd.
De olie die men door stoomdestillatie uit mirre won, werd in de oudheid gebruikt voor het balsemen van lijken. De straffe geur van die olie zal daar zeker goed zijn werk gedaan hebben...


Goud, wierook, mirre, Jezus, Maria, Jozef.
Het ezelken was dus goed geladen bij de vlucht naar Egypte…

zaterdag 2 januari 2010

Scherven brengen geluk. Secondelijm ook.

Op de eerste dag van het nieuwe jaar heb ik al direct prijs gehad:
ik heb een potje gebroken!
Een dekseltje eigenlijk dat op dat potje past.
Een dekseltje van een heel oud potje nog wel. Een erfstuk van mijn moederke. Een potje waarin Mia een paar kleine snuisterijtjes bewaart.
Ik hoop dus maar dat scherven geluk brengen.

Mijn eerste geluk bestond er in elk geval al in dat Mia niet het principe “potje breken, is potje betalen” wou toepassen.
Dat zou in dit geval ook niet gekund hebben, want zo'n oud mooi potje vind je nergens meer.
Maar ik “mocht” de scherven wel lijmen.

Met secondelijm.
En als ik secondelijm mag gebruiken ben ik in mijn element. In mijn scheikundig element.
Want secondelijm is chemie op zijn best.

Secondelijm is een cyanoacrylaatlijm.
Het werkzame bestanddeel is in de meeste gevallen methyl- of ethylcyanoacrylaat.
Dit is een vloeibare ester van cyanoacrylzuur.
Het bijzondere van die esters is dat ze onder invloed van water zeer gemakkelijk polymeriseren.
D.w.z. dat zeer veel van de relatief kleine estermoleculen (monomeer) onder invloed van water aan elkaar gekoppeld worden tot zeer lange ketenmoleculen (polymeer).
Een belangrijk kenmerk van deze polymerisatie is dat ze zeer snel gebeurt én bij kamertemperatuur. Vandaar dat men met een lichte overdrijving van secondelijm spreekt. In gewone omstandigheden wordt de volle sterkte van de las echter pas na een tweetal uur bereikt.
Maar water is nodig om de polymerisatie op gang te brengen:


Sporen vocht op de twee breukvlakken die men aan elkaar wil lassen volstaan om de brokken ijzersterk te lijmen.
Maar meteen volgt mijn tip: als je stukken met secondelijm aan elkaar moet lijmen kan je het verlijmingsproces en de tijd nodig om de las op volle sterkte te krijgen drastisch verkorten door de verlijming in de damp van kokend water te houden.
In de damp van een waterketel b.v. of boven een stoomapparaat.
Maar let op dat je je vingers niet verbrandt…
De hogere temperatuur en de hogere waterconcentratie versnellen de polymerisatie!

Hieronder het resultaat van mijn eerste lijmwerk van dit jaar.
Het potje is gered. En ik ook.

potjedeksel
Chemisch geluk dus voor mij bij een huishoudelijk ongelukje.
Mijn chemiejaar is dus al goed begonnen.
Dankzij de secondelijm op nieuwjaarsdag.

donderdag 26 november 2009

Een waterdruppel: een wonder

Toen ik op mijn speurtocht langs YouTube deze week bij een wonderbaarlijk filmpje uitkwam, ging ik weer mijmeren over mijn jeugdjaren in Merelbeke.
Ik kon mij als jonge jongen eindeloos bezig houden met een waterstraal vanuit de kraan in de afwasbak te laten lopen.
En dan te kijken welk patroon die straal op de bodem van de bak tekende.
En hoe dat patroon veranderde als ik de straal fijner en fijner probeerde te maken, tot ze in kleine druppeltjes uiteenviel.
Bij een fijne straal kon het geluid ook plots te hoogte ingaan, als het ritme van de waterdruppels zodanig was, dat bodemplaat mee ging trillen.
Later heb ik geleerd dat die versterking van het geluid een geval van resonantie was.
Zoiets zoals een brugdek dat mee gaat trillen als een groep soldaten er met een bepaalde cadans over marcheert.

image
Druppelend water: een boeiende miniwereld. Je moet er zelf ook maar eens wat mee experimenteren.

De moderne beeldtechnologie geeft ons nu de mogelijkheid om nog meer wonder te zien bij druppels.
Geniet maar eens mee van het filmpje hieronder dat een waterdruppel volgt op zijn weg naar beneden.
En vooral van wat er gebeurt als hij contact maakt met de rest van het water.
Hoe er zich een luchtlaagje vormt tussen de druppel en het wateroppervlak.
Hoe druppel als een steeds kleiner bolletje terug omhoog geduwd wordt om tenslotte, als hij klein genoeg geworden is, volledig opgeslokt te worden.
Gefilmd met 2000 beelden per seconde!

