Posts tonen met het label hersenen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hersenen. Alle posts tonen

zaterdag 10 september 2011

We leven altijd in het verleden.

Doe op zaterdag eens het volgende experiment op de badkamer of in je bed.
Raak op precies hetzelfde moment met je ene hand je neus aan en met je andere hand één van je voeten.


Je zal die twee aanrakingen als gelijktijdig ervaren.
Maar dat kan eigenlijk niet.
Want de zenuwimpuls van je neus naar je hersenen moet toch een kortere weg afleggen dan die welke van je voet naar je hersenen gaat.
Hoe komt het dan dat we toch gelijktijdigheid ervaren?
Volgens David Eagleman van het Salkinstituut heeft dit te maken met het gegeven dat onze hersenen tijd nodig hebben om iets bewust te ervaren. En ze wachten tot alle relevante analoge signalen binnen zijn voor ze die interpreteren. Wat binnen die “wachttijd” binnenkomt wordt als gelijktijdig ervaren.
Uit de experimenten van Eagleman blijkt dat de tijd tussen het moment waarop iets gebeurt en het moment waarop wij ons daar bewust van zijn, ongeveer 80 milliseconden bedraagt.
We leven dus altijd in het verleden. Slechts 80 milliseconden, dat valt nog mee.
Ik denk er te kennen die veel meer achter lopen… 

zaterdag 13 november 2010

Kunnen lezen heeft ook zijn (klein) nadeel

Ik ben een grote lezer. Ik heb voortdurend een aantal boeken op stapel staan.
Op alle mogelijke plaatsen kan je bij ons leesvoer vinden: op mijn bureau, op de salontafel, op de keukentafel, op het nachttafeltje naast bed, zelf op het toilet.
Daarenboven sleur ik overal mijn Kindle DX mee.
Ik ben dus enorm blij dat ik kan lezen. Ik ben dankbaar dat mijn onderwijzers van de gemeenteschool in Merelbeke mij jaren geleden die vaardigheid hebben aangeleerd.
Ik kan me geen leven zonder lezen voorstellen.
Analfabeet zijn moet een enorme handicap zijn.

image

Nochtans is het niet al goud wat blinkt.
Neurologen denken dat er voor lezen (nog?) geen apart hersengebied bestaat. Dus geen leescentrum, zoals er in onze hersenen wel een spraakcentrum of een gevoelscentrum bestaat.
De reden daarvoor zou zijn dat leesvaardigheid een te recent verworven vaardigheid is, zodat de evolutie van de menselijke hersenen nog onvoldoende tijd heeft gehad om daar een apart gebied voor “te produceren”.
Dit zou betekenen dat we voor het verwerken van leesinformatie gebruik maken van hersengebieden die nog andere taken te vervullen hebben.
Lezen zou dus de beschikbaarheid van hersengebieden voor andere taken kunnen verminderen!

Zeer recent heeft de Franse neurowetenschapper Stanilas Dehaene daar nog over gepubliceerd in Science.
Daaruit blijkt dat het hele hersengebied dat actief is als je hoort praten, ook actief wordt bij het lezen. En dat mensen die kunnen lezen beter gesproken informatie kunnen verwerken. Lezers hebben hier dus voordeel.
Maar lezers hebben minder hersencapaciteit beschikbaar dan analfabeten bij het verwerken van visuele informatie, vooral bij het gezichten herkennen.
Of ze daarom ook slechter gezichten herkennen moet Dehaene nog verder onderzoeken, want minder hersencapaciteit beschikbaar hebben, sluit daarom niet uit dat met minder capaciteit toch een even sterke herkenning wordt bereikt!
Wie interesse heeft in de werking van de groep rond Dehaene, moet maar eens een kijkje nemen op Edge, een boeiende site waar wetenschappen in de ruimste zin bediscussieerd worden.

Wat er ook van zij, heel veel hinder zal een lezer van zijn kunde niet ondervinden.
Ik moet zelfs zeggen dat ik beter gezichten van mensen herken, dan dat ik mij hun naam kan herinneren!
En trouwens: lezen kan je niet afleren. Gelukkig maar…

zondag 31 oktober 2010

Je vingers weten het beter

image

Het typen van mijn dagelijks blogberichtje zorgt ervoor dat ik nog behoorlijk vlot mijn toetsenbord kan bedienen.
Maar ik typ bijlange niet perfect. Ik gebruik maar een paar vingers: de middenvingers en de wijsvingers van beide handen en mijn linker duim voor spaties.
En helemaal blind gaat het ook niet.
Ik kijk wel naar het computerscherm als ik aan het tikken ben, maar zo nu en dan moet ik mij, meestal na een fout, eens heroriënteren door naar de toetsen te kijken.
Nochtans heb ik 52 jaar geleden leren typen zoals het moet: met alle vingers van beide handen én blind.
Maar ik heb die perfecte dactylotechniek onvoldoende onderhouden.
Ik ben die vaardigheid kwijt.
Psychologen van de Vanderbilt University hebben recent in Science een studie gepubliceerd waarin ze nagaan hoe het lichaam van een typist omgaat met het maken van typfouten.
Ze lieten ervaren typisten die perfect blind konden typen een tekst intikken met een een ingenieus aangepaste tekstverwerker.
Die tekstverwerker deed rare dingen.
45% van de fout getypte woorden gaf hij correct weer op het scherm.
En 6% van de goed getypte woorden gaf hij fout weer op het scherm.

Na de proef werden de typisten ondervraagd.
Toen bleek dat ze ervan overtuigd waren dat wat ze de valse fouten echt zelf gemaakt hadden.
En dat ze alles wat goed op het scherm kwam ook door hen goed getypt was.
Wat ze op het scherm zagen was dus volgens de proefpersonen ook dat wat ze gedaan hadden.

Maar de onderzoekers hadden ook de reactiesnelheid van de vingers van de typisten gemeten.
En daar zagen ze iets anders: telkens als er iets fout getypt werd zagen ze dat de vingers iets trager reageerden voor een volgende aanslag, zelfs als de fout op het scherm door de tekstverwerker werd rechtgezet!
Alhoewel de typisten zich zelf van geen fout bewust waren, zorgden hun hersenen voor een vertraagde motoriek.
Voor de onderzoekers is dit een illustratie van het verschijnsel dat het lichaam en de geest los van elkaar controlefuncties kunnen uitoefenen.
Dit doet zich ook voor als we zingen, musiceren, wandelen, autorijden,...
Onze geest controleert door de omgeving te interpreteren. Onze spieren en zintuigen controleren de motoriek.
Volgens dit onderzoek gebeuren beide controles los van elkaar.

Als ik het goede begrijp zullen blinde mensen supersnel voelen als ze typfouten maken.
En zelfs voor zienden geldt: uw vingers weten het beter!

donderdag 7 januari 2010

Mathemagic

Al zeg ik het zelf: in mijn goede jaren kon ik behoorlijk goed hoofdrekenen.
Ik heb nog de tijd meegemaakt dat de rekenmachientjes niet ingeburgerd waren in het middelbaar onderwijs en zelfs niet mochten gebruikt worden.
In de beginperiode van die zakjanpannertjes maakte ik er in mijn fysicalessen een spelletje van om sneller te rekenen dan de jongens en meisjes met hun nieuwe speeltjes.
Intussen is heel veel van die vaardigheid bij mij verloren gegaan.
Het is met die mentale fitheid precies zoals met fysieke fitheid: rust roest!

