Posts tonen met het label koken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label koken. Alle posts tonen

dinsdag 21 augustus 2012

Rijp of niet?

We zijn bij ons thuis nogal “fruitboeren”.
Iedere morgen bij het ontbijt, én als dessert bij het middagmaal, én bij het avondeten, én bij het TV-kijken én bij het computeren, staat er wel iets fruitigs op het menu: kiwi, ananas, aardbeien, meloen, appel,…

ananassen,appels,citroenen,feestelijkheden,fruit,hoorn des overvloeds,hoornen des overvloeds,levensmiddelen,oogst,speciale gelegenheden,Thanksgiving,vakanties

Ananas bijvoorbeeld, lust ik persoonlijk heel graag maar hij moet goed rijp zijn.
Een paar jaar geleden heeft een verkoper van de groenten-en-fruit-afdeling van de Hasseltse Carrefour, Mia eens getoond hoe ze dat best kon controleren: trek aan één van de blaadjes in het midden. Als dat vrij gemakkelijk loskomt is de ananas rijp. Is dat niet het geval dan laat je hem best nog wat liggen. Een rijpe ananas heeft ook een zoete geur. Een te rijpe ananas riekt azijnzuurachtig.
Sindsdien doen we altijd blaadje-pluk en snuiven we als we ananas kopen…

En hoe zit het dan met het ander fruit? Hoe kan je daar testen op het rijp is of niet?
Het antwoord daarop kreeg ik niet bij de concurrenten van "den Delhaize" of "den Aldi", maar bij Stack Exchange, een site waar je met allerlei “keukenvragen” terecht kan.
Ik presenteer jullie een selectie van wat ik daar gevonden heb.
Voor wat het waard is…

image

Meloen: onderkant moet meegeven als je er (lichtjes) op drukt met je duim. Rest moet stevig zijn.
Er mag geen steel meer aan de onderkant vastzitten. Het litteken op de plaats waar de steel zat moet zuiver rond en afgelijnd zijn.  Vooral aan de onderkant moet de meloen zoetig rieken.

Watermeloen: rijpe watermeloenen hebben een holle klank als je er op klikt. Aangezien een watermeloen vrij veel water bevat, zal een rijpere watermeloen ook zwaarder aanvoelen dan een minder rijpe van dezelfde omvang.
Controleer op de schil de vlek waarmee de meloen op de grond lag: is die geel dan is er veel meer kans dat de meloen rijp is dan als die vlek wit is of zelfs afwezig.
Leg ook geen watermeloen te rijpen op een schaal naast bananen of appels: de meloen zal niet verder rijpen maar papperig vloeibaar worden.

Mango: de kleur geeft weinig informatie omdat er zeer veel verschillende soorten bestaan met verschillende kleurevoluties. Maar als je steeds dezelfde soort koopt kan je ervaring opdoen i.v.m. de kleur van een rijp exemplaar van die soort.
Bij een rijpe mango is de zoete typische mangogeur vooral aan de steel goed op te snuiven.
Mango's worden zachter als ze rijpen. Als je ze lichtjes kan indrukken is dat bijgevolg een goede rijpheidstest.

Aardbeien: de zuivere geur en de egaal rode kleur zijn de belangrijkste testcriteria. Rijpe aardbeien hebben een aangename zoetige geur. Let dus op voor schimmel- en rottingsgeuren aan de fruitstand waar ze koopt: ze verraden de aanwezigheid van soms verborgen rotte exemplaren. Rijpe aardbeien zijn ook door en door rood. Witte of groene vlekken zijn een teken aan de wand.
De vorm van de aardbeien is onbelangrijk.

Avocado: Je koopt ze best als ze nog vrij hard zijn. En dan laat je thuis op een fruitschaal naast een paar appels of bananen verder rijpen onder invloed van het etheengas dat die fruitsoorten vrijstellen. Van zodra de avocado lichtjes indrukbaar is, is hij perfect rijp.