Voor mij een wonder.
Ik hoop dat het dit voor jullie ook nog zo kan zijn.

donderdag 5 november 2009

Zure soep en Newton

Een paar weken geleden had Mia prijs.
Ze had een grote kom verse soep gemaakt net vóór we moesten vertrekken naar Merelbeke op familiebezoek
In haar haast had ze de soepkom zonder deksel op de nog hete kookplaat laten staan…
Je kan het wellicht al raden: toen we ‘s anderendaags van het normaal lekkere goedje wilden proeven, was de ontgoocheling groot: de soep was zuur.

image 
Het voorval was natuurlijk onderwerp van gesprek toen we vorige zaterdag opnieuw in familiekring samen zaten ter gelegenheid van het Allerheiligen-weekend.
Het aanwezige vrouwenkransje had allerlei remedies om zo’n soepdrama te voorkomen. De discussie ging vooral over afkoelen met of zonder deksel op de kom.
Ik heb er me niet mee bemoeid. Maar…

maandag 26 oktober 2009

Zoals het vroeger was.

1957.
Ik zat in de 1ste Moderne van het St.-Gregoriusinstituut – afdeling Merelbeke.
Die middelbare school was er in onze gemeente gekomen in de volle schoolstrijd, als antwoord van het katholiek onderwijs op de “Collardschool” die er door het toenmalige rijksonderwijs was opgericht.
Onze school was een “filiaal” van het grotere St.-Gregoriusinstituut van Ledeberg aan de rand van Gent.

Ieder jaar, op 12 maart, werd het naamfeest van de patroonheilige van onze school, de H. Gregorius gevierd.
Daar keken we in 1957, toen we dit voor de eerste keer mochten meebeleven, al van in het begin van het schooljaar naar uit.
12 maart was een feestdag.
Uiteraard geen les en we mochten met de hele klas, per fiets, naar Ledeberg, naar ons “groot moedercollege” om daar met die stadsmussen mee te vieren. Fier droegen we onze “alpin” met daarop het kenteken van onze Merelbeekse afdeling.

sg
Herken je me op de foto?

We smulden volop van de lekkere koeken en dronken met volle teugen van de zoete limonade. Iets wat we thuis zelden of nooit op tafel kregen.
Maar als je de foto goed bekijkt zie je achteraan waar het ons die dag vooral om te doen was: we mochten roken!

Maandenlang ervóór werd er op school gediscussieerd over welke sigaretten we zouden kopen: Boule d’Or of Belga Filter of Rode Michel misschien, want Groene was te straf? Uiteindelijk koos ik voor een pakje Northpole, een meer “exclusieve” soort mentholsigaretten.
Ik had voor alle zekerheid thuis al wat geoefend met een paar sigarillootjes van ons pa, die ik stiekem op het toilet (dubbele zekerheid) had opgepaft.

image
Ik herinner me nog alsof het gisteren was hoe ik ervan genoten heb die 12 maart. Mijn pakje Northpole is er die dag helemaal aan gegaan…

1957.
Jongentjes van 12 jaar laten roken! Hoe kwamen ze er bij, die priesterleraars van 50 jaar geleden!
De tijden zijn veranderd.
Toen was roken nog gemeengoed.
Iedereen deed het. Bij de mannen toch. “Hij is geen man die niet roken kan” was toen de leidraad.
Maar op “den buiten” werden rokende vrouwen toen meestal nog met een erg scheef oog bekeken.
En het woord longkanker was nog nergens te horen.

Een treffende illustratie van hoe er toen tegen roken en tabaksgebruik werd aangekeken is te zien en te horen op het filmpje hieronder, daterend van 1958.
Een veel uitgebreidere versie met een lofzang op de Nederlandse tabaksindustrie, is te vinden op de onvolprezen Geschiedenissite van de VPRO.
Ik raad u aan om ook dat tijdsdocument eens te bekijken.
Maar dan moet je wel even tijd maken want het duurt maar liefst 23 minuten.
Daar moet je dus rustig bij gaan zitten.
Met een lekker bakkie koffie en… liefst zonder sigaret of sigarillootje.

zaterdag 15 augustus 2009

Korte slaapjes en mijn DNA

Ik ben een nachtraaf, maar geen nachtbraker.
Ik bedoel daarmee dat mijn avonden lang duren, maar dat ik ze niet in café’s of kroegen of elders buitenshuis doorbreng.
Neen ik zit “braafjes” achter mijn PC te Googelen of te bloggen of te Flight-Simulatoren of te Twitteren of te Facebooken of te Feedreaderen.

image
En dikwijls ook te lezen, maar steeds non-fictie.
Ik ben steeds met een paar boeken terzelfdertijd bezig.

Op aanraden van mijn oude Merelbeekse jeugdgabber Marc, ben ik eergisteren begonnen aan “De ontdekking van Frankrijk” van Graham Robb.
Het ziet er veelbelovend uit. Goed geschreven én goed vertaald.
En de ontdekkingsreis die de auteur door het land van onze zuiderburen beschrijft, ben ik helemaal aan het uitstippelen op Google Maps. Ongelooflijk plezierig én leerrijk vind ik dat.

