Posts tonen met het label datatransport. Alle posts tonen
Posts tonen met het label datatransport. Alle posts tonen

donderdag 13 augustus 2009

Zoals het ytterbiumklokje tikt

Tijd is een moeilijk begrip.
We ervaren tijd als de opeenvolging van momenten.
Tijdsduur is meetbaar. En voor al wat meetbaar is hebben we een meet-eenheid.
Voor lengte is dat de meter, voor massa is dat de kilogram.
Voor tijd is dat de seconde.
Eén meter en één kilogram kunnen we ons nog tamelijk gemakkelijk voorstellen.
Maar wat is een seconde eigenlijk?


Oorspronkelijk was een seconde het 86.400ste deel van een zonnedag.
En een zonnedag is de tijdsduur die de aarde nodig heeft om éénmaal om haar as te draaien, gezien vanaf de zon.
Maar die zonnedag is om allerlei redenen niet constant.
O.a. omdat de rotatie van de aarde om haar as niet constant is.
Toen men dat besefte, is men allerlei trucs gaan bedenken om te corrigeren. Maar het was eigenlijk allemaal wat lapwerk.
De seconde was dus een slecht omschreven eenheid van tijdsduur.

Tot men in 1955 resoluut een andere richting uitging.
Men liet voorgoed de koppeling varen tussen de eenheid van tijdsduur en de aardrotatie. M.a.w. de seconde was niet langer een deeltje van de duur van een dag.
Van toen af aan werd wat er in het inwendige van atomen gebeurt de basis voor de bepaling van de seconde.
Om het niet te ingewikkeld te maken: in een atoom kan men de deeltjes die erin aanwezig zijn zeer snel aan het trillen brengen.
Die trillingen verlopen met een zeer constant ritme en ze zijn zeer precies te tellen. Ik laat hier in het midden hoe men dat doet.

In 1969 heeft men besloten om de seconde een nieuwe definitie mee te geven op basis van zo’n trillingsaantal.
Van toen af aan was 1 seconde = de tijd nodig om in een atoom cesium 9.192.631.770 trillingen te tellen.
De nauwkeurigheid van die telling werd meer en meer verbeterd.
Daardoor werd de fout op de seconde van langs om kleiner.
Een cesium-atoomklok die op die telling gebaseerd is, vertoond tegenwoordig maar een fout van 1 seconde op 100 miljoen jaar!

En toch is men nog niet tevreden.
Men vindt dat nog altijd niet nauwkeurig genoeg.
Een nieuwe studie van wetenschappers aan het Amerikaanse National Institute of Standards and Technology (NIST) te Gaithersburg stellen nu voor om niet langer de atoomsoort cesium te gebruiken.
Ze tonen in hun studie aan dat met de atoomsoort ytterbium nog veel nauwkeuriger kan gewerkt worden.
Wellicht zit er dus een aanpassing van de definitie van de seconde aan te komen op basis een trillingsaantal in een atoom ytterbium.

Waarom moet de tijdsduur nu zo nauwkeurig kunnen gemeten worden?
Natuurlijk heeft dit geen nut voor onze dagelijkse bezigheden?
Hola, niet te vlug.
Een paar voorbeelden maar.
Wat dacht je van je radiogestuurd klokje of wekkertje?
Dat haalt zijn juiste tijd uit een radiogolf afkomstig van de DCF77-zender in Mainlingen en op zijn beurt is dat radiosignaal gekalibreerd op een atoomklok in Braunschweig. Ik heb het daar daar al eens in een vorig berichtje over gehad.
Maar niet alleen je wekkertjes, ook je computerklok en de juiste tijd op je radio en TV b.v. zijn geijkt op de Braunschweig atoomklok
En gebruik je nu ook een GPS om de weg naar huis of naar elders te vinden?
Welnu het de nauwkeurigheid van het hele GPS-systeem hangt af van de nauwkeurigheid van de atoomklokken die de 24 GPS-satellieten aan boord hebben.

