Of Darwin dat voorzien had en of hier ook de survival of the fittest geldt?
Misschien dat we toch maar best naar iets tussenin streven…
Milde reflecties van Hervé Tavernier op heden en verleden met ook wat tips, nieuwtjes, spelletjes en puzzelkes.
Bij het zien van zo’n beestje in de badkuip bijvoorbeeld, zal menig vrouwspersoon de geluidsnorm wel eventjes overschrijden.
Sommige mannen misschien ook.
Ik niet. Ik vang ze met de blote hand.
Mia schreeuwt daar ook niet voor.
Ze is niet zo’n giller.
En van spinnen heeft ze maar een klein beetje bang.
Zelfs meer van kleine spinnetjes dan van die grote exemplaren. Kleintjes zijn meer venijnige bijtertjes zegt ze.
Dat paniekgedrag voor spinnen lijkt anders wel een typisch vrouwelijk gedragspatroon te zijn.
Een studie van David Rakison, een ontwikkelingspsycholoog van de Carnegie Mellon University in Pittsburgh, Pennsylvania, stelt dat vrouwen genetisch voorbestemd zijn om schrikreacties te vertonen bij het zien van “gevaarlijke dieren”.
Hij stelde vast dat meisjes-baby’s al van 11 maanden oud, beelden van spinnen associëren met angstreacties.
Jongetjes van die leeftijd blijven onbewogen bij de spinnenbeeldjes.
Rakinson verklaart het verschil in gedrag als een overblijfsel van het oerpatroon van jager (man) – verzamelaar (vrouw).
Aangeboren schrik voor spinnen kan vrouwen geholpen helpen bij het vermijden van gevaarlijke dieren. Bij mannen kan het risico durven nemen evolutionair juist een voordeel geweest zijn om succes te hebben bij het jagen.
Als ik het goed begrijp zit ik dan eigenlijk met een aangeboren jagerke in huis. Een beetje afwijkend van het normale oer-vrouwspatroon.
Maar zo erg vind ik dat nu ook weer niet.
Een lief jagerke is beter dan een triestig verzamelaarke.
Over het uitsterven van de Neanderthalers zijn er al meerdere theorieën ontwikkeld.
In het augustusnummer van Scientific American geeft Kate Wong haar visie op het verdwijnen van deze mensensoort, die wel niet onze directe voorouders zijn, maar die het als soort toch 120.000 jaar lang hebben volgehouden op aarde!
Klik op het beeld om de film te starten.
De reclame bij het begin moet je er wel bij nemen…
2009 is niet alleen het Darwinjaar.
Ook een andere kolos van de wetenschappen wordt dit jaar herdacht: Galileo Galilei.
In 1609, 400 jaar geleden gebruikte Galilei als eerste een zelfgemaakte eenvoudige telescoop om de sterrenhemel rond onze aarde te observeren.
De resultaten van die nieuwe manier om buiten onze aarde te kijken waren spectaculair.
In de tijdspanne van een paar maanden ontdekte Galilei dat Jupiter 4 manen had, dat Venus fasen vertoonde vergelijkbaar met die van onze maan en dat er op de zon, zonnevlekken voorkwamen.
Deze waarnemingen konden niet verklaard worden met het model van Aristoteles dat uitging van een onveranderlijke kosmos waarin de aarde centraal stond.
Galilei’s waarnemingen pasten wel perfect in het wereldbeeld met de zon als centrum dat door Copernicus werd naar voor geschoven. Galilei’s waarnemingen hadden er een experimenteel bewijs voor geleverd.
Maar in 1610 durven verkondigen dat de aarde het centrum van het heelal niet was, was letterlijk vloeken in de Kerk.
Galilei nam in 1633 onder druk van het Vaticaan afstand van de Copernicaanse visie. Maar toch werd hij tot aan zijn dood in 1642 onder huisarrest geplaatst.
Pas in 1992 bood paus Johannes Paulus II zijn excuses aan voor de onaanvaardbare behandeling die Galilei had ondergaan.
Beter laat dan nooit natuurlijk, maar toch wel heel laat….
In mijn bericht van 12 februari dit jaar liet ik al weten dat de VPRO een uniek initiatief opstart in het kader van het Darwinjaar.