Ik ben ook halfweg in “Sleutelbewaarders” van Roger Collins.
Een boek over de geschiedenis van het pausdom van Petrus tot heden.
In ben daar in de 13de –14de eeuw aanbeland. De tijd van Avignon als pauselijke residentie. En ook de tijd waarin “De Naam van de roos” van Umberto Eco speelt. Daarom heb ik dat boek ook nog eens uit de kast gehaald. Niet om het helemaal te herlezen, maar om nu juist die passages op te zoeken waarin de strijd om het pausdom en het conflict tussen paus(en) van toen en de Duitse keizer Lodewijk IV ter sprake komt. Het detectiveverhaal verhuist nu voor mij op de achtergrond. En het boek krijgt voor mij een nieuwe betekenis.

En in “Why does E=mc2” ben ik ook al halfweg.
Eén van de belangrijkste vergelijkingen die Einstein aan de mensheid geschonken heeft, wordt daarin op een meesterlijke wijze en zonder ingewikkelde wiskunde uit de doeken gedaan door de jonge fysicaprofessoren Brian Cox en Jeff Forshaw. Een schoolvoorbeeld van hoe je iets ingewikkelds pas helder kan uitleggen als je zelf goed weet waarover het gaat.

image
Het zal jullie dus niet verwonderen dat mijn nachten kort zijn. Want ik kom voor al dat computer- en leeswerk eigenlijk pas goed op dreef na 9 uur ‘s avonds.
Maar aan 6 uurtjes slaap heb ik meestal genoeg.
Dat is al altijd zo geweest.
En de reden ligt misschien wel in mijn DNA.
Dat zeggen tenminste een groep Amerikaanse neurowetenschappers onder leiding van Ying-Hui Fu van de University of California.
Ze hebben ontdekt dat mensen met een bepaalde variant van het zogenaamde DEC2-gen, gemiddeld twee uur slaap minder nodig hebben dan mensen die deze “geschikte” variant van dat gen niet in hun DNA zitten hebben.
De resultaten van hun studie werd gisteren (14 aug.) in het wetenschappelijk tijdschrift Science gepubliceerd.

Heb ik dan chance? Of vind je mijn DEC2-gen-variant absoluut niet zo geschikt? Slaapkoppen!

donderdag 6 augustus 2009

Google Maps stelt heel België scherp

Maandag was het al een feit in Google Earth, maar vanaf dinsdag toont ook Google Maps nu scherpe luchtfoto’s van een paar delen van België waar dit tot nu toe niet het geval was.
Steden zoals Gent, Brugge, Hasselt en de omgevingen zijn er nu bijgekomen.
Heel ons landje staat nu gedetailleerd op de kaart.

Ons huis in Romershoven was al langer scherp te bekijken, maar nu kan ik ook de Poelstraat te Merelbeke, waar ik ruim dertig jaar van mijn leven gewoond heb, in detail bekijken.
Het is wel niet meer het Merelbeke van mijn jeugdjaren wat te zien is, want de foto’s die nu gebruikt worden, zijn genomen in 2007.
De kaart hieronder toont het resultaat.
Weet dat je die kaart kan zoomen, scrollen en verschuiven naar believen. En wil je ze groter? Klik dan op de link eronder.

Google soigneert ons dus weer een beetje beter.
Het is nu nog wachten op streetview in België. Daar blijven we wellicht nog te einde van dit jaar op onze honger zitten.
En dan zijn we er ook bij, als één van de laatste landen in West-Europa…


Klik hier om de kaart groter weer te geven

maandag 20 juli 2009

Mijn 20 - 21 juli 1969

Veertig jaar geleden. Zondag 20 juli 1969.
In de late namiddag reed Eddy Merckx zegevierend over de streep in het stadion van Vincennes. Hij won de Ronde van Frankrijk, hij won de groene trui, hij won het bergklassement en zijn Faema-ploeg won het ploegenklassement. De kannibaal op zijn best.
Ik was een vurig supporter van mijn jaargenoot: Eddy geboren op 19juni 1945, ik op 31 juli 1945. Ik was blij en zelfs een beetje gelukkig geloof ik.
Ik heb er samen met onze pa en mijn schoonbroer Willy een cognacske op gedronken. Absoluut geen champagne of schuimwijn want dat was voor de rijke mensen. Dat hadden we niet in huis. Zelfs geen cava, want dat bestond toen nog niet (denk ik).

Maar het was niet afgelopen. Er stond nog veel te gebeuren die dag.
Op 300.000 km boven onze hoofden maakten Amerikaanse astronauten zich klaar voor een onvoorstelbare daad. Ze waren de landing van de eerst mens op de maan aan het voorbereiden.
Merelbeekse tijd was dat gepland midden in de nacht van zondag 20 juli op maandag 21 juli 1969.
Dat moesten we life meemaken. Dat wilden we niet missen.
’t Is te zeggen: mijn schoonbroer Willy en ik.
Om 11 uur hield onze pa het voor bekeken: “ze zullen wel landen zonder mij, slaapwel” zei hij en hij ging naar ons ma.
We dronken een pintje (toen al, nu nog), we rookten een sigaretje (toen nog, nu niet meer) en we keken TV.

