Milde reflecties van Hervé Tavernier op heden en verleden met ook wat tips, nieuwtjes, spelletjes en puzzelkes.
Posts tonen met het label gezondheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gezondheid. Alle posts tonen
dinsdag 15 januari 2013
Beter brood op de plank?
Over smaken kan niet getwist worden, maar voor mijn part smaakt en ruikt een vers gebakken korstige baget veel beter dan een vers gebakken volkorenbrood.
Maar anderzijds weten we allemaal dat volkorenbrood gezonder is dan het witte brood van de “pain français”
En dat gezonder heeft te maken met het feit dat in volkorenbrood, zoals de naam het eigenlijk al zegt, meel gebruikt wordt dat bekomen wordt door de hele graankorrel te malen.
Door het behoud van de gehele korrel bevat het volkorenmeel componenten die het risico op bepaalde ziektes (kankers, hartziekten, suikerziekte,…) kunnen verminderen.
Wit brood, wordt gebakken met geraffineerd meel.
Dat is meel van graankorrels waarvan alleen de witte meelkern is overgehouden.
De beschermende componenten die in de zemelen, de baard en de kiem zitten, zijn niet meer aanwezig. Wit brood is daardoor minder gezond.
Het zou dus mooi zijn als men er zou kunnen voor zorgen dat het gezonde volkorenbrood even zinnenstrelend wordt als wit brood.
Wel, misschien is het “binnenkort” zover.
Want een groep scheikundigen van de University of Minnesota, onder leiding van prof. Devin G. Peterson, is er in geslaagd te achterhalen welke stof volkorenbrood minder appetijtelijk maakt dan wit brood.
Het lag voor de hand te zoeken naar een stof die voorkomt in de graandelen die niet meer in geraffineerd meel aanwezig zijn.
En inderdaad: in het korrelvlies, in de zemelen, vond men de boosdoener: ferulinezuur.
Het onderzoek wees uit dat ferulinezuur de vorming belet van stoffen die bij het bakken van brood voor de smaak en het aroma zorgen.
Voor de proef op de som voegde het Peterson-team ferulinezuur toe aan deeg voor wit brood.
En ja hoor, toen smaakte dat vers gebakken wit brood maar even smakelijk meer als suffig volkorenbrood…
Maar onze bakkers zullen wel nog even moeten wachten om hun vers volkorenbrood even lekker te doen ruiken als een ovenvers frans broodje.
Want nu moeten de chemisten er nog in slagen om het vermaledijde zuur op een veilige en gezonde manier uit de tarwezemelen te extraheren.
En dat kan misschien nog wel even duren.
Eet in afwachting maar gewoon verder je dagelijkse portie “grijs brood”.
En zo nu en dan eens een knapperige baget.
Smakelijk!
donderdag 5 juli 2012
Aardbeien? Superfruit!
Ik heb hier al ooit eens verkondigd dat ik bij ons thuis elke morgen insta voor het ontbijt.
Dat is nog altijd zo. Terwijl Mia nog horizontaal een paar moeilijke sudoku’s oplost, zorg ik voor een gezonde eerste maaltijd.
En in dit seizoen horen daar altijd aardbeien bij.
Mia neemt daarvan dagelijks een serieuze portie voor haar rekening.
Ik niet. Ik zweer bij kiwi’s, appelsienen, mango’s of ananas.
Maar misschien zou ik er wel goed aan doen om regelmatig wat aardbeien bij mijn kiwi’s te mengen.
Want een team van de Warwick Medical School onder leiding van prof. Paul Thornalley, heeft aangetoond dat het eten van aardbeien de ontwikkeling van hart- en vaatziekten en suikerziekte kan voorkomen. Je kan een samenvatting van hun bevindingen lezen in: “Games, set and match to strawberries”
Tussen haakjes: het is ten gevolge van een overgebleven zwangerschapsdiabetes dat Mia aardbeien tot haar favoriete fruit heeft gemaakt. Maar ook omdat ze aardbeien zo lekker vindt natuurlijk.
Het team van Thornally heeft ontdekt dat extracten van aardbeien in ons lichaam het NRF2-eiwit activeren. En dat eiwit staat er voor bekend dat het de productie van anti-oxidanten stimuleert.
NRF2 verlaagt daarenboven ook het gehalte van “slechte” cholesterol en andere schadelijke vetzuren in het bloed. En ook het bloedsuikergehalte wordt er door onder controle gehouden.
Het is voor het eerst dat de activerende werking van aardbei-extracten op het NRDF2-eiwit is aangetoond. Daarmee heeft de aardbei als gezond fruit een wetenschappelijk alibi gekregen.
Aardbeien, een superfruit dus: lekker en erg gezond.
Zorg dus dat ze er bij zijn als je morgenvroeg het ontbijt klaarmaakt voor je vrouwtje of mannetje.
Dat is nog altijd zo. Terwijl Mia nog horizontaal een paar moeilijke sudoku’s oplost, zorg ik voor een gezonde eerste maaltijd.
En in dit seizoen horen daar altijd aardbeien bij.
Mia neemt daarvan dagelijks een serieuze portie voor haar rekening.
Ik niet. Ik zweer bij kiwi’s, appelsienen, mango’s of ananas.
Maar misschien zou ik er wel goed aan doen om regelmatig wat aardbeien bij mijn kiwi’s te mengen.
Want een team van de Warwick Medical School onder leiding van prof. Paul Thornalley, heeft aangetoond dat het eten van aardbeien de ontwikkeling van hart- en vaatziekten en suikerziekte kan voorkomen. Je kan een samenvatting van hun bevindingen lezen in: “Games, set and match to strawberries”
Tussen haakjes: het is ten gevolge van een overgebleven zwangerschapsdiabetes dat Mia aardbeien tot haar favoriete fruit heeft gemaakt. Maar ook omdat ze aardbeien zo lekker vindt natuurlijk.
Het team van Thornally heeft ontdekt dat extracten van aardbeien in ons lichaam het NRF2-eiwit activeren. En dat eiwit staat er voor bekend dat het de productie van anti-oxidanten stimuleert.
NRF2 verlaagt daarenboven ook het gehalte van “slechte” cholesterol en andere schadelijke vetzuren in het bloed. En ook het bloedsuikergehalte wordt er door onder controle gehouden.
Het is voor het eerst dat de activerende werking van aardbei-extracten op het NRDF2-eiwit is aangetoond. Daarmee heeft de aardbei als gezond fruit een wetenschappelijk alibi gekregen.
Aardbeien, een superfruit dus: lekker en erg gezond.
Zorg dus dat ze er bij zijn als je morgenvroeg het ontbijt klaarmaakt voor je vrouwtje of mannetje.
donderdag 21 juni 2012
Vergeet de mayonaise niet!
Het leven wordt er niet eenvoudiger op.
Je zou soms kunnen denken: ik ga wat voorzichtiger leven en meer groenteslaatjes eten met hooguit een lichte vinaigrette op basis van zonnebloemolie vol polyonverzadigde vetzuren. Want dat is gezond.
Gezond?
Ja, maar toch niet 100%!
Want een groep wetenschappers van de Amerikaans Perdue University, onder leiding van Mario Ferruzi, hebben deze week in Molecular Nutrition & Food Research laten weten dat je toch best geen of niet teveel polyonverzadigde vetzuren bij je slaatje doet!
Een goede kwak mayonaise is dus nog zo slecht niet als we allen dachten.
Waarom is dat zo?
De groenten in onze slaatjes zitten propvol belangrijke vitamines en voedingscomponenten.
Maar als je niet de geschikte dressing toevoegt, kan je daar niet van profiteren. Een groot deel van die nuttige bestanddelen lossen op in vetten. En nu blijkt uit het onderzoek dat de zo geprezen polyonverzadigde vetzuren het slechts geschikt zijn als oplosmiddel voor de componenten die bescherming bieden tegen sommige kankers, sommige hart-en bloedvaatziekten en sommige oogziekten.
De mono-onverzadigde vetzuren bleken het best geschikt, dan de verzadigde vetzuren en dan pas de polyonverzadigde vetzuren.
Op basis van dit onderzoek zou je dus op je slaatje best mayonaise of een andere dressing gebruiken op basis van olijfolie en koolzaadolie, omdat die olies hoge concentraties aan het mono-onverzadigde vetzuur oliezuur bevatten.
Mayonaise en dressing op basis van zonnebloemolie en sojaolie, die hoge concentraties aan poly-onverzadigde vetzuren bevatten, zoals γ-linoleenzuur een omega-6-zuur, zijn dus veel minder geschikt.
Maar anderzijds is ons al dikwijls duidelijk gemaakt dat de poly-onverzadigde vetzuren van het omega-3 en omega-6 type belangrijk zijn om ons aderstelsel in goede conditie te houden en zelfs om depressies te voorkomen.