Wie daar helemaal geen last van heeft is Arthur Benjamin, een imageAmerikaans wiskundige, die overal rondtrekt met een “mathemagics-show”. 
Goochelen met wiskunde dus.
Alhoewel: veel wiskunde komt daar niet bij te pas.
Het gaat om een opeenstapeling van (soms indrukwekkende) rekentrucs.
Ik heb me vorige week via Kindle for PC voor €9 een digitaal boekje (304 blz.) van de man gekocht.
(Tussen haakjes: binnenkort stel ik Kindle for PC hier wat meer in detail voor).

In “Secrets of Mental Math” doet Benjamin een aantal image snelrekentrucs uit de doeken.
Alle basisbewerkingen passeren de revue.
Een aantal van die rekenhulpjes zijn algemeen bekend.
Zoals een getal vermenigvuldigen met 11.
16 x 11?
Som van de cijfers tussen beide cijfers in schrijven: 16 x 11 = 176.
Dat kennen we nog van de lagere school denk ik.
Maar weet je nog hoe je dat snel kan doen als de som van de cijfers van het getal dat je met 11 moet vermenigvuldigen groter is dan 10?
Dus b.v. 57 x 11?
- tel de cijfers op: 5 + 7 = 12
- plaats de eenheden van die som vóór het laatste cijfer: 27
- tel het tiental van de som bij het eerste cijfer op: 6
- resultaat: 57 x 11 = 627.
En 314 x 11 dan?
Op een analoge wijze, maar dubbel uitvoeren.
- tel 1+4 = 5 en schrijf dat vóór de 4: 54
- tel 3+1 = 4 en schrijf dat na de 3: 34
- plak beide stukken aan elkaar: 3454
- resultaat: 314 x 11 = 3454
Je voelt het al: wat als die “tussensommetjes” groter zijn dan 10?
Ik laat het even aan de liefhebbers over om uit te vinden hoe dat moet. Laat me maar iets weten.

Indrukwekkend vind ik ook de tips voor het kwadrateren van getallen.
Ik beperk het hier tot eenvoudige gevallen. Maar in het boek worden hoofdrekenmethodes uitgelegd voor kwadrateren van getallen met 4 cijfers!
Eerst iets over kwadrateren van getallen met twee cijfers die eindigen op 5.
352?
- het resultaat eindigt altijd op 25
- vermenigvuldig het eerste cijfer met één hoger: 3 x 4 = 12
- plak beide stukken aan elkaar: 1225
- resultaat: 352 = 1125
Oefen maar even met 952 = 9025. Klopt het?

Nog even iets over kwadraten van getallen met twee cijfers die niet op 5 eindigen.
412 bijvoorbeeld.
Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de merkwaardige producten die we in de eerste jaren van ons middelbaar leren kennen hebben:
(z + d)2 = z2 + 2zd + d2 = z(z + 2d) + d2
en
(z - d)2 = z2 - 2zd + d2 = z(z - 2d) + d2
Beide formules kunnen gebruikt worden. Je kiest zelf wat je best uitkomt. En je kiest voor z best een veelvoud van 10 dichtst bij het getal dat je moet kwadrateren. En voor d het kleinste verschil tussen het getal en z.
Dus voor 412 kies je z = 40 en d=1
412 =  z(z + 2d) + d2 = 40 x (40 + 2) + 12 = 40x42+1= 1681
Voor 772 kies je z = 80 en d=3
772 =  z(z - 2d) + d2 = 80 x (80 - 6) + 32 = 80x74+9= 5929

In het (nogal lange) filmpje hieronder kan je de rekentrucjesbaas zelf aan het werk zien



Rust roest.
Dus oefen maar een beetje en bereken uit het hoofd (niet foetelen!):
83 x 11
234 x 11
45 x 45
67 x 67
Maar vergeet ook niet je 10.000 stappen te zetten vandaag: een gezonde geest in een gezond lichaam.
We gaan er werk van maken in 2010!

dinsdag 20 oktober 2009

Broca’s brain

image32 jaar geleden was ik op reis in Amerika.
Wie mij kent weet dat dit voor mij een zeer gedenkwaardige reis was.
In New York kocht ik op Fifth Avenue Broca’s Brain, het schitterende boek van Carl Sagan.

Alhoewel het boek grotendeels  over wetenschapsfilosofie gaat, komt ook het werk van de Franse anatomist Paul Broca ter sprake.

Broca is het best bekend voor zijn onderzoek naar het lokaliseren van gebieden in de hersenen die samenhangen met bepaalde hersenfuncties.image
Zo kon Broca in 1865 het motorisch spraakcentrum lokaliseren.
Dit is het hersengedeelte dat er voor zorgt dat we fysiek kunnen spreken. D.w.z. dat we de juiste keel-en mondbewegingen kunnen maken bij het uitspreken van woorden.
Het spraakcentrum dat verantwoordelijk is voor het begrijpen van taal werd een tiental jaar later door Wernicke ontdekt.
Broca kwam tot zijn ontdekking door onderzoek van hersenen van overleden mensen met een spraakstoornis. De fysiologische afwijkingen die hij in die hersenen vond, lieten hem toe het spraakcentrum vast te leggen.
Maar daarmee was nog niet bekend, hoe dat spraakcentrum precies werkt.
Hersenonderzoek op levende mensen is immers een moeilijke zaak omdat hersenscans te weinig details opleveren om de neuronenactiviteit te kunnen koppelen aan het uitspreken van woorden bijvoorbeeld.

In het oktobernummer van Science laten Amerikaanse wetenschappers weten dat ze een belangrijke stap gezet hebben in de opheldering van die werking.
Ze pasten daarvoor een bijzondere techniek toe: intercraniale electrofysiologie.
Bij die techniek worden flinterdunne elektroden zeer precies in de hersenen ingeplant en de hersenactiviteit wordt geregistreerd door het meten van spanningsvariaties.
Op die wijze ze erin geslaagd de opeenvolgende fasen van woordherkenning, grammaticale interpretatie en uitspreken, vast te leggen in specifieke delen van Broca’s gebied.
Ze deden hun onderzoek via leestesten bij mensen die geen enkel spraakgebrek vertoonden.
Voor de woordherkenning waren 200 milliseconden nodig, voor de grammaticale interpretatie 320 milliseconden en voor de spraakverwerking 450 milliseconden. Ze konden ook de precieze gebieden voor elk van die activiteiten lokaliseren. Ze lagen op een paar millimeter van elkaar!

imageHet bijzondere van dit verhaal ligt hem in het feit dat de drie mensen die de lees- en spraaktesten deden, epilepsiepatiënten waren die, op het moment van het onderzoek, werden klaargemaakt werden voor een hersenoperatie die hen moest afhelpen van hun kwaal.
Er werd dus gebruik gemaakt van de situatie waarbij al elektroden in de hersenen waren ingeplant ter voorbereiding van een chirurgische ingreep.
Zelfs in die precaire situatie waren die patiënten bereid om lees- en spraaktesten te doen.
Over zich opofferen voor de wetenschap gesproken…

zaterdag 17 oktober 2009

Zie je het ook (niet)?