De BRT van toen (zie logo hierboven) had de volledige wetenschapsredactie opgetrommeld voor een maraton-live-uitzending van Verover de Aarde. Een beetje een rare naam in de context van wat zich aan het afspelen was.
Sommigen zullen die mannen (het waren toen ook allemaal mannen…) nog wel kennen hoop ik: Stefan Mores, Piet De Valkeneer, Wim Offeciers, Jerome Verhaeghe.
In de studio werd uitgebreid verslag gedaan van dit unieke moment. In afwachting van “het” gebeuren kregen we grondige achtergrondinformatie en interviews met o.a de toen onvermijdelijke Armand Pien.
Willy had voor alle zekerheid toch maar een wekker gezet.
Rond 3 uur zou het gebeuren.
En om klokslag 3u. 56 min was het zover: een kleine stap voor Neil Armstrong, maar een grote stap voor de mensheid.
Verbauwereerd hebben we het zien gebeuren: de mens zette voor het eerst een voet op een plek buiten de aarde. Straffer nog dan Christoffel Columbus in 1492.

40 jaar later heeft Mia op zolder de bundel gevonden die ik er in die tijd over gemaakt heb.
De dagelijkse edities van het Gentse dagblad Het Volk, met de uitslag van de rit in de Ronde van Frankrijk, heb ik toen allemaal bewaard en gebundeld. Samen met de extra-editie over de maanlanding.
Een simpel, maar mooi tijdsdocument vind ik nu.
We hebben samen, met heimwee in het hart, nog eens door de vergeelde bladzijden gebladerd.
40 jaar geleden, waar is de tijd…



Klik maar eens op het beeld, dan zie je het groter.

zondag 19 juli 2009

Voor de gelovers

Je weet het: voor bijna alles wat er op ons aardbolletje gebeurt, valt de mensheid direct uiteen in 3 categorieën: de gelovers, de niet-gelovers en de twijfelaars.
40 jaar geleden was dat ook al een beetje zo, maar toch minder dan nu. Toen waren er nog zekerheden en vertrouwensbronnen: de Kerk, de Paus, de Pastoor, de Dokter, de School, de Meester, de Professor, onze Pa.
40 jaar later blijft er van dat rijtje niet veel meer over. Onze Pa misschien, in mijn herinnering.

40 jaar geleden zorgde Eddy Merckx, 35 jaar na Silveer Maes, voor een Belgische overwinning in de Ronde van Frankrijk. En Neil Armstrong zette als eerste mens een voet op de maan.

1969
Aan Merckx zullen er toen weinigen getwijfeld hebben. Een paar demente Van Looy-fans misschien.
Maar over de maanhistorie kwamen de niet-gelovers al vrij snel in het nieuws.
Met allerlei gemakkelijk te weerleggen argumenten: de schaduwen vielen verkeerd, de vlag rimpelde terwijl er op de maan geen wind is enz. Het was allemaal fake. Nagespeeld ergens in een studio en misschien zelf geregisseerd door Stanley Kubrick. "A Space Odyssee" numero twee dus.

Je hoort het: ik behoor tot het kamp van de gelovers.
En we hebben er de laatste dagen een belangrijk argument bijgekregen.
Je zal al wel gehoord hebben dat de Amerikanen weer maanplannen hebben. Ter voorbereiding cirkelt er sedert vorige maand een Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO) rond de maan.
En eergisteren was het bingo. De LRO vloog over de Zee der Stilte (Tranquility Base), het landingsgebied van Apollo 11. En met zijn zeer-hoge-resolutie-camera’s fotografeerde hij prompt de maanlander die daar nog steeds stond te staan.

image
All images credit: NASA/Goddard Space Flight Center/Arizona State University

Voilà, nu hebben we ze. Daarmee is de kous af, ongelovige Thomassen. Ge ziet het nu zelf.
En ge moet hier niet beginnen zeveren over Photoshop hé, onnozelaars…

En morgen vertel ik mijn eigen 21 juli ‘69 verhaal.

maandag 13 juli 2009

Koffie brouwen vroeger en nu

Ik ben niet zo’n echte koffiedrinker. Ik drink eigenlijk alleen maar koffie bij de boterham. Of soms eens bij een gebakje.
Maar mijn moeder, dat was een echte koffiemadam.
Zij kon niet zonder een lekker “potjen” zwart. Elke namiddag.
En ze heeft me ook koffie leren zetten.