Laat ons dus maar blij zijn dat die klokjes nauwkeurig werken.
Nu moeten we teminste aan ons vrouwke (of manneke) niet vragen om de kaart te lezen als we ergens naar toe willen.
Was dat bij jullie ook zo’n ramp?

image

maandag 10 augustus 2009

Kepler is er weer

Ik heb in maart en april meerdere blogberichtjes gewijd aan Kepler.
Niet aan de astronoom die ons met zijn fameuze wetten inzicht gegeven heeft in de bewegingen van de planeten.
Wel aan het spectaculaire NASA-project dat de naam van de Duitse sterrenkundige meekreeg.
Met dat project gaat NASA op zoek gaat naar aardachtige planeten rond sterren.
Ze doen met de Kepler-satelliet waarnemingen in een vierkant gebied van onze Melkweg dat, gezien vanuit de positie van de satelliet, iets meer dan 100 graden breed is. Dat gebied ligt tussen de sterrenbeelden Zwaan (Cygnus) en Lier (Lyra).

image
Hieronder zie je dat gebied van de sterrenhemel wat meer in detail.
De blauwe diagonale band is onze Melkweg, die dwars door het sterrenbeeld Cygnus (Zwaan) heen loopt.

sterrenbeeld
Ik ga hier het hele Kepler-opzet niet opnieuw uit de doeken doen.
Zoek daarvoor maar eens in mijn blog met “Zoeken in mijn blog”.
Dat Google-zoekmachientje vind je ergens aan de rechtse kant van deze pagina.

Voor wat volgt is het belangrijkste dat je weet dat men geschikte planeten probeert te vinden door het detecteren van het voorbijtrekken van zo’n planeet vóór zijn ster .
Dat voorbijtrekken noemt men “een transitie”.
Bij zo’n transitie wordt het licht van de ster een minuscuul klein beetje gedempt.
Ik geef een voorbeeld van hoe klein die demping wel is.
Als b.v. de planeet Jupiter voor onze zon passeert, wordt het zonlicht met 1% gedempt.
Van waar komt die 1%?
De straal van Jupiter is afgerond 70.000 km.
De straal van de zon is afgerond 700.000 km. Dus 10 maal meer.
Je zal nog wel weten dat de oppervlakte van een cirkel = π.r2
Een kleine rekensom leert ons dan dat de oppervlakte van de zonneschijf 100 (=102) maal groter is dan de oppervlakte van Jupiter. Jupiter bedekt dus 1/100 of 1% van de oppervlakte van de zon. De sterkte van het zonlicht zal dan met 1% dalen. Simpel niet?

Het zijn dus dergelijke kleine dipjes die men wil meten.
Maar hou er dan toch rekening mee dat het hier niet om waarnemingen binnen ons eigen zonnestelsel gaat. Ze gaan hier dipjes meten op circa 1000 lichtjaren van de aarde af!
Maar voor de super-gevoelige fotometers en de elektronica aan boord van de Kepler-satelliet is dat waarneembaar.
Dat hoopt men toch.

En die hoop is niet ijdel gebleken.
Een paar dagen geleden (6 augustus) liet NASA weten dat Kepler, in een testfase, een transitie heeft kunnen meten.
Het gaat over de passage van de planeet HAT-P-7b.
Die planeet draait rond een ster die bekend staat als HAT-P-7.
Rare namen zijn dat misschien, maar er zit een betekenis achter.
HAT staat voor “Hungarian-made Automated Telescope” omwille van de Hongaarse wetenschappers die aan de basis lagen van het netwerk van optische telescopen dat planeten rond andere sterren waarneemt.
P-7b is een code die de volgorde van ontdekking van de planeet door dat netwerk aangeeft.
HAT-P-7b is de 7de planeet in de rij van de 13 tot nu toe waargenomen planeten.
HAT-P-7 zelf is de ster waarrond HAT-P-7b draait.
Voor astronomen is HAT-P-7 dus een bekende ster die zich op ongeveer 320 parsec van de aarde bevindt.
De parsec is een astronomische lengtemaat. Iets voor enorm grote afstanden dus. 1 parsec komt overeen met 3,26 lichtjaar.
HAT-P-7 bevindt zich dus op ongeveer 1043 lichtjaar. Dit is de “normale afstand” voor Keplers waarnemingsgebied.