Misschien vinden jullie die rijpheidstestjes maar niets en heb ik open deuren ingetrapt. Of misschien weten jullie veel beter hoe het moet.
Stuur me dan je eigen rijpheidstips, dan vertel ik het hier verder.

Maar goede tips of niet, eet in elk geval meer (rijp) fruit. Da’s gezond.

zondag 18 december 2011

Over kiwi's en ananas en lekkere desserts

Vorige donderdag was het weer kookles bij de Landelijke Gilden in Romershoven.
Kerstmis en Nieuwjaar zijn weer nabij en dan worden we elk jaar opnieuw klaargestoomd om ons beste beentje in de keuken voor te zetten.
Onze sympathieke lerares, een oud-leerlinge van mij, leerde ons dit keer (onder andere) een heerlijk dessertje klaarmaken: sabayon met ananas. Het recept kan je vinden als je op onderstaande foto klikt.

image

Toen de ananas ter sprake kwam, wees de juf erop dat we dat lekker fruit nooit mogen gebruiken in combinatie met melkproducten, omdat “een stof” in de ananas de melkproducten doet schiften.
En zich herinnerend dat ik haar een aantal jaren geleden ooit met scheikunde heb lastig gevallen, keek ze me aan en zei ze “en plein public”:
“Ja dat is allemaal chemie nietwaar meneer?”
Dat “meneer” was er voor mij teveel aan. Want ik was hier de leerling en zij de lerares. Ik moest hier onderdanig het hoofd buigen voor zoveel kennis en kunde, niet zij.
Maar ik was toch echt blij dat onze lieve juf wist dat het ananas-melk probleem iets met chemie te maken heeft.
”Ja, een bepaald enzym in de ananas zorgt hier voor de problemen” zei ik, “en het komt ook in kiwi’s voor, maar ik ben vergeten welk enzym het precies is” bekende ik nederig.
Die geheugencrash bleef toch een beetje op mijn maag liggen.
Ik kon dus niets anders dan gaan opzoeken welk enzym zo’n funeste rol kan spelen.

Het is actinidaine dat de miserie veroorzaakt.


Bestand:Actinidain 1AEC.png


Actinidaine is een eiwit.
Eiwitten zijn ketens van aminozuren.
De “spiralen en draden” in de afbeelding hierboven zijn een symbolische voorstelling van die (letterlijk én figuurlijk) ingewikkelde aminozuurketens.

En alhoewel actinidaine zelf een eiwit is, heeft het als eigenschap dat het sommige andere eiwitten afbreekt.
Bij die afbraak komen de aminozuren, die in de keten aaneen gekoppeld waren, vrij.

Actinidaine gedraagt zich eigenlijk zoals de pepsine in onze maag,
Pepsine is ook een eiwit dat in functie van het verteringsproces, ook eiwitten afbreekt.
Je zou dus kunnen zeggen dat het actinidaine in ananas en kiwi al aan een soort “voorvertering” van de melkeiwitten begint.
Gevaarlijk of giftig is dat dus niet, maar een gevolg van het afbreken van de melkeiwitten en het vrijkomen van de aminozuren is dat de zuurtegraad van de bereiding toeneemt en dat het zaakje schift…
Dat ziet er niet appetijtelijk uit en de zuurdere smaak zal ook niet erg geapprecieerd worden.

Om met goede voornemens te beginnen, ontbijt ik elke dag met een kiwi, gemengd met muesli en magere yoghurt. Dat heb ik hier al eens verteld.
Om het “actinidaineprobleem” te voorkomen, snij ik eerst de kiwi in een kommetje. Daarboven leg ik een laag muesli en daarop pas de yoghurt.
Ik hou dus de agressor en het slachtoffer gescheiden.
Pas net vóór ik de lekkere mix naar binnen ga lepelen, begin ik met roeren.