Om te beginnen moesten de bonen met de hand gemalen worden. Met een goede ouderwetse koffiemolen.

image
Ze verdacht de elektrische molens ervan dat ze de temperatuur bij het malen te hoog opdreven, waardoor er, volgens haar, aroma verloren ging.
Dat was pure “feeling”. Ze heeft dat natuurlijk nooit onderzocht. Moederke was huismoeder, geen chemiste.
De gemalen koffie werd vervolgens in een koffiekan gedaan. Maar dan een koffiekan van het aloude soort, met koffiezak.

image
Zoiets zoals op de foto hierboven. Maar dan met een “deksel” op de kan. Want zonder deksel gingen de geurige aroma’s de lucht in zei. En terecht.
En boven op het koffie moest er een “tipkenchicorei en… een "snuifken" zout!
Dan water aan de kook brengen en een portie heet, maar net niet meer kokend water (95°C schat ik) over de de koffie gieten. Deksel direct op de kan en laten doorlopen. Water weer laten koken. Tweede portie heet water over de koffie en weer laten doorlopen. En zo verder in snelle kleine hete waterporties tot je de gewenste hoeveelheid koffie-extract had. Dat mocht maximum vijf minuten duren.
En de verhouding koffie / water in het oog houden, want moeder moest geen brouwsel hebben waar je “uw gazette kon door lezen”.
Ze wilden een “potjen straffen kadée”.

Ik zorg nog iedere morgen voor de koffie.
Zoals moederke het mij leerde zet ik geen koffie meer.
Ik gebruik nu een elektrisch koffiezetapparaat.
En meestal voorgemalen, vacuümverpakte koffie. Daar zijn ook de meeste van de aromatische stoffen goed in bewaard gebleven. Soms gebruik ik eens vriesdroog koffie en dan is er nog minder aromaverlies.

Maar er zijn enkele belangrijke middelen om de kwaliteit van het koffiebrouwsel op te drijven, zelfs met die moderne koffiezetmethodes.

Zorg er in de eerste plaats voor dat de temperatuur hoog genoeg is.
Hoe doe je dat?
Laat het water dat je in de koffiezet gaat gebruiken eerst eens doorlopen zonder koffie. Zo warm je alle “leidingen” in het toestel al eens goed op. Gebruik het hete water opnieuw om de koffie te zetten. Je zal zo nog niet de 95°C van mijn moederken bereiken, maar je zal er toch al dichterbij komen dan met een koud toestel.

Zorg er in de tweede plaats voor dat het zetten niet te lang duurt.
De meeste koffiezetapparaten doen er te lang over en dit bevordert de smaak van het brouwsel niet, integendeel.
Onderbreek het koffiezetten na een goede vijf minuten. Zet de opvangkan opzij. En als nog niet alles doorgelopen is, zet je er een grote tas onder om de overschot op te vangen.

En tenslotte: drink je koffie vers.
Laat de opvangkan na het zetten niet op de nog hete plaat van het toestel staan, maar schenk de verse koffie onmiddellijk in de tassen.
De koffiekan blijven verwarmen na het zetten en de koffie lang in de kan laten, geeft zeer zeker kwaliteitsverlies.

image
Probeer het maar eens uit en laat me maar weten of ik gelijk heb of niet.
Maar ja, misschien drink je wel altijd thee…

zondag 5 juli 2009

Daltonisme

Marc is een goede kameraad. Al vanaf mijn jeugdjaren in Merelbeke.
Hij vraagt mij, in een reactie op mijn blogje over kleurillusies, om eens te bloggen over daltonisme.
Blijkbaar heeft Marc last van rood-groen-kleurenblindheid.

Zo’n kans laat ik niet liggen natuurlijk.
Vooral omdat ik zelf ook wat geplaagd ben door een (lichte) afwijking in het kleurenzien.
Ik herinner me hoe ik extra testen moest afleggen toen ik mijn “drie dagen” moest doen in ‘t Klein Kasteeltje.
Er was iets niet in orde met mijn kleurwaarneming in het groen-bruine gebied.
Toen ik in het onderwijs wou starten en daarvoor medische testen moest doorspartelen, kreeg ik van hetzelfde laken een broek: extra controle op mijn kleurenzicht.
Maar het heeft mij niet geholpen om aan de legerdienst te ontkomen. En voor mijn onderwijswerk was de lichte afwijking blijkbaar ook geen beletsel.
Maar ik heb het dikwijls tegen Mia over een bruine pull als het volgens haar over een groene pull-over gaat.
En zo modebewust ben ik nu ook weer niet om mij daar zorgen over te maken.

Maar Marc is daltonist. En dat is toch een zwaardere storing in het kleurenzien.
Daltonisme heeft zijn naam te danken aan John Dalton, een beroemd chemicus uit de 18de eeuw. Elk jaar opnieuw mocht ik hem voorstellen aan mijn leerlingen, bij hun eerste stappen in de chemie.
Want Dalton was één van de grondleggers van de moderne scheikunde omwille van zijn merkwaardige en voor die tijd revolutionaire atoomtheorie.