Wie kan dat nog allemaal goed doseren?
Zoals ik bij het begin al zei: het leven wordt er niet eenvoudiger op!
Je zou soms kunnen denken: ik ga wat voorzichtiger leven en meer groenteslaatjes eten met hooguit een lichte vinaigrette op basis van zonnebloemolie vol polyonverzadigde vetzuren. Want dat is gezond.
Gezond?
Ja, maar toch niet 100%!
Want een groep wetenschappers van de Amerikaans Perdue University, onder leiding van Mario Ferruzi, hebben deze week in Molecular Nutrition & Food Research laten weten dat je toch best geen of niet teveel polyonverzadigde vetzuren bij je slaatje doet!
Een goede kwak mayonaise is dus nog zo slecht niet als we allen dachten.
Waarom is dat zo?
De groenten in onze slaatjes zitten propvol belangrijke vitamines en voedingscomponenten.
Maar als je niet de geschikte dressing toevoegt, kan je daar niet van profiteren. Een groot deel van die nuttige bestanddelen lossen op in vetten. En nu blijkt uit het onderzoek dat de zo geprezen polyonverzadigde vetzuren het slechts geschikt zijn als oplosmiddel voor de componenten die bescherming bieden tegen sommige kankers, sommige hart-en bloedvaatziekten en sommige oogziekten.
De mono-onverzadigde vetzuren bleken het best geschikt, dan de verzadigde vetzuren en dan pas de polyonverzadigde vetzuren.
Op basis van dit onderzoek zou je dus op je slaatje best mayonaise of een andere dressing gebruiken op basis van olijfolie en koolzaadolie, omdat die olies hoge concentraties aan het mono-onverzadigde vetzuur oliezuur bevatten.
Mayonaise en dressing op basis van zonnebloemolie en sojaolie, die hoge concentraties aan poly-onverzadigde vetzuren bevatten, zoals γ-linoleenzuur een omega-6-zuur, zijn dus veel minder geschikt.
Maar anderzijds is ons al dikwijls duidelijk gemaakt dat de poly-onverzadigde vetzuren van het omega-3 en omega-6 type belangrijk zijn om ons aderstelsel in goede conditie te houden en zelfs om depressies te voorkomen.
Wie kan dat nog allemaal goed doseren?
Zoals ik bij het begin al zei: het leven wordt er niet eenvoudiger op!
zaterdag 26 mei 2012
Over vitamine D, de zon en levertraan
Bij een recent bloedonderzoek bleek dat Mia een licht vitamine-D tekort had.
Dat is tegenwoordig snel opgelost: gedurende enige tijd wekelijks een ampulletje D-Cure innemen tot de voorraad weer aangevuld is.
”En veel in de zon lopen en regelmatig vis eten” zei de dokter nog.
Toen ik dat hoorde kwam het bij mij weer allemaal naar boven: mijn jaren ‘50 in Merelbeke…
Ik heb mijn moederke het verhaal dikwijls horen vertellen.
Mijn broer Toine, die vijf jaar jonger is dan ik, had last van O-benen.
Nu spreekt men van rachitis, maar dat woord heb ik toen nooit gehoord. Rachitis is meestal een gevolg van tekort aan vitamine D en calcium.
Onze huisdokter wist een afdoende remedie: “Laat hem maar veel in de zon spelen en geef hem dagelijks een lepel levertraan” zei hij.
In de zon spelen was geen probleem, maar die lepel levertraan, dat was een dagelijks drama.
Bah ! Ik zie “onzen Toine” zich nog wenend schudden telkens als hij het plakkerige goedje moest naar binnen slikken.
Was er dan geen andere bron voor vitamine D?
D-Cure bestond toen nog niet. En er zijn weinig voedingsmiddelen die vitamine D bevatten.
Je vindt het in vette vis zoals haring en makreel en in beperkte mate in eierdooiers.
Maar de bron bij uitstek was (en is) de olie gemaakt uit de lever van kabeljauw: levertraan.
En de zon!
Want de UV-B-stralen van het zonlicht zorgen in de huid voor de omzetting van cholesterol in vitamine D.
In feite is het wat ingewikkelder: in de huid wordt uit een cholesterolderivaat (7-dehydroxycholesterol) vitamine D3 (cholecalciferol) gevormd. En dat D3 wordt in de lever omgezet in de actieve vorm van vitamine D.
Deze actieve vorm van vitamine D is eigenlijk een hormoon, met een regelende invloed op o.a. het calcium- en fosfaatgehalte in ons lichaam en ons immuunsysteem.
De zon is dus essentieel om ons vitamine D-gehalte op peil te houden.
Als je dan weet dat zonnecrèmes met hoge beschermingsfactoren om huidkankers te voorkomen, vrijwel alle UV-B wegfilteren, dan zie je het dilemma!
Enfin: “onzen Toine” heeft al lang geen O-benen meer.
En Mia moet gelukkig geen levertraan slikken.
Ik zal haar wel regelmatig in de zon laten spelen, maar niet te lang…
Dat is tegenwoordig snel opgelost: gedurende enige tijd wekelijks een ampulletje D-Cure innemen tot de voorraad weer aangevuld is.
”En veel in de zon lopen en regelmatig vis eten” zei de dokter nog.
Toen ik dat hoorde kwam het bij mij weer allemaal naar boven: mijn jaren ‘50 in Merelbeke…
Ik heb mijn moederke het verhaal dikwijls horen vertellen.
Mijn broer Toine, die vijf jaar jonger is dan ik, had last van O-benen.
Nu spreekt men van rachitis, maar dat woord heb ik toen nooit gehoord. Rachitis is meestal een gevolg van tekort aan vitamine D en calcium.
Onze huisdokter wist een afdoende remedie: “Laat hem maar veel in de zon spelen en geef hem dagelijks een lepel levertraan” zei hij.
In de zon spelen was geen probleem, maar die lepel levertraan, dat was een dagelijks drama.
Bah ! Ik zie “onzen Toine” zich nog wenend schudden telkens als hij het plakkerige goedje moest naar binnen slikken.
Was er dan geen andere bron voor vitamine D?
D-Cure bestond toen nog niet. En er zijn weinig voedingsmiddelen die vitamine D bevatten.
Je vindt het in vette vis zoals haring en makreel en in beperkte mate in eierdooiers.
Maar de bron bij uitstek was (en is) de olie gemaakt uit de lever van kabeljauw: levertraan.
En de zon!
Want de UV-B-stralen van het zonlicht zorgen in de huid voor de omzetting van cholesterol in vitamine D.
In feite is het wat ingewikkelder: in de huid wordt uit een cholesterolderivaat (7-dehydroxycholesterol) vitamine D3 (cholecalciferol) gevormd. En dat D3 wordt in de lever omgezet in de actieve vorm van vitamine D.
Deze actieve vorm van vitamine D is eigenlijk een hormoon, met een regelende invloed op o.a. het calcium- en fosfaatgehalte in ons lichaam en ons immuunsysteem.
De zon is dus essentieel om ons vitamine D-gehalte op peil te houden.
Als je dan weet dat zonnecrèmes met hoge beschermingsfactoren om huidkankers te voorkomen, vrijwel alle UV-B wegfilteren, dan zie je het dilemma!
Enfin: “onzen Toine” heeft al lang geen O-benen meer.
En Mia moet gelukkig geen levertraan slikken.
Ik zal haar wel regelmatig in de zon laten spelen, maar niet te lang…
woensdag 21 maart 2012
Krabben zijn goud waard
In mijn puzzeltje van vorige vrijdag speelden krabben een klein rolletje.
Maar in de moderne geneeskunde kunnen ze zeer binnenkort een super hoofdrol gaan spelen.
Een groep biochemici van de Technische Universität Wien onder leiding van prof. Astrid Mach-Aigner, zijn er immers in geslaagd om uit het pantser van krabben met hoge opbrengst en op een goedkope manier het peperdure anti-virusmiddel NANA (N-acetylneuraminic acid) te maken.
NANA, en de derivaten ervan, zijn zeer efficiënte middelen voor het behandelen van virale infecties zoals Aids (HIV), hepatitis B en C enz.
Antivirale middelen proberen virussen uit te schakelen door hen te beletten zich verder te ontwikkelen. Maar ze zijn ontzettend duur omwille van de hoge kosten om ze uit natuurlijke bronnen te extraheren of om ze synthetisch te produceren.
NANA kost om en nabij de € 2000,00 per gram! Dat is 50 maal meer dan goud!
De Weense onderzoekers zijn er in geslaagd om de veel voorkomende schimmel Trichoderma, genetisch zo te manipuleren dat hij uit het chitine van (o.a.) het krabbenpantser, NANA maakt.