De VPRO organiseert een reconstructie van de zeereis die Darwin van 1831 tot 1836 met de HMS Beagle maakte naar de Galapagoseilanden.
Het moment van de afvaart komt nu echt dichtbij.
Op 28 augustus (overmorgen) vertrekt vanuit Oostende de clipper Stad Amsterdam die de reis van Darwin overdoet.
Het schip vaart dan naar Amsterdam, waar het op 1 september vertrekt naar Plymouth.
In deze Engelse havenstad, waar in 1831 ook Darwin van wal stak, start diezelfde dag nog de grote reis.
Internet
Brochure
Kaart van de reis
Amaai, wie dan nog niet weet hoe het met Darwin, zijn evolutietheorie en zijn wereldreis in mekaar zat…
Als we er maar geen indigestie van krijgen…
Ik herinner me nog zeer goed hoe ik 45 jaar geleden, toen ik de 2de kandidatuur scheikunde volgde aan de RUG (Rijksuniversiteit Gent – nu UG – Universiteit Gent), voor het eerst hoorde over de proef van Miller.
De schitterende lesgever, prof. Hublé, vertelde ons toen over het intussen beroemd experiment dat de Amerikaanse chemicus Stanley Miller, samen met zijn collega Harold Urey, in 1953 had uitgevoerd.
Stanley en Miller stuurden elektrische ontladingen door een gasmengsel van methaan, ammoniak, waterdamp, waterstof en koolstofmonoxide.
Het gasmengsel was een model van de samenstelling van de aardse atmosfeer van de nog zeer primitieve, levenloze, jonge aarde.
De elektrische ontladingen stonden model voor de bliksemontladingen die zich binnen die primitieve aardatmosfeer konden voordoen.
Als het experiment een paar weken draaide, vonden Miller en Urey dat er in het experimenteervat spontaan aminozuren ontstonden.
Aminozuren zijn bouwstenen van eiwitten.
En eiwitten zijn bouwstenen van levende materie.
Het Miller-Urey-experiment leverde bijgevolg een bruikbaar model voor het ontstaan van het leven op onze aarde.
Prof. Hublé had bij mij, met dit boeiend en wonderlijk verhaal, meteen Adam en Eva naar de sprookjeswereld verbannen.
Maar het model van Miller en Urey over het ontstaan van leven op aarde bleef niet het enige.
In 1970 kwam Fred Hoyle, een bekend astronoom én science-fiction schrijver, met het toen spectaculaire idee dat leven op aarde was terecht gekomen vanuit de ruimte.
Meteorieten en delen van kometen die sporen van leven en/of van levensbelangrijke moleculen bevatten, hadden de aarde gebombardeerd en zo leven op aarde gebracht of doen ontstaan.
En inderdaad. Al van in de jaren 70 werden er op meteorieten, die van uit de ruimte op aarde neerkwamen, aminozuren gevonden.
Het Miller-Urey-model waarmee prof. Hublé mij indertijd zo had verbaasd en enthousiast gemaakt, werd langzamerhand naar de prullenmand verzonden. Leven was blijkbaar op aarde ontstaan door impact van meteorieten, beladen met aminozuren.
En in de jaren 90 vonden astronomen, door spectroscopisch onderzoek van de straling in de ruimte, sporen van meer dan 100 organische molecuulsoorten. Belangrijke biochemische bouwstenen zoals suikers en alcoholen, bleken dus in de interstellaire ruimte voor te komen. En ook het aminozuur glycine werd ontdekt, maar aan dat laatste bleven er twijfels kleven.
In 1999 lanceerde NASA zijn Stardust-missie.
Doel van het ruimtetuig was de komeet Wild 2 op 390 miljoen km van onze aarde.
Vijf jaar later, op 2 januari 2004, kwam het Stardust-ruimtetuig bij de komeet aan.
En in 2006 was Stardust terug op aarde, zijn filters rijkelijk beladen met minuscule stofdeeltjes van de komeet. Een ongelooflijke technologische prestatie alles bijeen.
Het opvallend verschil in reistijd heen en terug is ruimte-technisch te verklaren. Maar daar heb ik het nu niet over.
Vanaf 2006 begon het minutieuze onderzoek van het meegebrachte komeetmateriaal.
In 2008 werd de ontdekking gemeld van meerdere aminozuren in de meegebrachte stalen.