Dalton was zelf niet in staat om groen en rood goed van elkaar te onderscheiden.
En sinds hij dat verschijnsel in 1794 voor het eerst systematisch beschreef, is daltonisme het veel gebruikte synoniem geworden voor rood-groen kleurenblindheid.
Dalton dacht dat zijn afwijking het gevolg was van een blauwe verkleuring van het glasachtig lichaam in zijn ogen.
Toen dit na zijn dood getest werd, bleek dit niet het geval te zijn.

oog


De term kleurenblindheid is eigenlijk een verkeerde benaming.
De meeste kleurenblinden kunnen wel degelijk kleuren zien, maar hebben moeite met het onderscheiden van een aantal kleuren.
En dat gebrek aan onderscheidingsvermogen heeft te maken de werking van de lichtgevoelige cellen op ons netvlies: de staafjes en de kegeltjes.

netvlies
De staafjes zorgen niet voor kleurwaarneming. Ze zorgen ervoor dat we ook bij weinig licht nog vormen kunnen zien in zwart-witte en grijze tinten.

Het zijn de kegeltjes die voor de kleurwaarneming zorgen.
Er bestaan drie verschillende soorten kegeltjes:

  1. soort 1: kegeltjes waarmee we blauw kunnen waarnemen.
    Ze absorberen licht met een golflengte van ongeveer 443 nanometer (nanometer = nm = 10-9 m)
  2. soort 2: kegeltjes waarmee we groen kunnen waarnemen.
    Ze absorberen licht met een golflengte van ongeveer 544 nanometer
  3. soort 3: kegeltjes waarmee we rood kunnen waarnemen.
    Ze absorberen licht met een golflengte van ongeveer 570 nanometer.


kegeltjes











Wanneer we een bepaalde kleur zien, worden alle drie de soorten kegeltjes geactiveerd, maar wel in verschillende mate, naargelang de kleur.
Op die wijze krijgen onze hersenen bij elke kleur een specifiek signaal van elke kegeltjessoort. De combinatie van die signalen geeft ons een bepaalde kleurwaarneming.
Op die manier kunnen we miljoenen kleurtinten onderscheiden.

Als alles normaal is tenminste.
Maar bij daltonisten is dat niet het geval!
Bij daltonisten verschuift de gevoeligheid van de kegeltjes van soort 2 naar de rode kant van het spectrum. Je ziet hieronder de naar rechts opgeschoven groene curve:

kegeltjes2


Daardoor absorberen de kegeltjes van soort 2 vrijwel in hetzelfde golflengtegebied als die van soort 3.
Onze hersenen krijgen dus van soort 2 en soort 3 praktisch hetzelfde signaal binnen. Ze kunnen geen onderscheid maken tussen de 2 signalen: ze kunnen groen en rood niet van elkaar onderscheiden. Dit is daltonisme.

Wil je eens testen of je kleurenblind bent?
Noteer dan welk getal je kan lezen in de figuur hieronder.
Niet foetelen!
Het resultaat vind je helemaal op het einde van dit berichtje.

image

Daltonisme is erfelijk en het is een geslachtsgebonden kenmerk.
Dat wil zeggen dat de genen die er mee te maken hebben op de geslachtschromosomen liggen.
Daardoor is slechts 1 op de 250 vrouwen daltonist terwijl het bij mannen maar liefst in 1 op de 12 gevallen voorkomt.
Dit grote verschil is te verklaren aan de hand van de overerving van geslachtsgebonden kernmerken.
Dit zou voor dit berichtje te ver voeren om dat helemaal uit de doeken te doen.
Laat maar iets weten als je daar interesse voor hebt.

Maar je ziet het: ook wat daltonisme betreft is de vrouw het sterke geslacht.
Dus: zeg niet te gauw, het is weer een vrouw…


En wat de test betreft: zie je vierenzeventig, dan heb je een normaal kleurenzicht. Maar als je eenentwintig ziet of helemaal geen getal, dan hapert er iets met je kleurenzien. Santé!

zondag 14 juni 2009

Gelukkige Vaderdag!

Vandaag zijn de vaderkes aan de beurt.
Ik wens dan ook alle vaders, oud en jong, een gelukkige vaderdag!


Onze moederkes zullen ongetwijfeld aan ons denken en ons met iets prettigs verrassen.
Ik verwacht eigenlijk niets bijzonders meer.
Ik heb onlangs een nieuwe PC gekregen en daar ben ik heel content mee.

Vaderdag is voor mij ook een dag waarop ik, meer nog dan anders, vol heimwee terugdenk aan mijn eigen vader.
De goede man is intussen al 17 jaar geleden gestorven.
Een harde werker, een eenvoudige arbeider, die er alles aan gedaan heeft om zijn drie kinderen te laten studeren en een goede toekomst te geven.
Ik ben hem daar nog altijd enorm dankbaar voor.
Van één ding heb ik spijt: ik heb het hem niet genoeg gezegd.