De bronnen zijn dus in overvloed aanwezig: Trichoderma is in alle bodems te vinden en is gemakkelijk cultiveerbaar. En chitine is aanwezig in de pantsers van alle schaaldieren, kevers enz.
Men schat dat er alleen al in zee jaarlijks 10 miljard ton chitine gevormd wordt.
De kostprijs van NANA zal dus wel snel dalen.
Zal de krabprijs nu snel stijgen?
Krabben zijn in deze context in elk geval veel goud waard!
Maar in de moderne geneeskunde kunnen ze zeer binnenkort een super hoofdrol gaan spelen.
Een groep biochemici van de Technische Universität Wien onder leiding van prof. Astrid Mach-Aigner, zijn er immers in geslaagd om uit het pantser van krabben met hoge opbrengst en op een goedkope manier het peperdure anti-virusmiddel NANA (N-acetylneuraminic acid) te maken.
NANA, en de derivaten ervan, zijn zeer efficiënte middelen voor het behandelen van virale infecties zoals Aids (HIV), hepatitis B en C enz.
Antivirale middelen proberen virussen uit te schakelen door hen te beletten zich verder te ontwikkelen. Maar ze zijn ontzettend duur omwille van de hoge kosten om ze uit natuurlijke bronnen te extraheren of om ze synthetisch te produceren.
NANA kost om en nabij de € 2000,00 per gram! Dat is 50 maal meer dan goud!
De Weense onderzoekers zijn er in geslaagd om de veel voorkomende schimmel Trichoderma, genetisch zo te manipuleren dat hij uit het chitine van (o.a.) het krabbenpantser, NANA maakt.
De bronnen zijn dus in overvloed aanwezig: Trichoderma is in alle bodems te vinden en is gemakkelijk cultiveerbaar. En chitine is aanwezig in de pantsers van alle schaaldieren, kevers enz.
Men schat dat er alleen al in zee jaarlijks 10 miljard ton chitine gevormd wordt.
De kostprijs van NANA zal dus wel snel dalen.
Zal de krabprijs nu snel stijgen?
Krabben zijn in deze context in elk geval veel goud waard!
zondag 13 november 2011
Wat ik niet wist en binnenkort geen probleem meer is
Ik slik al een paar jaar statines om het cholesterolgehalte in mijn bloed onder controle te houden.
In mijn geval is dat Lipitor met atorvastatine als essentieel bestanddeel.
Je kon het verwachten: als chemicus kan ik niet nalaten om jullie met de mooie structuurformule van deze wonderstof te vermeien:
En als toemaatje doe ik er ook nog eens de schitterende echte systematische chemienaam bij.
Verschiet maar niet: 7-[2-(4-fluorofenyl)-3-fenyl-4-(fenylcarbamoyl) -5-propaan-2-yl-pyrrol-1-y l]-3,5- dihydroxyheptaanzuur…
Maar wat ik niet wist (?!) is dat statines zoals atorvastatine niet mogen ingenomen worden met pompelmoezen en grapefruit (een kruising tussen pompelmoezen en appelsienen)
Pompelmoezen en grapfruit bevatten furanocoumarines zoals bergamottine
En die stoffen beïnvloeden de werkzame dosis van de meeste statines, waardoor er gevaarlijke situaties zouden kunnen ontstaan.
Slik je Lipitor of Zocor of Mevacor of … ? Oké maar dan nooit met pompelmoes- of grapefruitsap !
Of toch?
Want genetici van de University of California hebben door kruisingen een nieuw type grapefruit bekomen dat geen of zeer weinig furanocoumarines bevat. De nieuwe vruchten zijn op de koop toe nog pitloos.
"Main raatjen wa wilde nog mier" zou men in Gent zeggen.
Je kan het verslag van hun werk vinden in het Journal of the American Society for Horticultural Science.
Voilà, het statine-grapefruit-probleem is van de baan.
Maar voor mij is het er eigenlijk nooit één geweest.
Ik neem mijn Lipitor vóór het slapengaan met gewoon kraantjeswater.
Met pompelmoessap?
Ik denk er nog niet aan. Bah!
In mijn geval is dat Lipitor met atorvastatine als essentieel bestanddeel.
Je kon het verwachten: als chemicus kan ik niet nalaten om jullie met de mooie structuurformule van deze wonderstof te vermeien:
En als toemaatje doe ik er ook nog eens de schitterende echte systematische chemienaam bij.
Verschiet maar niet: 7-[2-(4-fluorofenyl)-3-fenyl-4-(fenylcarbamoyl) -5-propaan-2-yl-pyrrol-1-y l]-3,5- dihydroxyheptaanzuur…
Maar wat ik niet wist (?!) is dat statines zoals atorvastatine niet mogen ingenomen worden met pompelmoezen en grapefruit (een kruising tussen pompelmoezen en appelsienen)
Pompelmoezen en grapfruit bevatten furanocoumarines zoals bergamottine
En die stoffen beïnvloeden de werkzame dosis van de meeste statines, waardoor er gevaarlijke situaties zouden kunnen ontstaan.
Slik je Lipitor of Zocor of Mevacor of … ? Oké maar dan nooit met pompelmoes- of grapefruitsap !
Of toch?
Want genetici van de University of California hebben door kruisingen een nieuw type grapefruit bekomen dat geen of zeer weinig furanocoumarines bevat. De nieuwe vruchten zijn op de koop toe nog pitloos.
"Main raatjen wa wilde nog mier" zou men in Gent zeggen.
Je kan het verslag van hun werk vinden in het Journal of the American Society for Horticultural Science.
Voilà, het statine-grapefruit-probleem is van de baan.
Maar voor mij is het er eigenlijk nooit één geweest.
Ik neem mijn Lipitor vóór het slapengaan met gewoon kraantjeswater.
Met pompelmoessap?
Ik denk er nog niet aan. Bah!
woensdag 9 november 2011
Stresshaas? Een beetje CO is goed voor u!
We zullen Frank Deboosere ons binnenkort wel weer regelmatig horen waarschuwen: let op voor CO-vergiftiging.
Bij mistig herfstweer treedt er immers gemakkelijk temperatuursinversie op.
Dat wil zeggen dat de onderste luchtlagen kouder zijn dan de lagen erboven. Daardoor zullen verbrandingsgassen van kachels en andere stoven moeilijk kunnen opstijgen.
Er treedt terugslag op, waardoor de vuile verbrandingslucht terug de kamer induikt.
En als de verbranding met onvoldoende zuurstoftoevoer gebeurd is, bevatten die terugslaggassen hoge concentraties aan CO, het giftige koolstofmonoxide.
Komt daarbij dat CO een reuk- en kleurloos gas is, waardoor we het zelf niet kunnen waarnemen.
Opletten geblazen dus.
Zorg voor voldoende verluchting en ventilatie als je verbrandingstoestellen gebruikt.
Maar…
Iedere medaille heeft zijn keerzijde, ook de negatieve keerzijde van CO!
Prof. Itzhak Schnell van de Universiteit van Tel Aviv heeft ontdekt dat lage concentraties aan CO in de lucht een positief verdovend effect kunnen hebben voor mensen die in lawaaierige omgevingen wonen.
Stadsbewoners kunnen dus door een zeer lichte CO-intoxicatie (inademen van 1 à 15 ppm per half uur) blijkbaar de stresserende omgeving beter verwerken.
Zo zie je maar dat we weer met Johan Cruijff kunnen zeggen: “Elk nadeel heb z'n voordeel”.
Toch gelukkig dat we hier in Romershoven (voorlopig) niet veel lichte CO-intoxicatie nodig hebben…
Bij mistig herfstweer treedt er immers gemakkelijk temperatuursinversie op.
Dat wil zeggen dat de onderste luchtlagen kouder zijn dan de lagen erboven. Daardoor zullen verbrandingsgassen van kachels en andere stoven moeilijk kunnen opstijgen.
Er treedt terugslag op, waardoor de vuile verbrandingslucht terug de kamer induikt.
En als de verbranding met onvoldoende zuurstoftoevoer gebeurd is, bevatten die terugslaggassen hoge concentraties aan CO, het giftige koolstofmonoxide.
Komt daarbij dat CO een reuk- en kleurloos gas is, waardoor we het zelf niet kunnen waarnemen.
Opletten geblazen dus.
Zorg voor voldoende verluchting en ventilatie als je verbrandingstoestellen gebruikt.
Maar…
Iedere medaille heeft zijn keerzijde, ook de negatieve keerzijde van CO!
Prof. Itzhak Schnell van de Universiteit van Tel Aviv heeft ontdekt dat lage concentraties aan CO in de lucht een positief verdovend effect kunnen hebben voor mensen die in lawaaierige omgevingen wonen.
Stadsbewoners kunnen dus door een zeer lichte CO-intoxicatie (inademen van 1 à 15 ppm per half uur) blijkbaar de stresserende omgeving beter verwerken.