En wat die lekkere sabayon met ananas betreft: in het recept van onze lieve juf wordt de ananas eerst gebakken.
Ik zou dan met een gerust gemoed aan het smakelijk dessert best een (paar) bolletje(s) roomijs durven toevoegen. Het zaakje zal niet “kappelen”. Want  bij het bakken zal de hoge temperatuur de actinidaine in de ananas gegarandeerd kapot gemaakt hebben.
Probeer het maar eens aan de komende feesttafel(s) : sabayon met ananas én roomijs!
Zo zie je maar weer: chemie is overal…

dinsdag 10 mei 2011

Eet een beetje meer look

Ik weet het wel: een look-eter in de buurt blijft niet lang onopgemerkt.
Het doordringende geurtje is moeilijk te maskeren.
Maar misschien moeten we dat maar voor lief nemen, want aan look worden ook een behoorlijk aantal positieve eigenschappen toegeschreven: goed voor de bloedsomloop, verlaagt de cholesterol, beschermt tegen kanker, doodt bacteriën.
Waarschijnlijk is dit dikwijls “kruidendokterij” zonder veel bewijzen.
Maar voor de anti-bacteriële werking is er nu toch een wetenschappelijke verklaring gevonden.



Amerikaanse scheikundigen van de Washington State University onder leiding van Barbara Rasco, hebben aangetoond dat het de zwavelverbinding diallylsulfide is die de anti-bacteriële werking uitoefent.
Die stof is, samen met andere zwavelverbindingen die in look voorkomen, trouwens ook de oorzaak van de opvallende lookgeur,

image
In een artikel dat vorige week in Analytical Chemistry werd gepubliceerd, tonen de onderzoekers aan dat diallylsulfide de membranen van coli- en listeria-bacteriën afbreekt en het DNA en eiwitten vernietigt.
Op die wijze werkt de stof dus bacteriedodend.
Opvallend is ook dat diallylsulfide actiever werkt bij kamertemperatuur dan bij koelkasttemperaturen.
Dit zou betekenen dat toevoegen van look aan aan bereide gerechten, de houdbaarheid bij kamertemperatuur verhoogt.
Daarenboven moet de concentratie aan toegevoegde look niet hoog zijn, zodat er geen probleem met lookgeur moet zijn.

Dus een klein beetje look bij het eten heeft alleen maar voor- en geen nadelen.
Kookvaders en kookmoeders, waar wachten jullie nog op?

woensdag 16 maart 2011

Het vuur laaide toen nog niet

Bestand:Homo heidelbergensis (10233446).jpg

De archeologen en antropologen waren er tot nog toe van overtuigd dat de mensachtigen (onze voorlopers en wij dus) al ongeveer 2 miljoen jaar over vuur beschikken.
De Amerikaanse antropoloog Richard Wrangham koppelde er zelfs een theorie aan vast.
De homo erectus, waaruit de moderne mens is ontstaan, was volgens Wrangham zo succesrijk omdat hij gekookt vlees kon eten.
Gekookt vlees leidde volgens Wrangham tot een grotere energieopname en de ontwikkeling van grotere hersenen.

Maar nu blijkt dat de mensachtigen in de tijd  van van de home erectus (1,8 tot 1,3 jaar geleden) niet overweg konden met vuur!
De theorie van Wrangham komt dus ernstig in het gedrang.
En dat veroorzaakt deining bij de archeologen en de antropologen.

Onderzoek door de Nederlander Wil Roebroeks en zijn Amerikaanse collega Paola Villa, heeft aangetoond dat de mensachtigen die 800.000 jaar geleden het noorden van Europa koloniseerden, geen vuur gebruikten of in elk geval het gebruik van vuur niet beheersten.
Ze komen tot die conclusie in een artikel dat gisteren (15 maart) in PNAS, is verschenen en waarvan de volledige tekst online te lezen is.
Bij hun onderzoek van de archeologische sites waar onze voorlopers 800.000 geleden leefden, vonden ze geen resten die op het nuttig gebruik van vuur wijzen: geen haarden, geen verbrande beenderen, geen gebakken potten en werktuigen enz.