En dit zag Kepler gebeuren, toen hij HAT-P-7 en HAT-P-7b gedurende 10 dagen observeerde:

Kepler observations of HAT-P-7B

De onderste curve is een uitvergroting van de bovenste.
Links zie je zeer duidelijk de “grote” dip in lichtsterkte van de ster HAT-P-7 als de planeet voorbijkomt.
De diepte van die dip heeft natuurlijk te maken met de oppervlakte van de planeetschijf t.o.v. de oppervlakte van de HAT-P-7. Denk aan ons voorbeeld met Jupiter hierboven.
Maar wat is dat raar klein dipje rechts dan, dat pas bij de uitvergroting goed duidelijk wordt?
Dat dipje doet zich voor als de planeet achter de ster verdwijnt!
Elke planeet weerkaatst immers een deel licht van zijn ster. Zo zien we b.v. Venus aan de hemel staan omdat Venus het zonlicht weerkaatst, alhoewel Venus zelf geen licht uitstraalt.
Idem met onze maan (misschien is die intussen al als planeet erkend?). Naargelang van de positie van de maan t.o.v. de zon en de aarde, weerkaatst ze meer of minder zonlicht: nieuwe maan, eerste kwartier, laatste kwartier, volle maan.
Ook zo voor HAT-P-7b. Zolang die nog niet achter zijn ster zit, weerkaatst hij ook een deel van het sterlicht. Maar van zodra hij achter de ster verdwijnt, valt het weerkaatste licht weg en dus… klein dipje.
Is dat niet mooi?
Nog mooier is dat NASA daar een prachtige animatie van gemaakt heeft, zodat je zowel de grote dip links als zijn klein broertje rechts nog beter kan begrijpen.



Kepler is er dus klaar voor.
Het is nu nog wachten of uit de waargenomen transities ook een planeet zal te voorschijn komen die aardachtige karakteristieken heeft.
De satelliet krijgt daar nog minimum 3 jaar zoektijd voor.
En moest dat ooit een positief resultaat opleveren, dan zijn we vertrokken: “Beam us up Scotty!

maandag 27 april 2009

Big Brother is watching you: GSM + GPS

Tijdens onze bloesemwandeling vorige woensdag kwam het ter sprake: een GSM kan een erg nuttig instrument zijn, maar het nadeel is dat je een stuk van je privacy verliest.
Als je dat ding aan laat staan, ben je overal en op elk moment te bereiken en lastig te vallen.
Persoonlijk ben ik een erg beperkte GSM-er maar als er (vooral) jonge mensen thuis op bezoek komen ontkom je er niet aan: hun belletje rinkelt of hun tunetje galmt voortdurend.

En er is geen beterschap in zicht.
De nieuwe generatie Gsm's, de smartphones, hebben meestal al standaard een GPS ingebouwd.
Dan gaan de poppetjes pas echt aan het dansen: ze kunnen u dan niet alleen meer lastig vallen wanneer ze dat nodig vinden, ze weten ook nog op elke moment waar je precies bent.

smartphone

Binnen het global positioning system (gps) worden er 32 speciale satellieten gebruikt. Die draaien in zes verschillende banen om de aarde en zenden elk een eigen signaal uit.
Elke gps-ontvanger kan daardoor bijna overal ter wereld zijn positie tot op 10 meter nauwkeurig bepalen.

Omdat de gps-ontvangers in GSM's in een apparaat zitten dat ook een zender bevat, kunnen anderen ook zien WAAR je bent.
Dat biedt allerlei nieuwe "mogelijkheden" om in contact te blijven met vrienden en bekenden. Via Google Latitude bijvoorbeeld kan je eenvoudig op een kaart zien waar die vrienden uithangen.


Op de video hieronder zie hoe Google zijn Latitude-toepassing zelf presenteert:

Uiteraard kunnen dergelijke toepassingen ook nuttig zijn.
Oudere dementerende mensen kunnen opgespoord worden als ze hopeloos verdwaald geraken.
Ouders kunnen hun kinderen altijd lokaliseren.
Maat we zitten dan toch wel heel erg dicht bij Big Brother!
Is het wel nodig dat ouders op ieder moment weten waar hun kinderen uithangen? Hebben kinderen geen recht op een minimum aan privacy?
Moeten werkgevers altijd kunnen weten waar hun personeel zich bevindt?