Zo zie je maar dat we weer met Johan Cruijff kunnen zeggen: “Elk nadeel heb z'n voordeel”.
Toch gelukkig dat we hier in Romershoven (voorlopig) niet veel lichte CO-intoxicatie nodig hebben…
zondag 22 mei 2011
Wat zegt ge?
Ik stam nog uit de tijd van vóór de seksuele revolutie.
Van uit de tijd dat onze ouders op het rechte pad gehouden werden door de regelmatig terugkerende "Missies" waarin de paters Redemptoristen (en andere tisten) hen met donderpreken op hun (o.a.) seksuele plichten wezen.
Van uit de tijd waar we er moesten op letten om niet teveel aandacht aan het “midden-onderste deel” van ons eigen lichaam en dat van anderen te besteden.
Want van teveel… (vul maar in) werd je blind.
Of doof.
En toen kwam die revolutie.
Alle seksuele taboes gingen de prullenmand in.
Men wond nergens nog doekjes om.
Voor wie daar nood aan had, kon alles.
En voor als het niet goed meer kon, kwamen er wel hulpmiddeltjes.
Zoals Viagra bijvoorbeeld.

Maar ik verschoot mij een lelijke bult toen ik gisteren las wat onderzoekers in The Laryngoscope gepubliceerd hebben: van (teveel?) Viagra gebruiken wordt je doof!
Geloof me nu wat!
Gods wegen zijn echt ondoorgrondelijk!
Zouden die paters Redemptoristen (en andere tisten) dan toch gelijk gehad hebben?
En hoe zit het? Heb jij al een hoorapparaatje nodig?
Van uit de tijd dat onze ouders op het rechte pad gehouden werden door de regelmatig terugkerende "Missies" waarin de paters Redemptoristen (en andere tisten) hen met donderpreken op hun (o.a.) seksuele plichten wezen.
Van uit de tijd waar we er moesten op letten om niet teveel aandacht aan het “midden-onderste deel” van ons eigen lichaam en dat van anderen te besteden.
Want van teveel… (vul maar in) werd je blind.
Of doof.
En toen kwam die revolutie.
Alle seksuele taboes gingen de prullenmand in.
Men wond nergens nog doekjes om.
Voor wie daar nood aan had, kon alles.
En voor als het niet goed meer kon, kwamen er wel hulpmiddeltjes.
Zoals Viagra bijvoorbeeld.
Maar ik verschoot mij een lelijke bult toen ik gisteren las wat onderzoekers in The Laryngoscope gepubliceerd hebben: van (teveel?) Viagra gebruiken wordt je doof!
Geloof me nu wat!
Gods wegen zijn echt ondoorgrondelijk!
Zouden die paters Redemptoristen (en andere tisten) dan toch gelijk gehad hebben?
En hoe zit het? Heb jij al een hoorapparaatje nodig?
donderdag 17 februari 2011
Teken? Geen probleem meer!
Op vraag van het bestuur van onze Romershovense wandelclub De Rommelaar, hebben dorpsgenoot Jos en ik, 4 maanden lang, elke maandagavond een cursus EHBO gevolgd.
En we hebben ons diploma op zak.
Onze wandelclub zou nu moeten in staat zijn om eerste hulp te bieden als zich een ongeval voordoet.
Laat ons hopen dat dit nooit nodig zal zijn, toch niet voor een ernstig voorval.
Wandelen in de vrije natuur is zonder twijfel heerlijk gezond, maar het brengt ook een paar risico’s mee. De meest voor de hand liggende wandelkwalen kennen we: voetblaren en soms eens een verstuiking.
Maar ook teken jagen de laatste jaren wandelaars de stuipen op het lijf.
Het gevaar van die bloedzuigende vieze beestjes zit in het feit dat ze de ziekte van Lyme kunnen overbrengen. En die ziekte kan jarenlange aandoeningen van hart, hersenen en spieren veroorzaken.
Maar wie in Romershoven en omgeving komt wandelen, kan gerust zijn: Jos en ik weten nu hoe we die booswichten moeten aanpakken.
Met de tekenpincet in de hand pulken we de onverlaten zonder problemen los uit uw vel.

“Nooit draaien met het pincet als je de teek vasthebt” zei onze leraar, “want dan blijft er waarschijnlijk een stukje van het beestje zitten”.
”De teek met een soepele kantelbeweging uit de huid halen” legde hij uit, “precies zoals je een kroonkurk met een aftrekker van een flesje bier trekt”.
Die beeldrijke taal sprak ons aan. Ze bracht Jos en mij op bekend terrein: van kroonkurken en bierflesjes kennen we veel, zoniet alles.
Laat de teken maar komen! We zullen elke bestuursvergadering met kroonkurken oefenen, da’s beloofd.
Kom dus zonder zorgen meewandelen op zaterdag 26 februari a.s. van 7u. tot 15u. op onze 14de Romelarentocht in de schitterende omgeving van de Kluis van Vrijhern, het Wijngaardbos en het kasteel van Hardelingen.
Je kan kiezen voor uitgestippelde tochten van 4 – 8 – 12 – 20 km .
Vertrek en aankomst in de Sint-Hubertuszaal te Sint-Huibrechts-Hern.
Nog meer info vind je op de website van de Rommelaar.
Tot dan!
En we hebben ons diploma op zak.
Onze wandelclub zou nu moeten in staat zijn om eerste hulp te bieden als zich een ongeval voordoet.
Laat ons hopen dat dit nooit nodig zal zijn, toch niet voor een ernstig voorval.
Wandelen in de vrije natuur is zonder twijfel heerlijk gezond, maar het brengt ook een paar risico’s mee. De meest voor de hand liggende wandelkwalen kennen we: voetblaren en soms eens een verstuiking.
Maar ook teken jagen de laatste jaren wandelaars de stuipen op het lijf.
Het gevaar van die bloedzuigende vieze beestjes zit in het feit dat ze de ziekte van Lyme kunnen overbrengen. En die ziekte kan jarenlange aandoeningen van hart, hersenen en spieren veroorzaken.
Maar wie in Romershoven en omgeving komt wandelen, kan gerust zijn: Jos en ik weten nu hoe we die booswichten moeten aanpakken.
Met de tekenpincet in de hand pulken we de onverlaten zonder problemen los uit uw vel.
“Nooit draaien met het pincet als je de teek vasthebt” zei onze leraar, “want dan blijft er waarschijnlijk een stukje van het beestje zitten”.
”De teek met een soepele kantelbeweging uit de huid halen” legde hij uit, “precies zoals je een kroonkurk met een aftrekker van een flesje bier trekt”.
Die beeldrijke taal sprak ons aan. Ze bracht Jos en mij op bekend terrein: van kroonkurken en bierflesjes kennen we veel, zoniet alles.
Laat de teken maar komen! We zullen elke bestuursvergadering met kroonkurken oefenen, da’s beloofd.
Kom dus zonder zorgen meewandelen op zaterdag 26 februari a.s. van 7u. tot 15u. op onze 14de Romelarentocht in de schitterende omgeving van de Kluis van Vrijhern, het Wijngaardbos en het kasteel van Hardelingen.
Je kan kiezen voor uitgestippelde tochten van 4 – 8 – 12 – 20 km .
Vertrek en aankomst in de Sint-Hubertuszaal te Sint-Huibrechts-Hern.
Nog meer info vind je op de website van de Rommelaar.
Tot dan!
dinsdag 15 februari 2011
LED-problemen
Je kan er niet naast kijken: de LED’s zijn in opmars.
Van LED-lampen tot LED-TV’s, je begint ze overal te zien.
Vorige zaterdag waren ze nog tegen een zacht prijsje te koop in de Aldi:
Die toepassingen van Light Emitting Diodes worden door de reclamejongens en -meisjes voorgesteld als de ecologisch betere opvolgers van gloeilampen, spaarlampen, buislamp-TV’s, LCD- en Plasma-TV’s enz.
Maar of hun ecologische meerwaarde zoveel hoger is dan die van hun recente voorgangers (spaarlampen, LCD-TV’s,...)? Het is nog maar de vraag.
Misschien zijn LED-lampen wel zuiniger in energieverbruik, hebben ze een langere levensduur en bevatten ze, in tegenstelling tot spaarlampen, geen kwik.
Maar er zijn andere milieuproblemen gesignaleerd.
In Environmental Science and Technology van januari maken wetenschappers van de University of California zich zorgen over de aanwezigheid van lood, arsenicum en een resem andere potentieel gevaarlijke stoffen in de LED’s.
Het volledige artikel is hier te lezen en te downloaden.
De aanwezige metalen zijn inderdaad in het verleden dikwijls gelinkt aan neurologische aandoeningen, nierziekten, kankers,…
Volgens de wetenschappers zou men bij het breken van LED-lampen dezelfde veiligheidsvoorschriften moeten in acht nemen als bij het breken van TL-lampen.