De Neanderthaler, een uitgestorven soort mensachtige die hier 400.000 jaar geleden leefde, kende het nuttig gebruik van vuur wel.
De Neanderthalers waren dus blijkbaar meer ontwikkeld dan algemeen gedacht werd.

Wie nog eens “stomme Neanderthaler” roept, moet beter op zijn woorden letten.
En als Roebroeks en Villa gelijk hebben, moet Wrangham aan een nieuwe theorie werken…

woensdag 23 februari 2011

Crocodoc en broccolisoep.

Omdat broccoli een erg gezonde groente is, had ik het hier een tijdje geleden over een broccolisoep die we leerden klaarmaken tijdens de kooklessen van de Romershovense Landelijke Gilden.
Omdat een aantal van mijn lezers naar het recept van dit heerlijk kooksel vroegen, kom ik er vandaag op terug.
Maar ik doe dat om jullie tezelfdertijd te laten kennis maken met Crocodoc.

image

Crocodoc is een gratis online-dienst die je toelaat om documenten met anderen te delen.
Je kan dus een document uploaden en het dan, via een link of e-mail, beschikbaar stellen aan anderen.
Niets bijzonders zal je zeggen. Ik kan “al eeuwen” een bestand per e-mail naar anderen sturen!
Maar Crocodoc biedt je bestand (Word of pdf) niet zomaar aan die anderen aan.
Neen ze krijgen er een echte tekst-editor bij, waarmee ze de tekst kunnen annoteren met commentaar, kleurmarkeringen enz.
En volgens mij nog het interessantste: de auteur kan zijn tekst + de editor in een webpagina embedden, zodat hij daar online beschikbaar is voor commentaar.

Ik test Crocodoc vandaag op deze pagina uit met mijn broccoli-soep-recept.
Je moet in het venster hieronder eerst even doorscrollen en dan op "Thanks let me in" klikken.
Ik heb zelf al een paar tekstmarkeringen aangebracht.
Aan jullie om eventueel nog meer commentaar toe te voegen.
Maar laat het ons netjes houden…
Als je wil kan je de tekst markeren, kopiëren en dan b.v. in Word plakken.
En...als er Crocodoc bij u niet werkt: laat me maar iets weten: herve.tavernier2@pandora.be
Wil je dan ook vermelden met welke browser je werkt?

dinsdag 23 november 2010

Koken... aan de Harvard University

Ik heb lang getwijfeld of ik dit berichtje wel zou plaatsen.
Want we worden tegenwoordig op TV overspoeld door kookprogramma’s: Jeroen Meus, Piet Huysentruyt, Jamie Oliver, Guy Van Cauteren, Peter Goossens, Sergio Herman,… Je kan je toestel niet aanzetten of je ziet wel ergens één van die mannen in de potten roeren.
Waarom het hier dan nog eens over keukenpieterijen hebben?

Omdat het koken waar dit berichtje over gaat toch wat anders is qua benadering.
Het gaat vandaag over de cuisine moleculaire.
Chemie en fysica als hulpmiddel om gerechten klaar te maken. De keuken als laboratorium dus.
Het is niet de eerste keer dat ik dat onderwerp in mijn blogje aansnij.
Maar de reden waarom ik het er vandaag weer over wil hebben is, dat de beroemde Amerikaanse Harvard University haar reeks “Science and Cooking” gratis online gezet heeft op YouTube en iTunes.