Bekijk de volgende foto eens en klik dan door op "LEES MEER": 

potloden2

woensdag 9 september 2009

Internet, schermlezen en… dommer of slimmer worden

Ik breng per dag meerdere uren vóór mijn PC door.
Tektsten schrijven voor mijn blogje, e-mails lezen, e-mails schrijven. Dat hoort er dagelijks bij.
Maar het overgrote deel van de tijd ben ik teksten aan het lezen op het scherm. Na zoekwerk op Google of na doorklikken op de massa “feeds” die ik dagelijks via Google Reader voorgeschoteld krijg.
Dat lezen op een computerscherm is en blijft voor mij een moeilijk geval. Ik blijf het er lastig mee hebben om zo’n schermtekst rustig en geconcentreerd door te nemen.
Ik betrap er mijzelf op dat ik neiging heb om oppervlakkig over de tekst heen te dwarrelen.

schermlezen

Maar het ergste van dit alles zit hem in het feit dat die neiging om oppervlakkiger lezen zich ook begint te manifesteren bij het lezen van een gedrukte tekst.
Ook daar moet ik mij meer en meer inspannen om de aandacht er bij te houden.

En blijkbaar ben ik niet alleen met dat “probleem”.
De Amerikaanse technologie-goeroe Nicholas Carr beschreef in een artikel in The Atlantic, hoe vele internetlezers met hetzelfde effect geconfronteerd worden.
Als ze in een boek lezen, geraken ze al na een paar alinea’s afgeleid en ze krijgen als het ware behoefte om naar iets anders door te klikken. Ze lezen ongeduldig en door gebrek aan concentratie onthouden ze ook minder van wat ze lezen. Hun kennis wordt oppervlakkiger.
Carr stelt het simpelweg zó: we Googelen ons dommer!!!

image
Carr veroorzaakte door dit standpunt nogal wat beroering en er ontstond een hele discussie tussen vóór- en tegenstanders van zijn visie op het gevolg van internetgebruik.

Maar uit nieuw onderzoek dat recent door Allen Renear in het wetenschappelijk tijdschrift Science werd gepubliceerd, blijkt dat niet alleen de gewone internetter oppervlakkiger leest. Ook wetenschappers, die omwille van hun job, massa’s wetenschappelijke literatuur moeten doornemen, gaan steeds meer anders lezen.
Renear noemt deze nieuwe manier van lezen: strategisch lezen.
Het leesproces is daarbij in de eerste fase een scanproces geworden.
Daarbij gaat de lezer die over een bepaald onderwerp informatie wil verkrijgen, eerst veel artikelen over het onderwerp te gelijkertijd vergelijken, analyseren en doorzoeken, via hyperlinks en digitale indexen. Uiteindelijk resulteert dit scanwerk toch in een volgende fase in het volledig doornemen van slechts een paar artikels. Er wordt dus volgens Renear meer gescand en minder gelezen.

Maar maakt strategisch lezen dommer? Heeft Carr gelijk?
Absoluut niet volgens Kevin Kelly.
Kelly stelt in een artikel in The Technium, dat wie internet gebruikt om strategisch te lezen zijn IQ zelfs met 40% kan zien omhoog gaan.
Maar afgesloten van internet geraken strategische lezers de pedalen kwijt en gaan ze minder lezen. Hun IQ daalt dan soms met 20%.

Wat in elk geval duidelijk is: de ontwikkelingen van internet hebben een ingrijpende invloed op de leesgewoonten van mensen.
Dat heeft ontegensprekelijk zijn effect op de wijze waarop we informatie vergaren, ons werk doen en ideeën ontwikkelen.
En dat ervaar ik persoonlijk als een zeer positieve evolutie.
Zelfs als mijn IQ geen 40% stijgt…

maandag 7 september 2009

Eeeeek, een spin!

image
Bij het zien van zo’n beestje in de badkuip bijvoorbeeld, zal menig vrouwspersoon de geluidsnorm wel eventjes overschrijden.
Sommige mannen misschien ook.
Ik niet. Ik vang ze met de blote hand.
Mia schreeuwt daar ook niet voor.
Ze is niet zo’n giller.
En van spinnen heeft ze maar een klein beetje bang.
Zelfs meer van kleine spinnetjes dan van die grote exemplaren. Kleintjes zijn meer venijnige bijtertjes zegt ze.

Dat paniekgedrag voor spinnen lijkt anders wel een typisch vrouwelijk gedragspatroon te zijn.
Een studie van David Rakison, een ontwikkelingspsycholoog van de Carnegie Mellon University in Pittsburgh, Pennsylvania, stelt dat vrouwen genetisch voorbestemd zijn om schrikreacties te vertonen bij het zien van “gevaarlijke dieren”.
Hij stelde vast dat meisjes-baby’s al van 11 maanden oud, beelden van spinnen associëren met angstreacties.
Jongetjes van die leeftijd blijven onbewogen bij de spinnenbeeldjes.
Rakinson verklaart het verschil in gedrag als een overblijfsel van het oerpatroon van jager (man) – verzamelaar (vrouw).
Aangeboren schrik voor spinnen kan vrouwen geholpen helpen bij het vermijden van gevaarlijke dieren. Bij mannen kan het risico durven nemen evolutionair juist een voordeel geweest zijn om succes te hebben bij het jagen.

image
Als ik het goed begrijp zit ik dan eigenlijk met een aangeboren jagerke in huis. Een beetje afwijkend van het normale oer-vrouwspatroon.
Maar zo erg vind ik dat nu ook weer niet.
Een lief jagerke is beter dan een triestig verzamelaarke.

zondag 23 augustus 2009

Ongewild rondjes draaien

Gisteren had ik het over de rivaliteit tussen de partners in onze dubbel uitgevoerde zintuigen.
En eigenlijk ging het om de hulpeloosheid van onze hersenen bij het verwerken van twee totaal verschillende signalen, elk apart afkomstig van een zintuigpartner van eenzelfde soort (ogen, oren, neusgaten).

Vandaag serveer ik jullie nog een staaltje van de beperktheid van onze grijze materie.
Dit keer gaat het over ons onvermogen om een vaste richting aan te houden als er geen oriëntatiemiddelen voorhanden zijn.
Als de zon of de maan niet van de partij is en je bevindt je in een desolate omgeving zonder herkenningspunten, dan kan je bij het stappen geen vaste richting aanhouden.
Dan begin je onwillekeurig in rondjes te lopen.

rondjes draaien
Mijn bron is weer Current Biology.
In het laatste online-nummer is een studie verschenen van een groep onder leiding van Jan Souman, een onderzoeker van het Max Planck Instituut voor Biologische Cybernetica in Tübingen.
Die groep heeft proefpersonen laten rondlopen in een uitgestrekt bosgebied in Duitsland en in de Sahara.
De proefpersonen konden in hun beweging gevolgd worden via GPS.
Zo’n beetje zoals de ree van de bospoeper in “Van vlees en bloed”...
Of ben je dat al vergeten?