Jerome Dobson, voorzitter van de American Geographical Society, maakt zich daar zorgen over.
Hij publiceerde op 23 april in Nature een artikel waarin hij zijn vrees uitdrukt over de effecten van het zich overal gevolgd te weten.
Tenzij je een (duur) abonnement hebt op dit toptijdschrift, kan je alleen maar een kort resumé lezen. Maar in de Kansascity Star vind je een uitgebreide samenvatting van een ouder artikel van dezelfde auteur over hetzelfde thema.

Dobson vreest dat die nieuw toepassingen de relaties tussen mensen enorm kan beïnvloeden.
Zijn we in staat om voldoende ethische verantwoordelijkheid op te brengen om die nieuwe technologieën op een correcte wijze te gebruiken?
Zoals steeds zit het probleem dus niet in de technologie zelf, want de positieve mogelijkheden zijn er. Het probleem zit bij de mensen die de technologie gebruiken.

Om toch met een lichte (maar illustratieve) noot over het "risico" van gps-toepassingen te eindigen: wie herinnert zich niet de lotgevallen van bospoeper André Vangenechten in de schitterende Eén-serie "Van Vlees en Bloed", toen hij met zijn schoonbroer Wilfried in het bos een reebok ging schieten. Zie je hem nog rondhuppelen met dat afgesneden "zender-oor" om de satelliet te misleiden?
Onvergetelijk!

vb

Foto: Eén - Van Vlees en Bloed

maandag 16 maart 2009

En er was nog een verjaardag!

We kunnen hier niet alles tegelijk vieren. Gisteren was het Mia’s verjaardag, zaterdag was het pi-dag.
Maar vrijdag 13 maart was het ook de 20ste verjaardag van het Wereld Wijde Web (WWW). En daar wil ik zeker ook aandacht aan besteden.
 
Ik mag zeggen dat ik die geboorte 20 jaar geleden van dichtbij meebeleefd heb.
Van 1989 af had ik thuis al een internettoegang via een telefoonmodem en abonnement bij Compuserve.
Compuserve was een Amerikaans bedrijf dat zijn computernetwerk tegen betaling beschikbaar stelde aan de hele wereld via het Internet.
Het Internet was een wereldwijd burgerlijk computernetwerk afgeleid van het Amerikaans militair netwerk Arpanet.
Toen ik bij Compuserve aansloot hadden ze ook in Brussel al een inbelpunt op hun netwerk, zodat je tegen een aanvaardbaar telefoontarief toegang kon krijgen.
Het-van-het waren in die tijd de zogenaamde forums, waarin mensen met gelijklopende interesses via het internet met elkaar konden corresponderen. Het was een boeiende internationale praatbarak.
Alles verliep nog via getypte tekst, maar er was wel al een mogelijkheid om kleine computerprogrammaatjes (shareware) uit te wisselen en te downloaden.
We voelden de wereld zienderogen kleiner worden.

Ter gelegenheid van het schoolfeest van 1990 gaf ik een demonstratie van wat internet was en van de potentiële mogelijkheden die het als enorme informatiebron zeker voor het onderwijs kon bieden. Ik had daarvoor 2 grote monitoren gehuurd en de bezoekers konden samen met mij, in een lokaaltje tegenover onze leraarskamer, kennismaken met het Net.
Het Heilig Graf had (weer eens) voor een primeur in het Bilzerse onderwijs gezorgd.