Er zou ook een inleverplicht op containerparken moeten komen.
Nu kunnen LED-lampen met het gewone afval meegegeven worden dat aan huis wordt opgehaald. En zacht worden die vuilzakken niet behandeld. De kans dat zich breken gevaarlijke concentraties giftige en schadelijke metalen verspreiden is bijgevolg groot.
LED’s zonder problemen? Vergeet het maar.
Van LED-lampen tot LED-TV’s, je begint ze overal te zien.
Vorige zaterdag waren ze nog tegen een zacht prijsje te koop in de Aldi:
Die toepassingen van Light Emitting Diodes worden door de reclamejongens en -meisjes voorgesteld als de ecologisch betere opvolgers van gloeilampen, spaarlampen, buislamp-TV’s, LCD- en Plasma-TV’s enz.
Maar of hun ecologische meerwaarde zoveel hoger is dan die van hun recente voorgangers (spaarlampen, LCD-TV’s,...)? Het is nog maar de vraag.
Misschien zijn LED-lampen wel zuiniger in energieverbruik, hebben ze een langere levensduur en bevatten ze, in tegenstelling tot spaarlampen, geen kwik.
Maar er zijn andere milieuproblemen gesignaleerd.
In Environmental Science and Technology van januari maken wetenschappers van de University of California zich zorgen over de aanwezigheid van lood, arsenicum en een resem andere potentieel gevaarlijke stoffen in de LED’s.
Het volledige artikel is hier te lezen en te downloaden.
De aanwezige metalen zijn inderdaad in het verleden dikwijls gelinkt aan neurologische aandoeningen, nierziekten, kankers,…
Volgens de wetenschappers zou men bij het breken van LED-lampen dezelfde veiligheidsvoorschriften moeten in acht nemen als bij het breken van TL-lampen.
Er zou ook een inleverplicht op containerparken moeten komen.
Nu kunnen LED-lampen met het gewone afval meegegeven worden dat aan huis wordt opgehaald. En zacht worden die vuilzakken niet behandeld. De kans dat zich breken gevaarlijke concentraties giftige en schadelijke metalen verspreiden is bijgevolg groot.
LED’s zonder problemen? Vergeet het maar.
donderdag 3 februari 2011
Eet meer broccoli
In het verlengde van de spinazie-les van vorige week, wil ik het het vandaag over broccoli hebben.

Tijdens de kookles bij de Romershovense Landelijke Gilden vorige donderdag, leerden we immers witloof- en broccolisoep klaarmaken.
Broccoli is niet alleen één van mijn favorieten, het is op de koop toe ook een erg gezonde groente.
Men vermoedde al dat broccoli, bloemkool en waterkers het risico op sommige kankers vermindert, maar men wist nog niet goed hoe dat kwam.
Maar in een recent artikel in het Journal of Medicinal Chemistry is daar meer opheldering over gegeven.
Ik probeer het artikel samen te vatten.
In onze cellen worden eiwitten aangemaakt op basis van de code die in een stuk DNA aanwezig is. Zo’n stuk DNA noemt men een gen.
Eiwitten die gecodeerd worden door een bepaald gen, het p53-gen, beschermen ons tegen de ontwikkeling van allerlei kankers.
Maar van zodra gen p53 defecten vertoont (“gemuteerd is” zegt men) worden er ook andere, defecte eiwitten gemaakt, die de beschermende eiwitten onderdrukken.
Kanker kan dus zijn gang gaan.
Het blijkt nu zo te zijn dat een mutatie van gen p53 in vrijwel de helft van de bekende kankers optreedt.
De onderzoekers hebben nu ontdekt dat een eenvoudige groep chemische verbindingen met een rare (moeilijke?) naam, de iso-thiocyanaten (ITC’s), de defecte eiwitten blokkeren, waardoor de helende eiwitten hun goede werk kunnen blijven doen.
En laat die isothiocyanaten nu precies veelvuldig in broccoli voorkomen!
De gouden raad ligt voor de hand: doe zoals wij in de Romershovense kookles: eet meer broccoli. Hetzij in de soep, hetzij in een lekkere quiche.

Smakelijk!
Tijdens de kookles bij de Romershovense Landelijke Gilden vorige donderdag, leerden we immers witloof- en broccolisoep klaarmaken.
Broccoli is niet alleen één van mijn favorieten, het is op de koop toe ook een erg gezonde groente.
Men vermoedde al dat broccoli, bloemkool en waterkers het risico op sommige kankers vermindert, maar men wist nog niet goed hoe dat kwam.
Maar in een recent artikel in het Journal of Medicinal Chemistry is daar meer opheldering over gegeven.
Ik probeer het artikel samen te vatten.
In onze cellen worden eiwitten aangemaakt op basis van de code die in een stuk DNA aanwezig is. Zo’n stuk DNA noemt men een gen.
Eiwitten die gecodeerd worden door een bepaald gen, het p53-gen, beschermen ons tegen de ontwikkeling van allerlei kankers.
Maar van zodra gen p53 defecten vertoont (“gemuteerd is” zegt men) worden er ook andere, defecte eiwitten gemaakt, die de beschermende eiwitten onderdrukken.
Kanker kan dus zijn gang gaan.
Het blijkt nu zo te zijn dat een mutatie van gen p53 in vrijwel de helft van de bekende kankers optreedt.
De onderzoekers hebben nu ontdekt dat een eenvoudige groep chemische verbindingen met een rare (moeilijke?) naam, de iso-thiocyanaten (ITC’s), de defecte eiwitten blokkeren, waardoor de helende eiwitten hun goede werk kunnen blijven doen.
En laat die isothiocyanaten nu precies veelvuldig in broccoli voorkomen!
De gouden raad ligt voor de hand: doe zoals wij in de Romershovense kookles: eet meer broccoli. Hetzij in de soep, hetzij in een lekkere quiche.
Smakelijk!
dinsdag 1 februari 2011
Nog beter dan je dacht: omega-3!
Omega-3 is voor niemand nog een onbekende.
Onze margarine-doosjes puilen uit van de “goed voor het hart”-slogans als er omega-3 (en omega-6) in aanwezig is.
Ik heb het hier op 22 maart 2009 al eens uitgebreid over omega-3 en omega-6 gehad.
Voor een scheikundige behoren deze relatief eenvoudige stoffen tot de poly-onverzadigde vetzuren:
Men neemt aan dat die vetzuren niet zozeer cholesterol-verlagend werken, maar vooral op de één of andere wijze de conditie van ons aderstelsel verbeteren.
Aangezien ons lichaam ze niet zelf kan aanmaken, moeten we ze maar uit onze voeding halen: we vinden ze in de omega-margarines op onze boterham, maar ook in zeevis en… okkernoten.
Maar er is meer!
Eergisteren (ze werken daar dus ook op zondag!) werd in Nature Neuroscience een artikel gepubliceerd waaruit blijkt dat omega-3 ook een belangrijke rol speelt in het voorkomen van depressies !
Om het artikel volledig gratis op internet te lezen, moet je hier klikken.
De Franse wetenschappers van het Unité Inserm's Neurocentre Magendie, koppelen hiermee duidelijk voeding aan geestelijk welbevinden.
De aanduidingen die er al waren over die link, worden door dit onderzoek versterkt.
Bij zoverre dat men het bepalen van het omega-3-gehalte in bloed gaat gebruiken bij de diagnose van depressies.

Mogen we dus binnenkort een anti-depressie-Becel verwachten?
Of eten we gewoon een paar okkernoten meer als we ons een beetje down beginnen voelen?
Onze margarine-doosjes puilen uit van de “goed voor het hart”-slogans als er omega-3 (en omega-6) in aanwezig is.
Ik heb het hier op 22 maart 2009 al eens uitgebreid over omega-3 en omega-6 gehad.
Voor een scheikundige behoren deze relatief eenvoudige stoffen tot de poly-onverzadigde vetzuren:
Men neemt aan dat die vetzuren niet zozeer cholesterol-verlagend werken, maar vooral op de één of andere wijze de conditie van ons aderstelsel verbeteren.
Aangezien ons lichaam ze niet zelf kan aanmaken, moeten we ze maar uit onze voeding halen: we vinden ze in de omega-margarines op onze boterham, maar ook in zeevis en… okkernoten.
Maar er is meer!
Eergisteren (ze werken daar dus ook op zondag!) werd in Nature Neuroscience een artikel gepubliceerd waaruit blijkt dat omega-3 ook een belangrijke rol speelt in het voorkomen van depressies !
Om het artikel volledig gratis op internet te lezen, moet je hier klikken.
De Franse wetenschappers van het Unité Inserm's Neurocentre Magendie, koppelen hiermee duidelijk voeding aan geestelijk welbevinden.