De gevolgen waren duidelijk.
Als de zon weg was (‘s nachts of bij sterke bewolking) konden de proefpersonen geen rechte weg blijven volgen. Ze maakten steeds cirkels, terwijl ze er zelf van overtuigd waren dat ze rechtdoor liepen.
Als de zon van de partij was, was rechtdoor lopen een fluitje van een cent.
Een echte verklaring waarom het in de zon zo goed lukt heeft men niet. Bij urenlange wandelingen kan de zon immers over meerdere tientallen graden verschuiven. Souman denkt dat mensen dan o.a. hun schaduw als oriëntatiemiddel gebruiken.

Wanneer men de proefpersonen blinddoekte en ze over een uitgestrekte vlakte liet lopen, draaiden ze ook rondjes.
Soms zelfs rondjes van minder dan 20 meter diameter. En de afbuiging van de rechte lijn was volkomen willekeuring: soms naar rechts, soms naar links.
Dit laatste ontkracht de stelling dat mensen bij het wandelen de neiging de hebben een favoriete “beenkant” te kiezen, waardoor ze eerder naar die kant afdraaien dan naar de andere.
Souman denkt dat het geheel van indrukken (hij noemt het “sensory noise”) die op een bepaald moment bij de wandelaar binnenkomen (geluiden in de verte b.v., wind, hobbelige of minder hobbelige ondergrond,…) de beslissing om naar links of naar rechts af te wijken bepaalt.

Souman wil dit nu verder onderzoeken met een zogenaamde “omnidirectional treadmill”.
Dit is een soort loopband zoals je die wel kent van de fitnesscentra (of misschien zelfs van thuis!).
Maar dan wel eentje dat bewegingen in alle richtingen toelaat.
Als je daarbij de proefpersoon via een speciale bril naar virtuele omgevingsbeelden laat kijken, kan je hun wandelgedrag in een labo-omgeving direct en grondig bestuderen en ook de sensory noise variëren.
Het filmpje hieronder maakt dit duidelijk hoe zo'n treadmill werkt en hoe de speciale projectiebril eruit ziet.



Wat er ook van zij, wie zegt dat hij over een onfeilbaar richtingsgevoel beschikt, zou toch misschien best een toontje lager zingen.

zaterdag 22 augustus 2009

Over ogen-, oren- en… neusgatenrivaliteit

Onze zintuigen zijn de receptoren waarmee we onze omgeving ervaren.
Het is te zeggen: het zijn de detectoren die signalen uit onze omgeving opvangen en ze voor verwerking naar onze hersenen sturen.
Wat onze hersenen er van maken is dat wat we via ons bewustzijn ervaren.
Ik heb het hier al meer dan eens gehad over illusies. Over foutieve ervaringen. Omdat onze hersenen de binnenkomende signalen niet helemaal (of helemaal niet) correct verwerken.
Wat we ervaren is dus niet altijd de werkelijkheid.

Vandaag wil ik het niet over illusies hebben.
Maar over de soms bijzondere wijze waarop onze hersenen met binnenkomende zintuigsignalen omspringen.

Sommige van onze zintuigen beschikken over een dubbele uitvoering.
Voor het zien hebben we twee ogen, voor het oren hebben we twee oren.
En voor het ruiken hebben we twee neusgaten.
En nu blijkt er bij elk van die tweeledige waarnemers rivaliteit te bestaan dus beide partners van het koppel.

Eerst iets over de rivaliteit tussen onze twee ogen.
Je weet dat we dieptezicht hebben doordat onze twee ogen, van dezelfde omgeving, eenzelfde, maar lichtjes verschoven beeld naar onze hersenen sturen. Die verwerken het daar tot één ruimtebeeld.
Maar als we er via een truc kunnen voor zorgen dat elk oog een totaal ander beeld waarneemt, dan doen onze hersenen iets bijzonder.
Ze maken geen mix van die twee beelden, maar ze wisselen voortdurend tussen de twee binnenkomende beelden!
Dus als je b.v. in het ene oog een raster van horizontale lijnen stuurt en in het andere een raster van verticale lijnen, dan zie je geen ruitjespatroon zoals je misschien zou denken. Neen, want dat is een mix. Wat we zien zijn afwisselend horizontale en verticale lijnen.
Men spreekt dan van binoculaire rivaliteit

image

Wie ergens zo’n groen-rood brilletje liggen heeft, heeft de truc in huis om elk van zijn ogen een ander beeld te doen waarnemen.
Dan kan de ogenrivaliteit met het beeld hierboven even uitgetest worden.
Eén periode zal je de rode strepen zien, de andere periode de groene bogen. De duur van een periode verschilt van mens tot mens. Er treedt dus soms dominantie op. Bij mij is groen duidelijk dominant.

Ook bij onze twee oren treedt er rivaliteit op: bi-auditieve rivaliteit.
Dit is natuurlijk veel moeilijker te demonstreren omdat je zomaar geen apparaatje in huis hebt om het ene oor af te sluiten voor een klank en die bij het andere oor binnen te laten.
Maar je kan het effect benaderen.
Hieronder kan je twee tonen horen die zeer weinig in hoogte verschillen. We horen dit als één geheel, als een soort gallopritme. De tonen worden gemixt tot één geheel, zoals onze ogen hun twee lichtjes verschoven beelden tot één dieptebeeld mixen.

image Klik hier voor dat effect.

Maar als de twee tonen meer in hoogte verschillen horen we ze niet meer als één geheel, maar beurtelings als afzonderlijke tonen, omdat onze hersenen maar aan één toon tegelijk aandacht geven. Ze mixen de tonen niet meer.

image Klik hier voor dat effect

Blijft de vraag er ook een rivaliteit tussen onze twee neusgaten bestaat.
En jawel dat bestaat: binarale rivaliteit.
Onderzoekers onder leiding van Denise Chen van de Rice University in Houston hebben in het online-nummer van Current Biology op 20 augustus het resultaat van hun studie daarover gepubliceerd.
In Science News is wat meer uitleg over hun werk te vinden.
Ze boden aan proefpersonen gelijktijdig twee verschillende geuren aan: aan het ene neusgat was dat rozengeur en aan het andere de geur van een viltstift.
En volkomen in de lijn van de andere rivaliteiten, namen de proefpersonen de beide geuren afwisselend waar.
Blijkbaar zijn onze hersenen maar in staat om ook maar aan één geur tegelijk aandacht te schenken. Na een tijdje treedt er gewenning op en dan komt de andere geur sterker op de voorgrond.
Dit demonstreren kan ik niet.
Geurcomputers zijn nog niet uitgevonden (denk ik).

Veel praktisch nut heeft dit onderzoek op het eerste zicht niet.
Maar het zal aan de wetenschappers wellicht mogelijkheden bieden om te bestuderen hoe onze hersenen onze bewustwording en ons bewustzijn gestalte geven.