Maar er moest nog zekerheid verkregen worden over de oorsprong: kwamen die aminozuren werkelijk van de komeet, of waren ze afkomstig van aardse contaminatie op het ruimtetuig.
Een week geleden, op 17 augustus, meldde NASA dat ze met een zeer grote zekerheid de aanwezigheid van de belangrijke levensbouwsteen, het aminozuur glycine, hadden vastgesteld in materiaal van de komeet Wild 2.
De hoeveelheid glycine die ze daarvoor onderzochten bedroeg slechts 0,00000001 gram!
Stardust vloog alleen maar door de staart van de komeet.
Het Europese ruimtetuig Rosetta dat in 2004 gelanceerd werd naar de komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko op 800 miljoen km van de aarde, zal in 2014, dus na een 10 jaar lange vlucht, op de kern van de komeet landen en er materiaal verzamelen.
Het valt af te wachten of er ook in de kern van een komeet levensbouwstenen zullen gevonden worden.
Maar dat lijkt zeer waarschijnlijk.
Van het verhaal van Adam en Eva heb ik nooit veel geloofd.
En dat we niet uit de kolen kwamen weet ik ook al lang.
Maar dat onze oorsprong eigenlijk zowat overal in de ruimte kan liggen, geeft mij een tevreden gevoel. Want in die kometen en op die meteorieten zullen er wel voortdurend Miller-Urey-achtige gebeurtenissen aan de gang zijn die voor het ontstaan van aminozuren zorgen.
Die goede oude prof. Hublé heeft ons dan uiteindelijk toch geen verhaaltje op de mouw gespeld.
Ik heb het indertijd bij mijn leerlingen met alle middelen proberen in te pompen: overerving van verworven eigenschappen is larie en apenkool.
Een smid die dagelijks hamert op zijn aambeeld en daardoor dikke spieren ontwikkelt, krijgt geen kinderen die met dikke spieren geboren worden. Giraffen hebben geen lange nek omdat hun voorouders zich steeds moesten rekken om van de weinige blaadjes aan de hoge bomen te kunnen smullen.
Neen. Giraffen hebben lange nekken omdat dit een zoogdierensoort is die met zijn lange nek nog kan overleven in gebieden waar het voedsel hoog aan de bomen te verkrijgen is.
”Survival of the fittest” is de drijfveer van de evolutie. Zoals Darwin zei.
Overerving van verworven eigenschappen is een verkeerd idee van Lamarck.
Wie dat indertijd niet door had, kon zich bij Tavernier aan een buis verwachten.
Maar.
Al in mijn blogbericht van 5 februari 2009 liet ik al horen dat Lamarck in sommige gevallen ook wel eens gelijk kon hebben.
En nu zijn er weer berichten over situaties waarbij verworven kenmerken worden doorgegeven aan het nageslacht.
Dit keer gaat het om een vaststelling bij de bijtjes.
Bijen uit onze contreien kunnen, als ze in hun doen en laten gestoord worden, agressief worden.
Wie dan in de buurt is, kan daar de gevolgen van dragen.
Professor Gene Robinson, een bekend bijendeskundige van de University of Illinois, heeft dit gedrag grondig bestudeerd.
Hij heeft vastgesteld dat bij agressieve Europese honingbijen bepaalde genen worden ingeschakeld, die anders inactief blijven.
In de genen van de Europese honingbijen is er dus een soort agressieschakelaartje ingebouwd, dat volgens de omstandigheden aan- en uitgezet wordt.
En nu komt het.
De Afrikaanse honingbij is uit de Europese honingbij geëvolueerd.
Maar de Afrikaanse is altijd agressief. De Afrikaanse honingbij staat dan ook bekend als de “killer bij”.
Het doet zich dus voor alsof de omgevingsfactor die bij de Europese bijen agressiviteit uitlokt, zich bij de Afrikaanse honingbij door overerving heeft vastgezet in de genen.
De verworven eigenschap is overgegaan.
De studie die dit uit de doeken doet is eergisteren gepubliceerd in de Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS)
Zien jullie dat ook? Lamarck glimlacht weer een beetje meer op het beeld hierboven.
Al zou je er soms aan twijfelen: mensen hebben de best ontwikkelde hersenen van alle levende wezens op aarde.