De aanduidingen die er al waren over die link, worden door dit onderzoek versterkt.
Bij zoverre dat men het bepalen van het omega-3-gehalte in bloed gaat gebruiken bij de diagnose van depressies.
Mogen we dus binnenkort een anti-depressie-Becel verwachten?
Of eten we gewoon een paar okkernoten meer als we ons een beetje down beginnen voelen?
donderdag 6 januari 2011
Hoe trager je stapt, hoe sneller je…
Een paar dagen geleden is in het wetenschappelijk tijdschrift Journal of the American Medical Association (JAMA) een merkwaardige studie gepubliceerd.
Uit die studie blijkt namelijk dat er een duidelijk verband bestaat tussen de snelheid waarmee 65-plussers wandelen en hun levensverwachting!
En natuurlijk: hoe trager er gestapt wordt, hoe korter je nog te gaan hebt.
Intuïtief kan je dat natuurlijk erg logisch vinden: wie nog flink kan doorstappen, zal nog wel in een goede conditie zijn en bijgevolg betere levenskansen hebben.
Maar de studie gaat toch een heel stuk verder dan zo’n eenvoudige boerenwijsheid.
Bepaling van de wandelsnelheid met een nauwkeurigheid tot op 0,1 meter/seconde, blijkt een parameter op te leveren, die in combinatie met leeftijd en geslacht, evenveel waard is als een hele batterij andere indicatoren samen.
Bedenk dat die snelheid een meetwaarde is en geen “intuïtief aanvoelen”
Dus in plaats van andere meetwaarden zoals bloeddrukmetingen, BMI-bepalingen, rookgewoonten en aantal hospitalisaties enz. te gebruiken, kan je dokter maar beter eens uw tijd over de 100 m (of...10 m..) chronometreren.
Volgens de studie kan hij daarmee evenveel aan de weet komen in verband met de tijd die je nog rest.
Van de 34.485 volwassen van 65 jaar en ouder die in de studie werden gevolgd, was voor wandelaars met een gemiddelde wandelsnelheid van 0,8 m/s de levensverwachting in overeenkomst met de gemiddelde levensverwachting van hun leeftijd en geslacht.
Maar wie 1 m/s wandelde had al direct een beduidend betere verwachting.
Als 65-plusser en als bestuurslid van de Romershovense wandelclub De Rommelaar, spreekt die studie mij uiteraard bijzonder aan.
Maar we moeten opletten dat we de zaken niet omdraaien: snelle stappers kunnen wellicht wat langer doorgaan en blijkbaar kan er zelfs gemeten worden hoeveel langer.
Maar sneller gaan stappen, doet je niet noodzakelijk langer leven.
Toch zal ik ze allemaal eens goed observeren bij mijn eerstvolgende wandeltocht…
Uit die studie blijkt namelijk dat er een duidelijk verband bestaat tussen de snelheid waarmee 65-plussers wandelen en hun levensverwachting!
En natuurlijk: hoe trager er gestapt wordt, hoe korter je nog te gaan hebt.
Intuïtief kan je dat natuurlijk erg logisch vinden: wie nog flink kan doorstappen, zal nog wel in een goede conditie zijn en bijgevolg betere levenskansen hebben.
Maar de studie gaat toch een heel stuk verder dan zo’n eenvoudige boerenwijsheid.
Bepaling van de wandelsnelheid met een nauwkeurigheid tot op 0,1 meter/seconde, blijkt een parameter op te leveren, die in combinatie met leeftijd en geslacht, evenveel waard is als een hele batterij andere indicatoren samen.
Bedenk dat die snelheid een meetwaarde is en geen “intuïtief aanvoelen”
Dus in plaats van andere meetwaarden zoals bloeddrukmetingen, BMI-bepalingen, rookgewoonten en aantal hospitalisaties enz. te gebruiken, kan je dokter maar beter eens uw tijd over de 100 m (of...10 m..) chronometreren.
Volgens de studie kan hij daarmee evenveel aan de weet komen in verband met de tijd die je nog rest.
Van de 34.485 volwassen van 65 jaar en ouder die in de studie werden gevolgd, was voor wandelaars met een gemiddelde wandelsnelheid van 0,8 m/s de levensverwachting in overeenkomst met de gemiddelde levensverwachting van hun leeftijd en geslacht.
Maar wie 1 m/s wandelde had al direct een beduidend betere verwachting.
Als 65-plusser en als bestuurslid van de Romershovense wandelclub De Rommelaar, spreekt die studie mij uiteraard bijzonder aan.
Maar we moeten opletten dat we de zaken niet omdraaien: snelle stappers kunnen wellicht wat langer doorgaan en blijkbaar kan er zelfs gemeten worden hoeveel langer.
Maar sneller gaan stappen, doet je niet noodzakelijk langer leven.
Toch zal ik ze allemaal eens goed observeren bij mijn eerstvolgende wandeltocht…
donderdag 22 juli 2010
Grijze gedachten doen grijs zien
Wie zich een beetje (of veel) depressief voelt ziet zijn omgeving figuurlijk niet al te rooskleurig.
Overal lijken grijze wolken rond te drijven. Triestig is het allemaal.
Iedereen heeft dat al wel eens meegemaakt.
Maar gelukkig gaat het meestal vlug voorbij en komt de zon figuurlijk snel weer van achter de sombere wolken piepen.
Maar nu blijkt dat dit somber zien bij een trieste bui niet alleen een mentale ervaring is.
Het alles grijs zien bij een depressieve gemoedstoestand lijkt ook aan een fysieke realiteit te beantwoorden!
Onderzoekers van de Universiteit van Freiburg hebben aangetoond dat mensen met een depressie moeilijk zwart-wit contrasten kunnen onderscheiden.
Ze zien dus niet alleen geestelijk, maar ook letterlijk alles veel grijzer!
Het team onder leiding van Dr. Ludger Tebartz heeft vorige week (15 juli) zijn onderzoeksresultaten gepubliceerd in Biological Psychiatry
Een samenvatting kan je lezen in Scribd.
Er is volgens de onderzoekers zelfs een verband tussen de mate van contrastverlies en de graad van depressie.
Ze hopen op basis van hun bevindingen een objectieve methode te kunnen ontwikkelen om de mate van depressie te meten.
Zou ook het omgekeerde niet waar zijn: zou een grijze contrastloze omgeving, geen grijze gedachten veroorzaken?
Ik ben er bijna zeker van. Zelfs zonder geleerd onderzoek.
Zoek dus maar de zonzij!
Overal lijken grijze wolken rond te drijven. Triestig is het allemaal.
Iedereen heeft dat al wel eens meegemaakt.
Maar gelukkig gaat het meestal vlug voorbij en komt de zon figuurlijk snel weer van achter de sombere wolken piepen.
Maar nu blijkt dat dit somber zien bij een trieste bui niet alleen een mentale ervaring is.
Het alles grijs zien bij een depressieve gemoedstoestand lijkt ook aan een fysieke realiteit te beantwoorden!
Onderzoekers van de Universiteit van Freiburg hebben aangetoond dat mensen met een depressie moeilijk zwart-wit contrasten kunnen onderscheiden.
Ze zien dus niet alleen geestelijk, maar ook letterlijk alles veel grijzer!
Het team onder leiding van Dr. Ludger Tebartz heeft vorige week (15 juli) zijn onderzoeksresultaten gepubliceerd in Biological Psychiatry
Een samenvatting kan je lezen in Scribd.
Er is volgens de onderzoekers zelfs een verband tussen de mate van contrastverlies en de graad van depressie.
Ze hopen op basis van hun bevindingen een objectieve methode te kunnen ontwikkelen om de mate van depressie te meten.
Zou ook het omgekeerde niet waar zijn: zou een grijze contrastloze omgeving, geen grijze gedachten veroorzaken?
Ik ben er bijna zeker van. Zelfs zonder geleerd onderzoek.
Zoek dus maar de zonzij!
woensdag 7 juli 2010
Hoog IQ? Weinig parasieten!
Al onvoorstelbaar lang pijnigen geleerde mensen zich de hersenen om een duidelijk antwoord te vinden op de vraag waarom er zulke belangrijke verschillen in intelligentie voorkomen bij mensen.
Men zoekt het antwoord meestal in de verschillen in externe factoren: gezondheid, welstand, onderwijs, voeding, klimaat,…
Biologen van de University of New Mexico, Albuquerque USA, denken nu een nieuwe belangrijke externe factor ontdekt te hebben: infecties door parasieten!
Woensdag 30 juni publiceerden Christopher Eppig, Corey Fincher and Randy Thornhill, in Proceedings of the Royal Society, een artikel waarin ze stellen dat het voorkomen van infectieziekten veroorzaakt door parasieten, een belangrijke indicator is voor de gemiddelde intelligentie in een bepaalde regio.