Het verloopt toch allemaal nogal ingewikkeld in ons koppeke nietwaar.
Gelukkig dat we ons daar niet op elk moment van bewust (moeten) zijn.

donderdag 30 juli 2009

Kwestie van het hoofd koel te houden

Al zou je er soms aan twijfelen: mensen hebben de best ontwikkelde hersenen van alle levende wezens op aarde.
Mensen hebben in elk geval het grootste hersenvolume. Ze hebben dus principieel de meeste kans om hersenen te gebruiken.

Zo’n 2,5 miljoen jaar geleden is onze herseninhoud toegenomen van 600 ml tot ongeveer één liter.
In die periode waren de Homo Habilis en de Homo Erectus de mensensoorten die de aarde bevolkten.

herseninhoud

Voor evolutionisten is het altijd een probleem geweest om te achterhalen hoe ons brein zo is kunnen groeien.
Het is immers zó dat onze hersenen, zelfs in rusttoestand, gonzen van de activiteit. Ze produceren daarbij heel wat warmte.
Om goed te kunnen werken, moet er dus ook een behoorlijke koeling kunnen gebeuren.
Axel Kleidon van het Max Planck Instituut voor Biogeochemie in Jena, Duitsland, heeft in het tijdschrift Climatic Change een studie gepubliceerd waarin hij aantoont, dat zelfs in onze tijd, bewoners in tropische streken het moeilijk hebben om de warmte geproduceerd door de hersenactiviteit, weg te werken.
Laat staan dat de primitieve aardbewoners van 2,5 miljoen jaar geleden, zonder airco, zonneschermen, koele huizen,… daar wel zouden in geslaagd zijn. Zeker als je weet dat de aardtemperatuur toen hoger was dan nu!

Hoe konden onze hersenen dan 2,5 miljoen jaar geleden toch bijna verdubbelen? Meer hersenen betekent immers meer warmte produceren en dus meer koeling nodig.
Biologen David Schwartzman en George Middendorf van de Howard University in Washington DC menen het antwoord gevonden te hebben.
Ze publiceerden in hetzelfde nummer van Climatic Change een artikel waarin ze berekenen dat de Homo Habilis met zijn kleinere herseninhoud, zijn grijze materie nog soepel aan het werk kon houden bij de toen heersende temperaturen. Maar de Homo Erectus, met zijn grotere hersenmassa, had een daling van de luchttemperatuur van 1,5°C nodig om oververhitting van zijn "bovenkamer" te voorkomen.
En wat blijkt nu volgens Schwartzman en Middendorf? Voor die noodzakelijke daling heeft de Pleistocene of Kwartaire IJstijd gezorgd! Die begon inderdaad zo’n 2,5 miljoen jaar geleden en hij duurt nog altijd voort.

Zonder die temperatuurdaling liepen we hier niet. Of tenminste niet met een even gevulde hersenpan. Daar zou de “survival of the fittest” wel voor gezorgd hebben.

Zie jij ook het probleem, nu de opwarming van de aarde blijkbaar onontkoombaar is? En volgens alle tekenen de Kwartaire IJstijd stilaan op zijn laatste benen loopt ?
Het zal niet simpel zijn om ons grote hoofd koel te houden.
Zelfs niet als we weinig mijmeren.

dinsdag 28 juli 2009

Kopje kleiner zonder bloedvergieten

Ik heb het hier al meerdere keren gehad over waarnemings-illusies.
En dat blijft mij al jarenlang bezighouden.
De zintuigen waarmee we onze omgeving waarnemen, zijn inderdaad niet 100% betrouwbaar. Wat we menen te zien, horen, voelen is niet altijd wat er in werkelijkheid ook is.

Het filmpje dat ik vandaag laat zien, zit wat in dezelfde sfeer.
Maar hier gaat het niet om een illusie. Hier gaat het eigenlijk om een regelrechte constructiefout van onze ogen.

Je hebt zonder twijfel al van de “blinde vlek” gehoord.

Blinde vlek
De blinde vlek is, zoals je kan zien, de plaats op het netvlies waar de oogzenuw binnenkomt (of buitengaat).
Op die plaats zijn er geen lichtgevoelige zenuwcellen (staafjes en kegeltjes) aanwezig. Dat is het mankement dat in ons oog is ingebouwd. Daar is niets aan te verhelpen.
Een beeld van onze omgeving dat via de ooglens op de blinde vlek terecht komt, zien we niet.

In het filmpje dat verderop volgt, haalt men daar een mooi truckje mee uit.
Maar lees eerst nog even door, zodat je weet wat je moet doen bij het bekijken van het filmpje.

  1. ga op ongeveer 50 à 60 cm vóór het scherm zitten
  2. bedek uw rechteroog
  3. kijk met uw linkeroog naar het witte kruisje rechts op het scherm.

Als het goed is zie je nu de man die praat zonder hoofd!
Als dit niet helemaal klopt, moet je de afstand tot het scherm wat veranderen tot zijn hoofd “wegvalt”.

Wat is er gebeurd?
Je ziet dat het hoofd van de man en het kruisje op dezelfde hoogte staan.
Je kijkt nu met je linkeroog naar het kruisje én je oog staat op de goede afstand tot het scherm. Bingo: het beeld van het hoofd van de man is op de blinde vlek van je linkeroog terechtgekomen! Je zien dat hoofd dus niet.
Raar is wel dat je op de plaats van het hoofd gewoon de oranje achtergrond ziet. Je hersenen compenseren dus en vullen in wat er rond aanwezig is!
Dit is nog spectaculairder als de man de zwarte balk naar boven beweegt: ter hoogte van zijn hoofd blijf je de balk volledig zien. Onze hersenen fantaseren er een stukje bij!
Trouwens als je gewoon met één oog naar je omgeving kijkt, heb je ook weinig last van je blinde vlek. Onze hersenen vullen permanent de gaatjes…
Het wordt nog eens duidelijk: wat we zien, voelen, horen is niet altijd wat er is of wat er niet is. Het is wat onze hersenen ons vertellen.

Om het effect goed te kunnen meemaken moet je het filmpje hieronder in volledige-scherm-weergave starten.
Klik daarvoor eerst op het kadertje rechtsonder van het beeld en dan pas op de startknop in het midden van het scherm.

vol

Probeer dat maar hieronder.



Het verhaal doet de ronde dat koning Charles II van England (1630-1685) zo ‘n spelleke ook speelde als een terdoodveroordeelde moest onthoofd worden.
Hij keek met één oog een beetje weg van het slachtoffer totdat diens hoofd op zijn blinde vlek terecht kwam. Charles zag het kopje dus al rollen vóór de beul had toegeslagen!
Spijtig genoeg heeft het slachtoffer daar geen enkel voordeel aan gehad…

donderdag 23 juli 2009

YouTube gaat 3D!

De Google- labs zijn volop aan het experimenteren met het beschikbaar stellen van 3D-filmpjes op hun YouTube-site.