Toen kwam 1992 en het Wereld Wijde Web

Robert Cailliau, Jean-François Abramatic and T...
De Amerikaanse fysicus Tim Berners-Lee (rechts op de foto) en zijn Belgische collega, de in Tongeren geboren ingenieur Robert Cailliau (links op de foto), ontwikkelden een netwerk van knooppunten, een web met computers waarop, via een specifieke taal (HTML), hypertextdocumenten werden opgeslagen.
Hypertextdocumenten zijn documenten die elementen bevatten (hyperlinks genoemd), waardoor men via een eenvoudige muisklik naar een ander document wordt geleid. Om die hypertextdocumenten te kunnen zien en gebruiken is een zogenaamde browser nodig.
Ik herinner me dat Netscape de eerste browser was die toegang gaf tot dat wereldwijde web.
Het hek was de dam en het WWW kende op korte tijd een enorme explosie. Snel werden, naast tekst, ook beelden, klank en film op de hypertextpagina’s toegankelijk.
Een set van die pagina’s kreeg de naam website. En websites bezoeken via een browser werd surfen: het internettaaltje kreeg een snel groeiende woordenschat.
Er kwam programmatuur beschikbaar waarmee ook amateurs hun eigen websites konden in elkaar flansen. En al snel had ook het Heilig Graf zijn eigen website.

20 jaar na de geboorte van het Web is internet niet meer weg te denken uit ons leven. Surfen, e-mailen, chatten, skypen, twitteren, facebooken,… zijn voor velen een dagelijkse bezigheid.
Het Net en het Web zijn in die tijd ook enorm veranderd.
Van een passieve infomatiebron is het Web geëvolueerd naar een omgeving waar de gebruikers mee de informatiestroom bepalen via blogs en nu ook twittertweets.

Wat het Web in de toekomst wordt is koffiedik kijken.
Een verdere integratie in andere toestellen dan PC’s is voor de hand liggend. De koppeling van het Web met GSM en GPS is al een feit. Schoolborden worden digiborden waarop de kolossale informatie van het Web klassikaal voor het onderwijs in realtime bereikbaar is.
De klassieke informatiemedia zoals kranten, maar ook radio en TV zullen zich snel moeten aanpassen en zich meer op duiding moeten concentreren i.p.v. als eerste informatiebron te willen optreden. Ik heb over vrijwel elk nieuwsfeit al uren lang talloze twittertweets binnen vóór daar ‘s anderendaags iets van in de krant te lezen is.

Spijtig genoeg is er wellicht ook een grote kans op het ontstaan van een nieuwe soort armoede: de armoede van het gebrek aan geïnformeerd zijn omdat men de financiële draagkracht niet heeft om zich de nieuwe ICT-middelen aan te schaffen.

En het gaat toch allemaal zo geweldig snel. Of is dat soms ouder  worden?
Ik hoop dat ons oud koppeke dat allemaal kan blijven bijhouden. 
Ik sluit dit mijmeringske af met een YouTubeke (nog zo’n recent internetfenomeen) dat u een duidelijk overzicht geeft van de nog jonge ontstaansgeschiedenis van het Net. Het in nogal technisch, maar kijk maar eens rustig

zaterdag 7 maart 2009

Kepler versus Sofie Van Moll

Sofie Van Moll probeert al weken aan een stuk onze zaterdagavonden te vergallen met haar "Hartelijke groeten aan iedereen"-programma.
Voor mij een onnozel gedoe rond het opstellen van een boodschap die aan buitenaardse wezens zou moeten gezonden worden, door ik weet niet wie en ik weet niet wanneer.

Intussen lanceerde NASA gisterenavond zijn Kepler-missie.
NASA zet hiermee een specifiek project op om systematisch op zoek te gaan naar aarde-achtige-planeten rond andere sterren in ons melkwegstelsel.
Er wordt meerbepaald gezocht naar planeten met een grootte gaande van half tot tweemaal zo groot als onze aarde, in de zogenaamde leefbare zone van hun sterren.
De leefbare zone (habitable zone) van een ster is een gebied waar men vermoedt dat er leven mogelijk is en waar vloeibaar water aan het oppervlak van de planeten kan voorkomen. Water is immers onontbeerlijk voor op koolstof gebaseerd leven zoals het leven op aarde.

De leefbare zone rond onze zon situeert zich uiteraard in een strook rond 1 AE ( AE= astronomisch eenheid = afstand aarde-zon) want onze (nog?) leefbare aarde ligt precies op 1AE.
Hoe helderder sterren zijn, hoe meer energie ze uitstralen en dus hoe verder men van de ster af moet gaan om vloeibaar water te kunnen vinden. En dus hoe verder de leefbare zone van die ster afligt.