Hun verklaring gaat als volgt.
De opbouw en ontwikkeling van het menselijk brein vraagt veel energie.
Bij baby's wordt volgens de onderzoekers 87% van de energie die vrijkomt door het metabolisme, gebruikt voor de opbouw en ontwikkeling van de hersenen. Bij 5-jarigen is dat nog 44%. Bij 10-jarigen 34%. En bij volwassenen 25%.
Dus onvoldoende of slecht uitgebalanceerde voeding en dus tekort aan energie, zal een negatieve invloed hebben op de hersenontwikkeling.
Maar ook alle processen die een deel van die nodige energie opslorpen, hebben een negatieve invloed op de ontwikkeling van de intellectuele groei.
Het bestrijden van parasieten en de daardoor veroorzaakte infectieziekten vraagt zeer veel energie van het lichaam. De ontwikkeling van de hersenen zal daardoor dus, vooral in de kinderjaren, zeer sterk gehypothekeerd worden door die infectieziekten.
De wereldwijde distributie van parasieten is bekend.
Parasieten die infectieziekten veroorzaken, komen meer voor in gebieden rond de evenaar en minder in gebieden en met hogere breedteligging.
Volgens de onderzoekers is er een "samenhang" tussen deze verdeling van parasieten en de verdeling van het gemiddelde IQ.
Ze wijzen er wel op dat hun statistisch onderzoek nog geen absoluut zeker oorzakelijk verband aantoont.
Er is dus verder onderzoek van hun hypothese noodzakelijk.
Toch belangrijk om weten dat bestrijden van parasieten wellicht het gemiddeld IQ kan verhogen.
Men zoekt het antwoord meestal in de verschillen in externe factoren: gezondheid, welstand, onderwijs, voeding, klimaat,…
Biologen van de University of New Mexico, Albuquerque USA, denken nu een nieuwe belangrijke externe factor ontdekt te hebben: infecties door parasieten!
Woensdag 30 juni publiceerden Christopher Eppig, Corey Fincher and Randy Thornhill, in Proceedings of the Royal Society, een artikel waarin ze stellen dat het voorkomen van infectieziekten veroorzaakt door parasieten, een belangrijke indicator is voor de gemiddelde intelligentie in een bepaalde regio.
Hun verklaring gaat als volgt.
De opbouw en ontwikkeling van het menselijk brein vraagt veel energie.
Bij baby's wordt volgens de onderzoekers 87% van de energie die vrijkomt door het metabolisme, gebruikt voor de opbouw en ontwikkeling van de hersenen. Bij 5-jarigen is dat nog 44%. Bij 10-jarigen 34%. En bij volwassenen 25%.
Dus onvoldoende of slecht uitgebalanceerde voeding en dus tekort aan energie, zal een negatieve invloed hebben op de hersenontwikkeling.
Maar ook alle processen die een deel van die nodige energie opslorpen, hebben een negatieve invloed op de ontwikkeling van de intellectuele groei.
Het bestrijden van parasieten en de daardoor veroorzaakte infectieziekten vraagt zeer veel energie van het lichaam. De ontwikkeling van de hersenen zal daardoor dus, vooral in de kinderjaren, zeer sterk gehypothekeerd worden door die infectieziekten.
De wereldwijde distributie van parasieten is bekend.
Parasieten die infectieziekten veroorzaken, komen meer voor in gebieden rond de evenaar en minder in gebieden en met hogere breedteligging.
Volgens de onderzoekers is er een "samenhang" tussen deze verdeling van parasieten en de verdeling van het gemiddelde IQ.
Ze wijzen er wel op dat hun statistisch onderzoek nog geen absoluut zeker oorzakelijk verband aantoont.
Er is dus verder onderzoek van hun hypothese noodzakelijk.
Toch belangrijk om weten dat bestrijden van parasieten wellicht het gemiddeld IQ kan verhogen.
zaterdag 26 juni 2010
Over oorsuizen en spookgeluiden
Ik heb er al een aantal jaren last van.
Van oorsuizingen.
Gelukkig is het (nog) niet overdreven erg.
Maar als ik er begin op te letten, is het om gek te worden.
Dat aanhoudend gesjirp van wel duizenden krekels.
De oorzaak van dit wel zeer irriterend probleem, waar miljoenen mensen last van hebben, is een beschadiging van de haarcellen in het slakkenhuis, een gebied in ons middenoor (zie beeld hierboven).
Zoiets kan het gevolg zijn van blootstelling aan te sterke geluiden.Maar ook van ouderdom…
De gevolgen van het niet meer functioneren van de haarcellen én een mogelijke remedie, zijn deze week (24 juni) door Joseph P. Rauschecker van het Georgetown University Medical Center beschreven in Neuron.
Een kopie van het artikel is als pdf-bestand beschikbaar.
Ik probeer samen te vatten.
De beschadigde haarcellen geven geen signalen meer door aan de hersenen. De hersenen ervaren (abnormale) stilte uit dat gebied.
En dan gebeurt er iets dat vergelijkbaar is met de fantoompijn bij mensen die een ledemaat verloren hebben: ze voelen nog pijn in een arm of been dat er niet meer is. Die fantoompijn wordt opgewekt omdat het lichaam geen signalen meer ontvangt van het verdwenen ledemaat.
In het geval van de afgestorven haarcellen gaat het om fantoomgeluiden: het gehoorcentrum wordt overactief omdat het niet overweg kan met het feit dat de haarcellen, tegen de verwachtingen in, geen signalen meer doorgeven.
Gevolg: we horen die overactiviteit als een tergend gesjirp (of een ander geluid).
Volgens Rauschecker ligt de oorzaak van de overactiviteit van het gehoorcentrum in het gebrek aan serotonine.
Serotonine is de stof die als communicatiemolecule (neurotransmitter) gebruikt wordt om boodschappen naar de hersenen te sturen, waardoor de activiteit van het gehoorcentrum gekalmeerd wordt en de spookgeluiden wegblijven.
Als Rauschecker gelijk zou hebben, is de redding wellicht nabij.
Want dan kan er, op basis van serotonine, voor medicatie gezorgd worden die het tekort opvangt.
Laat ons hopen!
Van oorsuizingen.
Gelukkig is het (nog) niet overdreven erg.
Maar als ik er begin op te letten, is het om gek te worden.
Dat aanhoudend gesjirp van wel duizenden krekels.
De oorzaak van dit wel zeer irriterend probleem, waar miljoenen mensen last van hebben, is een beschadiging van de haarcellen in het slakkenhuis, een gebied in ons middenoor (zie beeld hierboven).
Zoiets kan het gevolg zijn van blootstelling aan te sterke geluiden.Maar ook van ouderdom…
De gevolgen van het niet meer functioneren van de haarcellen én een mogelijke remedie, zijn deze week (24 juni) door Joseph P. Rauschecker van het Georgetown University Medical Center beschreven in Neuron.
Een kopie van het artikel is als pdf-bestand beschikbaar.
Ik probeer samen te vatten.
De beschadigde haarcellen geven geen signalen meer door aan de hersenen. De hersenen ervaren (abnormale) stilte uit dat gebied.
En dan gebeurt er iets dat vergelijkbaar is met de fantoompijn bij mensen die een ledemaat verloren hebben: ze voelen nog pijn in een arm of been dat er niet meer is. Die fantoompijn wordt opgewekt omdat het lichaam geen signalen meer ontvangt van het verdwenen ledemaat.
In het geval van de afgestorven haarcellen gaat het om fantoomgeluiden: het gehoorcentrum wordt overactief omdat het niet overweg kan met het feit dat de haarcellen, tegen de verwachtingen in, geen signalen meer doorgeven.
Gevolg: we horen die overactiviteit als een tergend gesjirp (of een ander geluid).
Volgens Rauschecker ligt de oorzaak van de overactiviteit van het gehoorcentrum in het gebrek aan serotonine.
Serotonine is de stof die als communicatiemolecule (neurotransmitter) gebruikt wordt om boodschappen naar de hersenen te sturen, waardoor de activiteit van het gehoorcentrum gekalmeerd wordt en de spookgeluiden wegblijven.
Als Rauschecker gelijk zou hebben, is de redding wellicht nabij.
Want dan kan er, op basis van serotonine, voor medicatie gezorgd worden die het tekort opvangt.
Laat ons hopen!
donderdag 3 juni 2010
Het multifocaal vallen bij oudjes
Bron foto: Paul’s Photostream - Flickr
Ik ben al jarenlang een brillendrager.
Van mijn 33ste tot mijn 60ste droeg ik contactlenzen.
Maar mijn oude ogen verdroegen die gemakkelijke dingen niet meer. Ik moest dus een vijftal jaar geleden willens nillens terug naar de bril.
Veel van mijn leeftijdsgenoten dragen tegenwoordig een bifocale bril. Een bril waarmee je zowel goed ziet in de verte als dichtbij.