Het gaat hier wel om 3D bekomen met de zogenaamde anaglyphenmethode.
D.w.z. dat 2 beelden, die ten opzichte van elkaar verschoven zijn, over elkaar geprojecteerd zijn: een cyaanbeeld voor het rechteroog en een rood beeld voor het linkeroog.
De verschuiving van die twee beelden is zodanig dat ze overeenkomt met de verschuiving waarmee onze twee ogen de realiteit altijd bekijken.
Onze hersenen voegen die twee verschoven beelden automatische samen tot een ruimtelijk beeld.
Dat dit zo is kan je eenvoudig testen door b.v. 2 potloden in elkaars buurt voor je ogen te houden: het ene op b.v. 30 cm en het andere op 35 cm.
Bekijk de potloden nu afwisselend alleen met het rechteroog en dan alleen met het linkeroog. Je zal de potloden zien verschuiven.
Als we er met twee ogen naar kijken verwerken onze hersenen de linker- en rechterwaarneming tot één beeld, waardoor we de diepteafstand tussen beide potloden kunnen inschatten.

Als je nu een brilletje hebt waarvan het rechter “glas” alleen het cyaanbeeld van de film doorlaat en het linker “glas” alleen het rode beeld dan voegen je hersenen die beelden samen tot een 3D-beeld.

Ik hoop dat je nog ergens zo’n brilletje liggen hebt.
Een beetje knutselaar kan dat ook wel zelf maken.
Je kan b.v. op de site van The Paper Project terecht voor een handleiding.

Ik heb een paar van die filmpjes bekeken en ik vind dit best wel spectaculair.
Voor de liefhebbers met brilletje heb ik er hier een tweetal.
Kijk maar eens mee.

Eerst een echte opname:

3D1
En nu nog een speciaal tekenfilmpje:

En we eindigen met dit lief smileytje:

zondag 12 juli 2009

Moleculen die het hem deden en dikwijls nog doen

De Chemical Heritage Foundation (CHF) in Philadelphia heeft specialisten een rangschikking laten opmaken van de 10 moleculen die een belangrijke invloed gehad hebben op de samenleving van de 20ste eeuw.
Ik geef jullie het rijtje met wat toelichting en eigen commentaar.
Denk eraan dat het rijtje geen rangschikking inhoudt.
Dus nummer 1 is niet noodzakelijk de bijzonderste molecule.

  1. Aspirine of acetylsalicylzuur.
    image
    Een overbekende pijnstiller en een koortswerend middel.
    Voor aspirine worden nog steeds nieuwe toepassingen ontdekt.
  2. Iso-octaan.
    image
    Het basisbestanddeel van benzine.
    Bedenk hoe de verplaatsing met de auto in de voorbije eeuw een ware explosie heeft gekend.
  3. Penicilline.
    image
    Een antibioticum dat de mensheid voor het eerst in staat stelde om bacteriële infecties doelmatig te bestrijden.
    De infectieziekten verloren de strijd, maar kanker stak meer en meer de kop op.
  4. Polyethyleen.
    image
    Een plastic gebruikt in plastic zakken en andere producten.
    Denk plastic maar eens weg uit ons leven. Kijk maar eens rond waar je nu zit terwijl je dit leest.
  5. Nylon.
    image
    Het eerste commercieel succesvolle synthetische polymeer, dat in van alles en nog wat gebruikt werd (en wordt): van nylonkousen (met of onder naad) tot tandenborstels en parachutes.
  6. Desoxyribonucleinezuur (DNA).
    DNA
    Een molecule (waarvan je hierboven een klein stukje ziet) die de genetische informatie bevat voor de ontwikkeling en het functioneren van elk levend wezen, maar… ook van een virus.
    De ontdekking van de structuur in 1953 veroorzaakte een ware revolutie in de moleculaire biologie.
  7. Progestine.
    image
    Een synthetische molecule gebruikt in de hormonale contraceptie (de pil) en in therapeutische toepassingen.
    De periodieke onthouding werd in de 20ste eeuw in de vergeethoek geduwd.
    Als medisch afgevaardigde voor Schering AG ben ik, in de vroege jaren ‘70 de dokters en doctoraatstudenten gaan “warm” maken voor de laag gedoseerde Schering-pil.
  8. Dichlorodiphenyltrichloroethane (DDT).
    image
    Een synthetisch pesticide dat enorm bijgedragen heeft tot het bestrijden van gevaarlijke ziekten zoals vlektyfus.
    Maar de zeer slechte afbreekbaarheid en de schadelijkheid voor de mens zijn de nadelige aspecten.
    Toch wordt het in lage concentraties nog altijd gebruikt in ontwikkelingslanden.
  9. Prozac.
    image
    Een vorm van fluoxetine hydrochloride.
    Een (te?)veel gebruikt en effectief antidepressivum.
  10. Buckminsterfullerene.
    image
    Ook gekend als buckyball.
    Een relatief recent (1985) ontdekte vorm van koolstof.
    Na die ontdekking kwam de ontwikkeling van nanobuisjes volop op gang en sindsdien ontstaan er steeds nieuwe supersterke composietmaterialen.

Wie in de eerste helft van vorige eeuw geboren werd, realiseert zich dikwijls te weinig dat hij de geboorte van al die chemische nieuwigheden heeft meegemaakt.
We zijn het allemaal zo snel gewoon.

zondag 5 juli 2009

Daltonisme

Marc is een goede kameraad. Al vanaf mijn jeugdjaren in Merelbeke.
Hij vraagt mij, in een reactie op mijn blogje over kleurillusies, om eens te bloggen over daltonisme.
Blijkbaar heeft Marc last van rood-groen-kleurenblindheid.

Zo’n kans laat ik niet liggen natuurlijk.
Vooral omdat ik zelf ook wat geplaagd ben door een (lichte) afwijking in het kleurenzien.
Ik herinner me hoe ik extra testen moest afleggen toen ik mijn “drie dagen” moest doen in ‘t Klein Kasteeltje.
Er was iets niet in orde met mijn kleurwaarneming in het groen-bruine gebied.
Toen ik in het onderwijs wou starten en daarvoor medische testen moest doorspartelen, kreeg ik van hetzelfde laken een broek: extra controle op mijn kleurenzicht.
Maar het heeft mij niet geholpen om aan de legerdienst te ontkomen. En voor mijn onderwijswerk was de lichte afwijking blijkbaar ook geen beletsel.
Maar ik heb het dikwijls tegen Mia over een bruine pull als het volgens haar over een groene pull-over gaat.
En zo modebewust ben ik nu ook weer niet om mij daar zorgen over te maken.

Maar Marc is daltonist. En dat is toch een zwaardere storing in het kleurenzien.
Daltonisme heeft zijn naam te danken aan John Dalton, een beroemd chemicus uit de 18de eeuw. Elk jaar opnieuw mocht ik hem voorstellen aan mijn leerlingen, bij hun eerste stappen in de chemie.
Want Dalton was één van de grondleggers van de moderne scheikunde omwille van zijn merkwaardige en voor die tijd revolutionaire atoomtheorie.