Mensen hebben in elk geval het grootste hersenvolume. Ze hebben dus principieel de meeste kans om hersenen te gebruiken.
Zo’n 2,5 miljoen jaar geleden is onze herseninhoud toegenomen van 600 ml tot ongeveer één liter.
In die periode waren de Homo Habilis en de Homo Erectus de mensensoorten die de aarde bevolkten.
Gisterenmorgen iets na halfacht was er op Radio2-Limburg een schitterend sappig interview met een pechverhelper van de VAB.
Het ging over de gevolgen van de hoge zomerse temperaturen voor de auto en vooral voor hen die erin moeten als zo’n vierwieler een tijdje in de zon heeft staan bakken.
In witte of lichtgekleurde auto’s met lichtgekleurde autozetels, kan de temperatuur tot zo’n 40°C worden zei de man.
Maar in zwarte of donkergekleurde auto’s met donkere binnenbekleding kan het wel 55°C en meer worden zei hij.
Ik vroeg mij af of hij gemeten temperaturen hanteerde. En jawel hoor: op de site van de VAB vond ik die waarden terug in de resultaten van een warmtestudie.
In elk geval, de waarheid achter zijn verhaal was duidelijk: donkere oppervlakken absorberen veel stralingsenergie en warmen daardoor op. Licht gekleurde oppervlakken weerkaatsen veel stralingsenergie en warmen daardoor minder op.
Oké, maar hoe zit dat dan met de negerkes?
Waarom zijn die dan niet wit? Ze leven toch permanent bij intensere zonnestraling. En wit weerkaatst toch en maakt minder warm?
En waarom hebben ze nog uitgerekend donker haar ook?
Bleke blondjes zouden daar toch beter passen?
Hola, niet te simpel doen!
Hier is wat anders aan de hand.
Hier komt Darwin van achter het hoekje kijken: survival of the fittest!
De best aangepaste heeft de beste overlevingskansen.
En in streken met intense zonnestraling zijn de best aangepasten, die welke de hoogste concentratie aan het UV-absorberend huidpigment melanine in de cellen van hun opperhuid hebben.
En dat zijn donkerhuidige mensen.
Hierboven zie je een stukje van de structuur van eumelanine. Dit is de melaninevariant die in hoge concentraties voorkomt in de pigmentcellen (melanocyten) van de opperhuid én in het haar van donkerhuidige mensen.
Die hoge concentraties aan eumelanine zorgen voor de donkere huid- én haarkleur.
Maar belangrijker is dat eumelanine zeer sterk de ultraviolette straling uit het zonlicht absorbeert.
Daardoor kunnen de energierijke UV-stralen vrijwel niet doordringen tot de celkernen.
Ze kunnen dan ook geen wijzigingen aanbrengen in de DNA-structuur en dus ook niet leiden tot mutaties die huidkanker kunnen veroorzaken.
De natuurlijke selectie heeft er dus voor gezorgd dat donkerhuidigen en donkerharigen de beste overlevingskansen hadden in die UV-lichtrijke omgeving.
Die selectie is de goede geweest: liever iets warmer zonder kanker dan iets koeler met kanker.
Het is een vaststaat feit dat negroïde mensen veel minder huidkanker krijgen dan blanken.
Eén nadeeltje toch van dit selectiegebeuren. In onze westerse multiculturele samenleving zie je tegenwoordig veel donkerhuidigen die naar onze streken gemigreerd zijn met de hoop op betere leefomstandigheden. Maar bij ons is er wel minder zonlicht. En dat zonlicht, wordt bij de negroïde mensen die hier rondlopen, bijna volledig weggefilterd door de melanine in de huid. Zo kan er bij die mensen een tekort aan vitamine D ontstaan. Want vitamine D wordt in de huid gevormd uit cholesterol, maar alleen als er voldoende UV-licht kan doordringen.
Met de geringere zonnestraling en de sterke filtering door de donkere huid, is dit problematisch. Negers die in onze streken verblijven vertonen dan ook regelmatig een aantal ziekten als gevolg van gebrek aan vitamine D.
En blondjes (vrouw of man) worden in de hete zomerse dagen van tegenwoordig nóg blonder.