Voor mijn vader en voor alle vaders, dit mooie lied van Stef Bos.



zaterdag 13 juni 2009

Roddel je gezond

Het leven wordt met de dag plezieriger.
Wat vroeger zonde was en dus moest gebiecht worden om niet voor eeuwig in het helse vuur te moeten branden, wordt tegenwoordig een “must”.
Wat vroeger niet mocht, blijkt nu gezond te zijn.
Als je dus wat vroeger zonde was nu wél doet, kan je misschien wat langer leven.
En...dan kom je wat later in de hel. Aan u de keuze.


Neem nu roddelen.
Die ogenschijnlijk verfoeilijke bezigheid die voortdurend de kop opsteekt als een groepje (en 2 is soms genoeg) mensen samenzitten.
Stephanie Brown en haar collega's van de universiteit van Michigan (VS) publiceren in het juninummer van het tijdschrift Hormones and Behavior een onderzoek over de gunstige effecten van roddelen.
En het gaat volgens hen dan niet alleen om het feit dat lustig kwaadspreken een positieve emotionele band schept tussen roddelaars. Neen, er is ook een lichamelijk effect.
Ze hebben namelijk vastgesteld dat bij roddelende vrouwen de concentratie aan progesteron in het speeksel verhoogd was.
En dat is positief, want progesteron is een hormoon dat het gevoel van welbevinden verhoogt en stress en angstgevoelens verlaagt.
Progesteron is één van de voornaamste vrouwelijke geslachtshormonen. Tijdens de 2de helft van de vrouwelijke cyclus (dus na de eisprong) en vooral tijdens een zwangerschap wordt het door een vrouwenlichaam in vrij hoge concentraties geproduceerd.
Maar ook in het mannenlichaam wordt progesteron aangemaakt. In de bijnierschors namelijk.

Bijnier
Dus: ons roddel-je-gezond-verhaal kan ook voor mannen opgaan.
Roddel er dus maar op los, dames én heren.
Maar overdrijf niet.
Want met een “te” ervoor is nooit goed.
Dat wist mijn moederke al, zonder uitgebreide studies.
“Zelfs tevreden is niet goed” zei ze, want als je daar “te” voorzet wordt dat “te tevreden”.
En dat deugt natuurlijk ook niet.

zondag 10 mei 2009

Dank u wel moederkes!


Ik hoop dat je deze morgen ook voor de croissantjes gezorgd hebt.
En voor een mooi bloemeke. En misschien nog voor nog veel meer.
Want ze verdienen het onze moederkes.
Hoe we het ook draaien of keren, ze staan altijd voor ons klaar, we kunnen niet zonder.

Misschien heb je nog het geluk om je echt moederke nog bij je te hebben. Koester dan dat geluk en laat haar dat voelen.
Maar ook dat moederke dat dag in dag uit met je samenleeft en lief en leed met je deelt, moet je vandaag (maar ook morgen en overmorgen en….) op handen dragen!
Maak er samen weer een onvergetelijke dag van!

En met veel weemoed in het hart schenk ik aan alle moederkes dit wondermooi gedicht van Martinus Nijhoff

Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tezaam
Iedren nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moegespeeld en moe gesprongen,
Zat ik op uw schoot, en dacht,
In mijn nacht-goed kleine jongen,
Aan ‘t geheim der nacht.

Want als wij dan zingen gingen
’t Oude altijd-eendre lied,
Hoe God alle, alle dingen
Die wij doen, beziet.

Hoe zijn eeuw’ge, grote wond’ren
Steeds beschermend om ons zijn,
- Nimmer zong je moeder zonder ‘n
Beven dat refrein -

Dan zag ik de sterren flonk’ren
En de maan door wolken gaan,
d’Ouden nacht met wijze, donk’re
Ogen voor me staan

dinsdag 5 mei 2009

Wat betekent H1N1?

De media blijven ons om de oren slaan met berichten over de eventuele pandemie die door de varkensgriep of Mexicaanse griep zou kunnen veroorzaakt worden.
In de context van een ziekte betekent een epidemie een ziekteverschijnsel dat zich snel en over een groot gebied manifesteert.
Een pandemie is een wereldwijde infectie-epidemie bij mensen.

Ik heb al nu en dan gehoord en gelezen dat het om het om een griep gaat veroorzaakt door een H1N1-virus.
Ik herinner mij dat de vogelgriep waar men het een sinds 2007 vooral over had, veroorzaakt wordt door een H5N1-virus.
Wat ik wel nog niet gehoord of gelezen heb, dat is wat de letter- en cijfercode H1N1 precies betekent. Maar het zou kunnen dat ik niet goed opgelet heb.
Of vindt men zo'n uitleg te technisch misschien?
Maar ik heb graag dat zo'n geheimzinnige code opgehelderd wordt.