Ik heb daar niet voor gekozen.
Mijn bril is monofocaal.
Hij helpt me alleen om de dingen op afstand scherp te zien.
En als ik ontspannen wil lezen, zet ik dat ding af. Want voor dichtbij werkt het niet
Nu ik (wat) ouder wordt lijkt dat niet zo’n slechte keuze geweest te zijn.
En hoe ouder, hoe minder een multifocale bril aangewezen lijkt te zijn.
Dat is niet alleen voor mij waar, maar voor iedereen die in de hogere leeftijdsregionen begint te vertoeven.
Een groep Australische dokters publiceerde vorige week in de Britisch Medical Journal een artikel waarin ze een aantal duidelijke nadelen van een multifocale bril aantonen.
Ze hebben gedurende 13 maanden 606 oudere mannen en vrouwen gevolgd die een multifocale bril gebruiken.
De helft van die groep mocht die bril blijven dragen tijdens de proefperiode, de andere helft kreeg een bril die alleen helpt bij ver zien. Een monofocale bril dus.
En wat bleek: in een vertrouwde omgeving (huiskamer, eigen tuin,…) waren er geen opvallende verschillen tussen de twee deelgroepen.
Maar bij buiten wandelen, weg van hun bekende omgeving, hadden dragers van een multifocale bril 40% meer last van valpartijen dan degenen die een gewone bril droegen.
Voor de onderzoekers ligt de oorzaak in het feit dat mensen die in een vreemde omgeving wandelen, de gewoonte hebben om naar de grond te kijken om hindernissen te vermijden. Wie dan een bifocale bril draagt, gebruikt dat deel van de bril dat voor lezen of dichtbij kijken geschikt is en niet voor verder weg. Hij ziet dan ook de worteltak of de put in de weg niet scherp.
En hup, daar gaat hij/zij…
Voilà oudjes.
Aan jullie dus de keuze: ofwel monofocaal vrolijk wandelen of multifocaal thuis blijven kniezen. Wat denk je?
dinsdag 1 juni 2010
Geen schrik meer voor de acuprik
Acupunctuur wordt in de Westerse wereld nogal sceptisch bekeken.
Hoe kunnen naalden die in je huid geprikt worden een helend effect hebben en pijn verlichten?
Wat het verlichten van pijn betreft, schijnt er nu toch meer inzicht te komen in het werkingsmechanisme.
Gisteren (30 mei) publiceerde een groep wetenschappers van de University of Rochester in het toptijdschrift Nature de resultaten van hun onderzoek.
Blijkbaar beschikten ze over een “kaart” met de ligging van de acupunctuurpunten bij een muis.
Want bij een muis die pijn had in een voetzooltje, prikten ze hun naalden in zo’n punt in de buurt van de pijnlijke plaats.
En ze vonden dat in de weefsels rond de plaats die aangeprikt werd, de concentratie aan adenosine opmerkelijk toenam.
Van adenosine is geweten dat het pijnprikkels naar de hersenen blokkeert.
Toen men de toename van adenosine in de buurt van de prik waarnam, lag een verklaring van de werking van de naalden voor het grijpen.
De naalden veroorzaken plaatselijk kleine verwondingen en het lichaam reageert door in de cellen in de buurt meer adenosine aan te maken, zodat de pijngewaarwording onderdrukt wordt.
Even voor de hand liggend is de conclusie van de onderzoeksgroep dat de pijnstillende werking van acupunctuur kan verlengd worden door toedienen van medicatie die de afbraak van adenosine afremt.
Of hoe kleine prikpijn ons van grote pijn verlost.
Heb dus maar geen schrik voor de acuprik.
zaterdag 29 mei 2010
Poets je hart
Tandenpoetsen behoort tot de verplichte dagelijkse hygiëne.
Maar het effect van dat ochtend- en avondwerkje gaat blijkbaar veel verder dan een frisse mond en een welriekende adem.
Een team onderzoekers van het University College London, publiceerden eergisteren (27 mei) in het British Medical Journal de resultaten van jarenlang onderzoek (1955 tot 2003), waarbij ze het verband nagingen tussen hartziekten en mondhygiëne.
Daarbij werden 11.869 volwassenen van 35 jaar en ouder (gemiddelde leeftijd 50 jaar) opgevolgd.
Uit de studie blijkt dat mensen die nalaten om hun tanden tweemaal daags te poetsen, tot 70% meer kans hebben op een hartprobleem!
Bij diegenen die geen poetsdiscipline hadden waren er natuurlijk ook rokers, diabetici, zwaarlijvigen en anderen met een verhoogd risico op hartkwalen. Maar zelfs als men die factoren wegfilterde, bleef het verband tussen te weinig tanden poetsen en hartfalen bestaan.
De onderzoekers veronderstellen dat de link tussen slechte mondhygiëne en hartziekten ligt in de permanente tandvleesontsteking die bij slecht en onvoldoende poetsen voorkomt. Chronische ontstekingen en de reactie van het lichaam daarop, zijn immers al langer bekend als een oorzaak van hartproblemen.
Enfin, nu weet je het: als je ‘s morgens én ‘s avonds je tanden poetst, poets je niet alleen je mond. Je poetst ook je hart!
zondag 16 mei 2010
Waar klein zijn goed voor is.
Ik behoor niet tot de groten der aarde.
Met mijn 1,70m ben ik wel geen dwerg, maar behoor ik toch eerder tot het kleine grut.
”Klein maar dapper, hoe langer hoe slapper” heb ik me altijd voorgehouden en aan anderen verkondigd.
En klein zijn heeft ook zijn voordelen.
Ik kan onderdoor waar anderen tegenaan lopen.
En als ik ergens niet bij kan, neem ik een laddertje of vraag ik “ne lange” om mij even te helpen.
Ik trek dus mijn kleine plan.
Maar er zitten zijn blijkbaar nog andere voordelen vast aan een kleine gestalte.
Enkele dagen geleden kwam ik via de site van Reuters terecht bij een artikel in het American Journal of Epidemiology.
Een groep Noorse wetenschappers publiceerden er hun onderzoek over de relatie tussen lichaamslengte en thrombose.
En daaruit blijkt dat mannen langer dan 1,81m dubbel zoveel kans lopen om door bloedklonters getroffen te worden dan mannen die kleiner zijn dan 1,73m.
De Noren zijn voor hun onderzoek niet over één nacht ijs gegaan.
Ze hebben gedurende 12 jaar meer dan 26.727 Noorse mannen tussen 25 en 96 jaar gevolgd vóór ze hun conclusies publiceerden.
Andere risicofactoren zoals overgewicht, roken enz. werden uit de resultaten gefilterd.
Een echte oorzaak voor het negatief effect van grotere lengte kennen de onderzoekers (nog) niet. Een hypothese is dat bij langere mannen de bloedstroom in de benen trager is, waardoor sneller klonterring kan optreden.
Als ik nu kort én smal was geweest, dan was ik nog meer gerustgesteld.
Maar je kan niet alles hebben in het leven nietwaar…
Met mijn 1,70m ben ik wel geen dwerg, maar behoor ik toch eerder tot het kleine grut.
”Klein maar dapper, hoe langer hoe slapper” heb ik me altijd voorgehouden en aan anderen verkondigd.
En klein zijn heeft ook zijn voordelen.
Ik kan onderdoor waar anderen tegenaan lopen.
En als ik ergens niet bij kan, neem ik een laddertje of vraag ik “ne lange” om mij even te helpen.
Ik trek dus mijn kleine plan.
Maar er zitten zijn blijkbaar nog andere voordelen vast aan een kleine gestalte.
Enkele dagen geleden kwam ik via de site van Reuters terecht bij een artikel in het American Journal of Epidemiology.
Een groep Noorse wetenschappers publiceerden er hun onderzoek over de relatie tussen lichaamslengte en thrombose.
En daaruit blijkt dat mannen langer dan 1,81m dubbel zoveel kans lopen om door bloedklonters getroffen te worden dan mannen die kleiner zijn dan 1,73m.
De Noren zijn voor hun onderzoek niet over één nacht ijs gegaan.
Ze hebben gedurende 12 jaar meer dan 26.727 Noorse mannen tussen 25 en 96 jaar gevolgd vóór ze hun conclusies publiceerden.
Andere risicofactoren zoals overgewicht, roken enz. werden uit de resultaten gefilterd.
Een echte oorzaak voor het negatief effect van grotere lengte kennen de onderzoekers (nog) niet. Een hypothese is dat bij langere mannen de bloedstroom in de benen trager is, waardoor sneller klonterring kan optreden.
Als ik nu kort én smal was geweest, dan was ik nog meer gerustgesteld.
Maar je kan niet alles hebben in het leven nietwaar…
Abonneren op:
Posts (Atom)