Dalton was zelf niet in staat om groen en rood goed van elkaar te onderscheiden.
En sinds hij dat verschijnsel in 1794 voor het eerst systematisch beschreef, is daltonisme het veel gebruikte synoniem geworden voor rood-groen kleurenblindheid.
Dalton dacht dat zijn afwijking het gevolg was van een blauwe verkleuring van het glasachtig lichaam in zijn ogen.
Toen dit na zijn dood getest werd, bleek dit niet het geval te zijn.

oog


De term kleurenblindheid is eigenlijk een verkeerde benaming.
De meeste kleurenblinden kunnen wel degelijk kleuren zien, maar hebben moeite met het onderscheiden van een aantal kleuren.
En dat gebrek aan onderscheidingsvermogen heeft te maken de werking van de lichtgevoelige cellen op ons netvlies: de staafjes en de kegeltjes.

netvlies
De staafjes zorgen niet voor kleurwaarneming. Ze zorgen ervoor dat we ook bij weinig licht nog vormen kunnen zien in zwart-witte en grijze tinten.

Het zijn de kegeltjes die voor de kleurwaarneming zorgen.
Er bestaan drie verschillende soorten kegeltjes:

  1. soort 1: kegeltjes waarmee we blauw kunnen waarnemen.
    Ze absorberen licht met een golflengte van ongeveer 443 nanometer (nanometer = nm = 10-9 m)
  2. soort 2: kegeltjes waarmee we groen kunnen waarnemen.
    Ze absorberen licht met een golflengte van ongeveer 544 nanometer
  3. soort 3: kegeltjes waarmee we rood kunnen waarnemen.
    Ze absorberen licht met een golflengte van ongeveer 570 nanometer.


kegeltjes











Wanneer we een bepaalde kleur zien, worden alle drie de soorten kegeltjes geactiveerd, maar wel in verschillende mate, naargelang de kleur.
Op die wijze krijgen onze hersenen bij elke kleur een specifiek signaal van elke kegeltjessoort. De combinatie van die signalen geeft ons een bepaalde kleurwaarneming.
Op die manier kunnen we miljoenen kleurtinten onderscheiden.

Als alles normaal is tenminste.
Maar bij daltonisten is dat niet het geval!
Bij daltonisten verschuift de gevoeligheid van de kegeltjes van soort 2 naar de rode kant van het spectrum. Je ziet hieronder de naar rechts opgeschoven groene curve:

kegeltjes2


Daardoor absorberen de kegeltjes van soort 2 vrijwel in hetzelfde golflengtegebied als die van soort 3.
Onze hersenen krijgen dus van soort 2 en soort 3 praktisch hetzelfde signaal binnen. Ze kunnen geen onderscheid maken tussen de 2 signalen: ze kunnen groen en rood niet van elkaar onderscheiden. Dit is daltonisme.

Wil je eens testen of je kleurenblind bent?
Noteer dan welk getal je kan lezen in de figuur hieronder.
Niet foetelen!
Het resultaat vind je helemaal op het einde van dit berichtje.

image

Daltonisme is erfelijk en het is een geslachtsgebonden kenmerk.
Dat wil zeggen dat de genen die er mee te maken hebben op de geslachtschromosomen liggen.
Daardoor is slechts 1 op de 250 vrouwen daltonist terwijl het bij mannen maar liefst in 1 op de 12 gevallen voorkomt.
Dit grote verschil is te verklaren aan de hand van de overerving van geslachtsgebonden kernmerken.
Dit zou voor dit berichtje te ver voeren om dat helemaal uit de doeken te doen.
Laat maar iets weten als je daar interesse voor hebt.

Maar je ziet het: ook wat daltonisme betreft is de vrouw het sterke geslacht.
Dus: zeg niet te gauw, het is weer een vrouw…


En wat de test betreft: zie je vierenzeventig, dan heb je een normaal kleurenzicht. Maar als je eenentwintig ziet of helemaal geen getal, dan hapert er iets met je kleurenzien. Santé!

donderdag 2 juli 2009

Over witte auto’s en zwarte negers

Gisterenmorgen iets na halfacht was er op Radio2-Limburg een schitterend sappig interview met een pechverhelper van de VAB.
Het ging over de gevolgen van de hoge zomerse temperaturen voor de auto en vooral voor hen die erin moeten als zo’n vierwieler een tijdje in de zon heeft staan bakken.
In witte of lichtgekleurde auto’s met lichtgekleurde autozetels, kan de temperatuur tot zo’n 40°C worden zei de man.
Maar in zwarte of donkergekleurde auto’s met donkere binnenbekleding kan het wel 55°C en meer worden zei hij.

autozon
Ik vroeg mij af of hij gemeten temperaturen hanteerde. En jawel hoor: op de site van de VAB vond ik die waarden terug in de resultaten van een warmtestudie.
In elk geval, de waarheid achter zijn verhaal was duidelijk: donkere oppervlakken absorberen veel stralingsenergie en warmen daardoor op. Licht gekleurde oppervlakken weerkaatsen veel stralingsenergie en warmen daardoor minder op.

Oké, maar hoe zit dat dan met de negerkes?
Waarom zijn die dan niet wit? Ze leven toch permanent bij intensere zonnestraling. En wit weerkaatst toch en maakt minder warm?
En waarom hebben ze nog uitgerekend donker haar ook?
Bleke blondjes zouden daar toch beter passen?

zwartblond

Hola, niet te simpel doen!
Hier is wat anders aan de hand.
Hier komt Darwin van achter het hoekje kijken: survival of the fittest!
De best aangepaste heeft de beste overlevingskansen.
En in streken met intense zonnestraling zijn de best aangepasten, die welke de hoogste concentratie aan het UV-absorberend huidpigment melanine in de cellen van hun opperhuid hebben.
En dat zijn donkerhuidige mensen.

image
Hierboven zie je een stukje van de structuur van eumelanine. Dit is de melaninevariant die in hoge concentraties voorkomt in de pigmentcellen (melanocyten) van de opperhuid én in het haar van donkerhuidige mensen.

melanine
Die hoge concentraties aan eumelanine zorgen voor de donkere huid- én haarkleur.
Maar belangrijker is dat eumelanine zeer sterk de ultraviolette straling uit het zonlicht absorbeert.
Daardoor kunnen de energierijke UV-stralen vrijwel niet doordringen tot de celkernen.
Ze kunnen dan ook geen wijzigingen aanbrengen in de DNA-structuur en dus ook niet leiden tot mutaties die huidkanker kunnen veroorzaken.
De natuurlijke selectie heeft er dus voor gezorgd dat donkerhuidigen en donkerharigen de beste overlevingskansen hadden in die UV-lichtrijke omgeving.
Die selectie is de goede geweest: liever iets warmer zonder kanker dan iets koeler met kanker.
Het is een vaststaat feit dat negroïde mensen veel minder huidkanker krijgen dan blanken.

Eén nadeeltje toch van dit selectiegebeuren. In onze westerse multiculturele samenleving zie je tegenwoordig veel donkerhuidigen die naar onze streken gemigreerd zijn met de hoop op betere leefomstandigheden. Maar bij ons is er wel minder zonlicht. En dat zonlicht, wordt bij de negroïde mensen die hier rondlopen, bijna volledig weggefilterd door de melanine in de huid. Zo kan er bij die mensen een tekort aan vitamine D ontstaan. Want vitamine D wordt in de huid gevormd uit cholesterol, maar alleen als er voldoende UV-licht kan doordringen.
Met de geringere zonnestraling en de sterke filtering door de donkere huid, is dit problematisch. Negers die in onze streken verblijven vertonen dan ook regelmatig een aantal ziekten als gevolg van gebrek aan vitamine D.