Ik ben dus zelf maar eens op zoek gegaan naar het "geheim" achter H1N1.
H1N1 is een virusgroep die meerdere virussoorten bevat. Deze groep is behoort tot de grotere groep van de influenza A-virussen.
Correct wetenschappelijk genoteerd gaat het dus om de A(H1N1)-groep
De grote groep van de influenza A-virussen is verantwoordelijk voor de meeste griepsoorten die bij de mens voorkomen.
Alle influenza A-virussen hebben als kenmerk dat er aan hun oppervlak steeds 2 soorten eiwitten voorkomen:

  • Hemaglutininen (H)
  • Neuramidasen (N)

Alle influenza A-virussen zijn dus HN-virussen.

Hieronder zie je een afbeelding van zo'n influenza A-virus.
De H- en N-eiwitten aan het virusoppervlak zijn respectievelijk door gele kegeltjes en rode bolletjes voorgesteld.

influenza-virus-82101
De H-eiwitten spelen een rol in de wijze waarop zo'n virus zich kan vasthechten aan de cel die hij zal infecteren.
De N-eiwitten spelen een rol bij het doorlaten van de nakomelingen van het virus nadat het zich in de geïnfecteerde cel heeft vermenigvuldigd.

Alle H-eiwitten van de verschillende HN-virussen hebben dezelfde basisstructuur maar er zijn verschillen in de opbouw van de eiwitketens.
Er zijn op dit ogenblik minstens 16 verschillende H-eiwitten bekend. Deze worden genummerd van 1 tot 16.
Ook alle N-eiwitten van de verschillende HN-virussen hebben dezelfde basisstructuur maar weer er zijn verschillen in de opbouw van de eiwitketens
Er zijn op dit ogenblik minstens 9 verschillende N-eiwitten bekend. Deze worden genummerd van 1 tot 9.

Alle H1N1-virussen hebben dus een H-eiwit en een N-eiwit die beiden van het 1ste type zijn dat ooit beschreven werd.

In de loop van de 20-ste eeuw zijn er verschillende griep-epidemies geweest veroorzaakt door HN-virussen zoals je op onderstaande tijdlijn kan zien:

InflA
De blokjes duiden griep-pandemieën aan:

  • 1918 - 1920: de Spaanse griep veroorzaakt door een H1N1-type virus.
    Er vielen wereldwijd rond de 100 miljoen slachtoffers.
  • 1957 - 1958: De Aziatische griep of A-griep veroorzaakt door een H2N2-type virus.
    Er vielen wereldwijd rond de 4 miljoen slachtoffers.
    Ook Mia en ik hebben de A-griep gehad.
    Ik herinner mij nog zeer goed, hoe ik nog wat ziek was op de dag van mijn H. Vormsel. Daardoor werd ik in een auto van een goede buur naar de kerk gebracht. Voor mij een even grote belevenis als het Vormsel zelf, want een auto hadden we toen thuis nog niet.
  • 1968 - 1969: de Hong-Kong griep veroorzaakt door een H3N2-type virus.
    Er vielen wereldwijd ongeveer 38.000 slachtoffers.

Het valt zonder twijfel op hoe drastisch het aantal slachtoffers van die griep-pandemieën daalt in de loop van de tijd.
Dit heeft natuurlijk alles te maken de spectaculaire vooruitgang van de geneeskunde in de loop van de 20ste eeuw: ontwikkeling van griepvaccins en anti-virale middelen, maar ook verbeterde symptoombehandeling met o.a. efficiënte koortswerende middelen.

De Mexicaanse griep veroorzaakt door H1N1-type virus(sen) grijpt nog altijd om zich heen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft op 29 april pandemie-alarmfase 5 afgekondigd. Dit is de op één na hoogste alarmfase en dat betekent dat de WHO over gegevens beschikt die er op wijzen dat een pandemie waarschijnlijk is.
Laat ons hopen dat het zover niet komt.

zondag 3 mei 2009

Een beetje voyeurisme mag wel in de lente

Ik herinner me hoe ik als jonge jongen in de lente altijd op hete kolen zat om eens in het nestje te kijken als ik wist dat er ergens in de buurt een vogeltje met eikes lag.
Mijn vader vermaande mij dan altijd: "Let op, als ge teveel gaat kijken zal het vogeltje niet meer verder broeden".
Ik liet het dan meestal wel zo. Voor eventjes toch. Maar stiekem ging ik dan toch nu en dan eens loeren.

En nu is er internet...
Nu moet dat niet meer stiekem: men heeft er webcams opgezet!
Op de site Beleef de Lente van Vogelbescherming Nederland, kan je letterlijk in de nestjes gluren.
Er zijn meerdere webcams actief. Je hebt een ruime en interessante keuze.
Eén ervan is van een koolmeesje dat met 9 eikes ligt.
Je ziet het nestje hieronder.
Je kan eens alles goed bekijken. Zo'n beetje voyeurisme mag nog net denk ik.
Maar reclameer niet als het vrouwke niet op het nestje zit.
Met internet kan en mag veel, maar broeden op bevel is er (nog?) niet bij.