Merk op dat Mars juist aan de grens van de leefbare zone rond onze zon ligt. (Foto Wikipedia)

De Kepler-telescoop die gisterenavond in een baan rond de aarde gebracht is, zal gedurende 3,5 jaar waarnemingen verrichten in een beperkt gebied van onze melkweg, aangegeven door de gele kegel op onderstaande tekening:


De methode om de planeten rond de sterren te ontdekken zit erg spitsvondig in mekaar.
Kepler observeert een ster. De massa van de ster kan men bepalen uit herderheidsmetingen.
Als een planeet vóór die ster passeert, dimt hij bij die passage een klein beetje het licht van de ster.
Kepler heeft zeer gevoelige lichtmeters aan boord die deze kleine vermindering in lichtsterkte kunnen meten en die dus de planeet ontdekken.

Kepler kan ook meten om de hoeveel tijd die planeet vóór de ster passeert.
Uit die omlooptijd en kennis van de massa van de ster kan de afstand van de planeet tot de ster berekend worden. 
Tussen haakjes: voor die berekening steunt men op de derde wet van Kepler...
Met die afstand en kennis van de helderheid van de ster kan men berekenen of die planeet in een leefbare zone ligt zoals ik hierboven heb uitgelegd.

Om dergelijke gevoelige metingen te doen moet de meetapparatuur in de Kepler-telescoop uitermate verfijnd zijn.
James Fanson, Kepler project manager bij Nasa's Jet Propulsion Laboratory in Californië, beweert dat, als Kepler 's nachts naar een klein stadje op aarde zou kijken, hij zou kunnen detecteren als er iemand in dat stadje voorbij een aangestoken zaklamp passeert!

Met Rodenbach zeg ik daarom: Ei, Sofie Van Moll, ween van spijt, en werp uw kroon naar Kepler!

maandag 2 maart 2009

2019 volgens Microsoft

Toen ik gisteren mijn Twitter-avontuur voorstelde had ik het over de enorme invloed die de informatie- en communicatietechnologie heeft op ons dagelijks leven.
Microsoft heeft op 28 februari een filmpje op het net gelanceerd, waarin het bedrijf zijn toekomstvisie voor de komende 10 jaar voorstelt.
Als je dat ziet is de crisis ver weg. Alle problemen waarvoor de media de mensen de dag van vandaag angstig aan het maken zijn (financiële crisis, tewerkstellingscrisis, energiecrisis, klimaatcrisis, bestuurscrisis, veiligheidscrisis, vul maar aan) worden van tafel geveegd.
Dit zal natuurlijk zeker veel te simplistisch zijn, maar ik vind het toch de moeite waard om eens te bekijken. En je weet dat er in 10 jaar veel kan veranderen.

Opvallend is de alomtegenwoordigheid van aanraakschermen, videowanden en transparante displays, tot op betaalkaarten toe.
Merkwaardig zijn de realtime vertaalsystemen waardoor communiceren, zelfs met een Chinees, kinderspel wordt.
Even opvallend is hoe Microsoft, in het begin van het filmpje, accent legt op de onderwijstoepassingen van de komende ICT- technologie.
Ik hoop dat we binnen 10 jaar nog van iets van al dat moois mogen genieten.

dinsdag 17 februari 2009

Een leerzaam Aldiklokje

Ik heb zo de gewoonte om bij mijn Aldibezoekjes altijd spullen mee te brengen van het "wat-ik-ooit- nog-wel-eens-zou-kunnen-gebruiken-maar-ik-weet-nog-niet-wanneer"-type.
Mijn garage staat er vol van: slijpschijven, bovenfrezen, laserwaterpassen, dopsleutelssets,... Het kan niet op.
Vorige zaterdag was het weer prijs. Ik zag daar een lieftallig wekkertje van 6,99 €. Pardoes verdween het in mijn winkelkarretje, terwijl Mia nog naar een zak zoete Nicola-aardappelen aan het zoeken was. Dat is koopstrategie.