Want de UV-stralen, die door de lage melanineconcentratie bijna niet tegengehouden worden, maken de weinige melanine nog kapot ook. Daardoor wordt het blonde kopje nog bleker.
Maar ze kunnen wel het hoofd beter koel houden.
Alhoewel…
Waarom gaat een dom blondje bij gevaar in de koelkast zitten?
Zo probeert ze haar hoofd koel te houden.
Ik drink graag een glaasje porto.
Witte porto liever dan rode. Rode is zoeter, witte is droger.
Als het goed is, is de zoete smaak van porto een gevolg van het vroegtijdig stoppen van het gistingsproces bij de bereiding van die unieke wijn afkomstig uit de Quinta’s.
De Quinta’s zijn de wijngaarden in de Portugese Dourovallei. De enige streek waar de klimatologische omstandigheden geschikt zijn om de portodruiven te kunnen kweken.
Door het vroegtijdig stoppen van het vergistingsproces, blijft er nog een hoog percentage onvergiste suikers in de wijn achter. Vandaar de zoete smaak.
Maar om de vergisting te stoppen (de mutage) wordt alcohol toegevoegd. Van zodra het alcoholgehalte 13 à 15% bedraagt, geven de gistcellen immers de pijp aan Maarten.
Het gevolg van de mutage: porto is niet van de poes: alcoholgehaltes van 18 à 20%!
Zo moet je niet veel glaasjes drinken om de grens van 0,2 promille te bereiken…
Bij een eerlijke mutage is de zoete smaak afkomstig van de overblijvende suikers.
Maar vroeger was het soms anders.
Ik spreek dan wel over de 17de – 18de eeuw.
De schrik zat er toen in dat overblijvende gistcellen de portwijn zouden verzuren tot azijn en er ondrinkbaar zure wijn zouden van maken.
Denk aan het Frans voor zure wijn: vin aigre – vinaigre – azijn.
Men vond er toen niets beters op dan litharge aan de wijn toe te voegen.
Litharge is niets minder dan het erg giftige loodmonoxide (PbO)!
De hoge concentratie aan loodionen doodde de enzymen in de gist, zodat de verzuring ophield.
Daarenboven reageerde het PbO met het aanwezige azijnzuur - CH3COOH - en ontstond er loodacetaat - Pb(OOCCH3)2.
Loodacetaat was bekend als loodsuiker, omdat het zoet smaakt.
Het werd al door de Romeinen gemengd bij een vruchtenextract en zo, ter vervanging van suiker, als zoetmiddel gebruikt (sapa).
Maar het toevoegen van loodionen aan portwijn was niet alleen bedreigend voor de gistenzymen.
De loodconcentratie in de drank was dikwijls zo hoog dat fervente portodrinkers duidelijke verschijnselen van loodvergiftiging vertoonden.
Hevige darmkolieken en mentale stoornissen kwamen zeer frequent voor en leidden dikwijls tot een vroegtijdige dood.
Maar vooral jicht (het pootje) was het lot van veel portodrinkers.
De loodionen in het bloed bemoeilijken de uitscheiding van urinezuur door de nieren.
Van zodra de urinezuurconcentratie in het bloed een kritisch niveau bereikt, kristalliseren de vlijmscherpte urinezuurkristallen uit in de gewrichten.
In 90% van de gevallen gebeurt dit in het gewricht dat de basis vormt van de grote teen of in een gewricht ter hoogte van de middenvoet. De gewrichten ontsteken en veroorzaken erge pijn. Het slachtoffer kan met moeite gaan. Hij zit met een pootje.
Tot de beroemdste portodrinkers met jicht (en pootjes...) behoorden Benjamin Franklin, William Pitt, Charles Darwin, Isaac Newton.
Opvallend veel gerenommeerde Engelsen in dat rijtje, omdat England door de veelvuldige oorlogen met onze zuiderburen in de 17de en 18de eeuw, minder wijn invoerde uit Frankrijk. De Engelsen schakelden over op de portwijn van Portugal, één van hun trouwste bondgenoten.
Met alle gevolgen van dien: loodje gaf hen dikwijls een pootje.
Ik heb het in mijn blogje al meer dan eens over waterstofperoxide (H2O2) gehad.
Een stof die me al sinds mijn eerste stappen in de chemie heeft geboeid.