En blondjes (vrouw of man) worden in de hete zomerse dagen van tegenwoordig nóg blonder.
Want de UV-stralen, die door de lage melanineconcentratie bijna niet tegengehouden worden, maken de weinige melanine nog kapot ook. Daardoor wordt het blonde kopje nog bleker.
Maar ze kunnen wel het hoofd beter koel houden.
Alhoewel…

Waarom gaat een dom blondje bij gevaar in de koelkast zitten?
Zo probeert ze haar hoofd koel te houden.

maandag 29 juni 2009

Wat zien ik?

Ik heb het hier al meer dan eens gehad over illusies.
Zowel over visuele als over auditieve illusies en voelillusies.
Vorige week liep ik op internet weer een ongeloofkijk sterke visuele illusie tegen het lijf.
Een kleurillusie in dit geval. Afkomstig van de site van Akiyoshi Kitaoka, een specialist in optische illusies.

Je ziet zonder twijfel de gekleurde strepen: groene, blauwe, oranje-achtige.
Oké. Maar kan je geloven dat de blauwe en de groene strepen in werkelijkheid één en dezelfde kleur zijn?
Ik probeer om je een beetje uit je ongeloof te verlossen door een rechthoekje met “groene" strepen én een rechthoekje met "blauwe" strepen uit het beeld weg te knippen en naast elkaar te plaatsen.

kleurbedrog3

Als je nu naar de doorlopende “blauwe” streep kijkt zie al beter dat het om dezelfde kleur gaat. Vooral heel bovenaan en heel onderaan is dit goed te zien. Deze strepen zijn immers het meest uit de context van anders gekleurde strepen weggehaald.
Want dat is de reden van de kleurillusie: onze hersenen beoordelen een kleur door te vergelijken met de omgevende kleuren..

En mocht je het nog niet geloven, dan stel ik voor dat je een kleurpikker op je PC installeert. Colorpic 4.1 is er zo ééntje en volledig gratis.
Ik heb dat programmaatje zelf ook in gebruik.
En als ik het op de blauwe (of zijn het groene?) strepen loslaat, lees ik inderdaad overal dezelfde RGB-waarden 123, 255, 255 af!

Onze hersenen zijn blijkbaar geen perfecte kleurpikkers.
Voor de zoveelste keer: wat we zien is NIET de werkelijkheid. Het is wat onze hersenen ons vertellen.
Of geloof jij ook in UFO’s misschien?

donderdag 4 juni 2009

Tetris is 25 jaar jong

Vandaag spelen we geen spelleke. Dat is voor vrijdag.
Vandaag schrijf ik iets over een spelleke. Een fameus spelleke.
25 jaar geleden werd in Moscow Tetris geboren. Volgens sommigen was 6 juni de datum waarop het spel voor het eerst in een speelbare versie klaar was. Anderen houden het op 2 juni.
Ik kies er middenin: 4 juni, vandaag.
25 jaar jong dus. Proficiat Tetris ! En dat je nog lang mag leven.

Als er één spel is waarvan we de verjaardag moeten vieren, dan is het Tetris wel.
Het is een ongelooflijk schot in de roos geweest.
Tijdens die 25 jaar zijn er miljoenen exemplaren van verkocht.
Bedenker was Alexey Pajitnov, toen werkzaam aan de Moscowse Academie voor Wetenschappen.

Pajitnov deed in 1984 met zijn Tetris mee aan een wedstrijd voor computerspellen, maar hij moest tevreden zijn met de tweede plaats. Van de winnaar is nooit iets gehoord, van Tetris des te meer.
Maar Pajitnov is er niet rijk van geworden. Een echte commercant zal het wel niet geweest zijn.
De grote boom voor het spelleke is er gekomen toen Nintendo het op zijn Game Boy plaatste. Tetris werd zó een handig mee te nemen tijdverdrijf. En Nintendo werd de financiële Tetriskampioen.

En je weet hoe het gaat. Als iets een succes wordt, dan is het op de kortste tijd een onderwerp van studie.
Zo hebben de Amerikaanse wiskundigen, Erik D.Demaine, Susan Hohenberger en David Liben-Nowell van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) aangetoond dat Tetris eigenlijk een enorm moeilijk te spelen spel is.
Dat zal mijn Tetriskampioen-aan-huis graag horen.
De wiskundigen bedoelen dat het zeer moeilijk is om een strategie en het bijhorend algoritme te ontwikkelen dat toelaat om een computer in het spel een maximaal resultaat te laten halen.
Tetris wordt door die wiskundigen geklasseerd bij de NP-volledige problemen.
Nu begint het technisch wiskundig te worden: NP staat voor "niet-deterministisch-polynomiaal".
Wat dit precies betekent is voor mij veel te moeilijk, maar de wiskundigen onder mijn lezers (dag Annie!) zullen daar wel een kluifje aan hebben.
Wie had dat gedacht van zo'n "onnozel" spelleke?

En het is nog niet gedaan.
Wie regelmatig Tetris speelt, oefent voortdurend en in een steeds hoger tempo, zijn ruimtelijk inzicht en ook zijn reflexen. Met als gevolg dat Tetrisspelers die een IQ-test moeten afleggen, beduidend hoger scoren op de onderdelen waar ruimtelijk inzicht wordt getest.
Tetris spelen kan dus uw IQ verhogen!
Dit doet ook vragen rijzen bij de IQ-testen zelf. Er is inderdaad vastgesteld dat sinds de algemene invoering van die testen, de gemeten IQ-waarden blijven stijgen. Men spreekt van het Flynn-effect: we scoren hoger op een IQ-test, niet omdat we zoveel slimmer zijn dan onze voorouders, maar omdat we meer vertrouwd zijn met het oplossen van abstracte of ruimtelijke problemen. Geven de IQ-testen dan nog wel een correct beeld?

Maar Tetris kan ook voor problemen zorgen. Psychische problemen nog wel.
Fervente spelers kunnen aan het Tetris-effect gaan lijden.
Slachtoffers van dit effect beginnen overal in hun omgeving in elkaar passende voorwerpen te zien: flatgebouwen in de stad en rekken en dozen in een grootwarenhuis zien ze als grote Tetrisblokken!
En sommigen zien, als ze hun ogen sluiten, nog voortdurend blokskes vallen. Ze dromen er soms zelfs van...

Amaai en dat allemaal voor zo'n, op het eerste zicht, gewoon spel.
En doodgewoon zijn die blokjes inderdaad:

Maar die combinatie van telkens 4 vierkantjes in zo'n steentje heeft wel een geleerde naam: tetromino.
Je zou kunnen denken dat de naam van het spel daar iets mee te maken heeft.
Maar dat schijnt niet zo te zijn.
Een tetris is de score die je haalt als je in het spel in één keer 4 rijen kan doen verdwijnen.
Vandaar de naam dus.

Ik krijg nu toch goesting om een Tetriske te doen. Speel maar even mee, maar zorg ervoor dat ge er niet van droomt...