Geen nood nochtans aan wekkers of horloges bij ons thuis. Je kan overal en langs allen kanten zien hoe laat het is.
Maar een radiogestuurd klokje was er nog niet bij. En dát deed het nu juist bij de techneut die ik ben en die ik blijven zal.
Ik wou zo'n ding dat automatisch altijd de juiste tijd aanwijst, dag en nacht, zomer- en wintertijd, zonder dat je er een vinger moet naar uitsteken.
Een batterijtje moet er natuurlijk wel in.
En daar begon mijn geluk al: van zodra het "pilleke" er in zat klonk er een duidelijke biep en de wijzers begonnen vanzelf lichtjes zoemend rond te draaien tot ze 12 uur aanwezen. Een korte pauze en dan draaiden ze behoedzaam verder tot ze op 15.23u. bleven staan. Ik wist hoe laat het was. En het klopte, want mijn (+/-) 26 andere klokken gaven ongeveer hetzelfde aan. Ik was in de hoogste hemel, blij als een kind met mijn nieuw speeltje.
Maar hoe doet zo'n ding dat toch?
De hersenen van zo'n wonderbaarlijk klokje, bestaan uit een kleine radio-ontvanger die afgestemd is op een zender die een tijdsignaal uitstuurt.
Met dat tijdsignaal, wat spitsvondige electronica en wat mechanica, worden de wijzers op de juiste plaats gebracht.
Maar dat tijdsignaal komt niet uit Genk of Hasselt of Lummen. Zelfs niet uit Romershoven.
Het komt uit Duitsland. Uit Mainflingen, een stadje dichtbij Frankfurt am Main, op zo'n 350 km van Romershoven.
In Mainflingen staat één van de belangrijkst Europese DCF77-zenders.
DCF77 is een letterwoord. D = Duitsland,  C = het kenteken voor langegolfzenders, F = Frankfurt.
Het cijfer 77 staat voor de eerste twee cijfers van de frequentie van de radiostraling die de zender uitstuurt. Precies bedraagt die frequentie 77,5 kilohertz, wat overeenkomt met een golflengte van 3,87 kilometer.
Dit zijn inderdaad lange golven, als je bedenkt dat b.v. Radio 2 in Limburg uitzendt op een frequentie van 97,9 megahertz, wat overeenkomt met een gollengte van slechts een goede 3 meter.

De radiostraling heeft aan de zender in Mainlingen een vermogen van 30 kilowatt, wat een ontvangstbereik van ongeveer 2000 km toelaat! M.a.w. met dit Duitse tijdsignaal kunnen in bijna heel Europa radiografische klokken gestuurd worden.

Het DCF77-tijdsignaal wordt op zijn beurt gesynchroniseerd met een atoomklok die in Braunschweig staat.

Maar waarom kiest men nu precies voor een signaal met een grote golflengte?
Er zijn twee redenen:
  1. lange golven worden weinig gehinderd door gebouwen, bomen enz. Ze gaan er doorheen zonder sterk geabsorbeerd te worden.
    Door het hoge vermogen van de zender kunnen die golven ook op grote afstand nog met een eenvoudige ferrietantenne opgevangen worden.
    Eenvoudige DCF77-onvanger met links een ferrietantenne

  2. lange golven worden ook bijna niet teruggekaatst door de ionosfeer. De ionosfeer is één van de bovenste atmosfeerlagen waartegen korte golven weerkaatsten en lange bijna niet.
    Dat betekent dat de onvangst bijna steeds gebeurt via zogenaamde oppervlaktegolven.
    Het grotendeels ontbreken van golven die teruggekaatst worden via de ionosfeer, zorgt er voor dat er niet veel "fading" optreedt. Dat is het (nadelig) effect waarbij de oppervlaktegolven en de teruggekaatste golven elkaar uitdoven (signaal verdwijnt) en elkaar versterken (signaal zwelt aan).

    Oppervlaktegolven met grote golflengte gaan niet rechtlijnig. Ze volgen de kromming van de aarde tengevolge van brekingsverschijnselen in de aardse dampkring. Radiotechnici spreken van "ducting". Het zou te ver leiden om daar op in te gaan. Later misschien eens.