Eén atoompje O meer dan water (H2O), maar een totaal ander chemisch gedrag.
Veel onstabieler en omwille van die onstabiliteit veel aggressiever. Herinner je de ontkleurende werking op haar (mèchen). Maar die agressiviteit heeft dikwijls een positief desinfecterend effect: een verdunde oplossingen van H2O2 ("zuurstofwater") werd vroeger (nu nog?) wel eens gebruikt voor het ontsmetten van kinderoortjes bij oorontstekingen.
En waterstofperoxide blijft het wetenschappelijk nieuws halen.
Wetenschappers van de gerenommeerde Harvard Medical School, onder leiding van prof. Timothy Mitchison hebben aangetoond dat H2O2 een belangrijke signaalfunctie heeft om het genezingsproces van wonden op gang te brengen.
Zeer recent (4 juni) publiceerden ze de resultaten van hun onderzoek in Nature.
Merkwaardig aan het onderzoek is dat ze het uitgevoerd hebben met zebravisjes!
Die kleine zebravisjes (3 à 4cm lang) worden tegenwoordig meer en meer gebuikt in biologische en biochemische experimenten.
De ethische bezwaren van dierenrechtenorganisaties en actiegroepen zoals b.v. Gaia bij ons, tegen het gebruik van proefdieren, zijn veel minder groot in het geval van kleine visjes dan wanneer er lieve muisjes of zachte konijntjes worden gebruikt!
De gevoeligheid op dat vlak is dus blijkbaar een kwestie van maten en gewichten…
Voor wetenschappers zijn zebravisjes geschikt als proefmateriaal omdat hun genetisch materiaal volledig bekend is. En de visjes blijken meerdere genen te hebben identiek aan menselijke genen.
Wat hebben de wetenschappers nu vastgesteld?
Wanneer ze bij een zebravisje een verwonding veroorzaakten, zagen ze in de buurt van de wonde een opmerkelijke stijging van het gehalte aan waterstofperoxide.
En die stijging van de concentratie aan waterstofperoxide in het weefsel rond de wonde, was een signaal voor witte bloedcellen om zich naar de plaats van het onheil te begeven en aan het wondherstel te beginnen.
Men wist al lang dat bij een verwonding, de concentratie aan witte bloedlichaampjes in de buurt van de wonde sterk toenam. Maar men wist niet hoe de witte bloedcellen het signaal kregen om naar de wonde te trekken en hun werk te gaan doen.
Hoe kwamen de onderzoekers te weten dat het gehalte aan waterstofperoxide steeg in de buurt van de wonde?
Daarvoor voerden ze bij het visje een knap staaltje genetische manipulatie uit.
Ze brachten bij embryocellen van het visje een gen (een stukje DNA) in. Dat gen veroorzaakt een kleurverandering in de aanwezigheid van waterstofperoxide. De zebravisjes die zich uit de genetisch gemanipuleerde embryo’s ontwikkelden droegen het gen in al hun cellen.
Aan de kleurverandering in de buurt van de wonde (zie rode kleur op de foto hieronder) wisten de onderzoekers dat de concentratie aan H2O2 daar steeg.
(Foto - Credit: Philipp Niethammer)
De onderzoekers wisten ook welk eiwit zorgde voor de aanmaak van waterstofperoxide. En toen ze dat eiwit blokkeerden zagen ze dat niet alleen dat er geen waterstofperoxide werd aangemaakt in de buurt van de wonde, maar ook dat er geen witte bloedcellen naar de wonde trokken om ze te genezen.
En dat was bingo! De functie van H2O2 als seingever was aangetoond!
Althans bij zebravisjes.
Het is dus afwachten of de natuurlijke selectie in de loop van de evolutie dit proces bij de mens heeft bewaard.
Mij zou het in elk geval niet storen om te beseffen dat ik, voor een deeltje, nog een beetje familie ben van een zebravisje.
Zo lelijk zijn die visjes nu ook weer niet.

Wie echt de streng wetenschappelijke toer op wil en de tijd kan opbrengen, kan door op het beeld hieronder te klikken de video-conferentie bekijken die Svante Pääbo eergisteren over zijn onderzoek gaf tijdens de jaarlijkse AAAS (American Association for the Advancement of Science) in Chicago. Je bent hier wel een uurtje mee zoet.