Je ziet wat er zo allemaal achter een klein wekkertje van den Aldi kan zitten.
Ik heb in elk geval voor mijn 6,99 € een fijn, precies klokje.
En ik heb met het uitpluizen van hoe het werkt, al zeker voor 20€ plezier gehad.
Geluk zit soms in een klein wekkertje, zelfs van den Aldi!

maandag 26 januari 2009

Mensen zoeken

Wil je ook soms vanalles te weten komen over mensen: familie, oude of nieuwe vrienden, toevallige kennissen, vroegere klasgenoten, oud-leerlingen, je eigenste zelf?
Dan kan het gigantische internetwerk je dikwijls een heel eind vooruit helpen.
Je zal verstomd staan wat "Big Brother" allemaal weet.

Natuurlijk kan je in eerste instantie de aloude Google proberen.
Die zal je al heel ver vooruit helpen.
En Google heeft het voordeel dat je aan je zoekopdracht bijkomende informatie kan toevoegen.
Je kan bijvoorbeeld zoeken naar "Hervé Tavernier" Pastorij en dan zoek je waarschijnlijk naar mij in verband met De Pastorij in Romershoven. Maar je zal zien dat...
In andere zoekmachines kan je die bijkomende zoekopdrachten niet geven, maar ze geven dan weer andere dingen méér.


Er zijn meer gespecialeerde mensenzoekers.
Eén van de strafste is Pipl.
Je zal ondervinden dat Pipl zeer diep boort en veel dingen bovenhaalt.
Je kan zoeken op naam, gebruikersnaam, telefoonnummer en e-mail.

Een andere klepper is 123people.
Een bijzonder kenmerk van deze machine is dat ze je via e-mail verwittigt als de resultaten van je zoekopdracht veranderen! Gelukkig moet je daar je toestemming voor geven...

En dan komen we natuurlijk ook bij het tegenwoordig onvermijdelijke Facebook terecht.
Dit is eigenlijk een sociaal netwerk, een vriendjesclub. Maar die is intussen zo uitgebreid, dat je daar nogal wat kan te weten komen. Je zou soms verschieten.

Probeer het allemaal maar zelf eens uit.
Klik op de afbeeldingen hierboven om de zoektocht te beginnen.
Ik wens jullie een goede en verrassende jacht.
Maar schiet niet op deze pianist als je bij "ik weet niet wie" terecht komt.
Want mijn moederke zei altijd in haar Merelbeeks dialect:
"Der es mier dan ien koe die Bloare hiet"
Je zal dat wel verstaan zeker?

maandag 29 december 2008

Eindejaarslijstjes 2 bis

Nog een kort staartje aan mijn vorig bericht
In 2009 zal ook de nieuwe software voor serieel datatransport,
de USB 3.0, toegepast worden in allerlei toestellen waar gegevensuitwisseling van pas komt.
Met die nieuwe software zal het transport van gegevens met een factor 10 versnellen.
Het gegevenstransport zal een snelheid kunnen halen van maximaal 4,8 Gb/s oftewel 600 MB/s.
Let eens op kinderen: Gb staat voor 1 miljard bit en MB staat voor 1miljoen byte. En 1 byte = 8 bit. Dus 4,8 Gb gedeeld door 8 = 0,6 GB = 600 MB. Zie je wel dat het klopt!
Of die snelheid ook gehaald zal worden, zal afhangen van de gebruikte verbindingskabels: alhoewel de koperen exemplaren nog bruikbaar zullen zijn, zal de maximale snelheid slechts bereikbaar zijn met optische verbindingen (glasvezel).
Het stroomverbruik zal ook beduidend lager liggen
waardoor b.v. de USB-poorten op PC's zelf voor voldoende vermogen kunnen zorgen.
Als je nu op een USB 2.0-poort van een PC een USB-hubje aansluit moet je dit hubje meestal via een externe spanning voeden omdat de PC onmogelijk meerdere USB-aansluitingen op één poort van voldoende stroom kan voorzien.

Allez vooruit: weeral sneller en zuiniger. We moeten niet altijd klagen...