Voor de keukenliefhebbers met wetenschappelijke interesse is dit een echte buitenkans.
Want in de kooklessen die je hier voorgeschoteld krijgt, krijg je uitleg over het waarom van de ingrediënten, de kook- en baktijden, de oventemperatuur enz.
Ik weet wel dat dit geen eenvoudige kost is. Maar dit haalt wel het hocus pocus uit de keuken.
Ik geef jullie hier alvast de kans om er kennis mee te maken:



Sommigen zullen dit misschien wel een heiligschennis vinden.
Een schande voor de echte kookkunst.
Hetzij zo.
En er is natuurlijk ook nog altijd SOS Piet.

zaterdag 2 oktober 2010

Eitje

Misschien ben je wel van plan om tijdens het weekend een koud schoteltje te serveren?
Een hard gekookt eitje is daar dikwijls welkom bij.
Je weet natuurlijk wel hoe je zo’n eitje moet pellen.
En dan weet je ook wel dat dit niet altijd even gemakkelijk gaat:




Maar misschien kan de truuk van Tim Ferriss helpen.
In elk geval leuk om het eens uit te proberen:

Eitje!

En heb je het gehoord: Tim doet er ook wat chemie bij!
Voeg aan het kookwater een koffielepel bakpoeder toe.
Bakpoeder is natriumbicarbonaat of beter natriumwaterstofcarbonaat -  NaHCO3.
Als je NaHCO3 oplost in water, verhoogt de pH en dat zorgt ervoor dat het eiwit een vastere structuur krijgt (beter coaguleert om de geleerde term te gebruiken) en daardoor komt het ei gemakkelijker van de schaal los.
Probeer het eens. Smakelijk!

woensdag 25 november 2009

Onze pan ligt in panne

Onze teflonpan is versleten.
Na jarenlange goede dienst begint de niet-aanbak-laag hier en daar wat los te komen.
Misschien heb ik er, als onervaren en erg sporadische gelegenheidskok, onvoorzichtig een paar keer in gekrast met een mes. 
We moeten dus naar een nieuw exemplaar uitkijken.

image 
Voor mij als chemicus het moment om even te mijmeren over dat merkwaardig materiaal dat er voor zorgt dat we probleemloos en zonder (of toch weinig) vet, een spiegeleitje op ons bord krijgen.

Teflon is eigenlijk een merknaam, gepatenteerd door Dupont, een Amerikaanse chemie-multinational.
Het werkzame bestanddeel is een polymeer (een soort plastic zou je kunnen zeggen) met een nogal indrukwekkende naam:
polytetrafluoretheen.
De naam verraadt dat dit polymeer ontstaat uit koppeling van een groot aantal (“poly”) tetrafluoretheen moleculen:
 teflon  
Je merkt dus dat de teflon-moleculen zeer rijk zijn aan fluoratomen (F) (de groene “bolletjes”).
De zwarte “bolletjes” die je er nog net ziet doorschijnen, zijn de koolstofatomen (C).
De bindingen tussen de C-atomen onderling en ook de C-F-bindingen zijn zeer sterk. Dit heeft tot gevolg dat de stof vrijwel inert is. D.w.z. dat ze door (bijna) niets wordt aangetast.
De bouw van de moleculen zorgt er ook voor dat molecule nauwelijks andere moleculen aantrekken. De scheikundigen zeggen dat de stof a-polair is.
Inert en a-polair: ziedaar de twee basiskenmerken die er een schitterend antikleefmateriaal van maken.

Nochtans is de bereiding van teflon uit tetrafluoretheen geen gerichte synthese geweest.
Neen, teflon is per toeval ontdekt.
De gasvormige uitgangsstof tetrafluoretheen werd bij Dupont uitgetest in een reeks experimenten waarbij men op zoek was naar een geschikt koelgas voor frigo’s.
De 26-jarige chemicus Roy Plunkett opende op 6 april 1938 een kraan van een kleine gascilinder die ongeveer 1 kg tetrafluoretheengas bevatte.
Maar er kwam raar genoeg niets uit.
Roy dacht dat de gasuitlaat verstopt was en begon er met een ijzerdraad in te poken. Zonder resultaat.
De cilinder was ook niet leeg, want hij woog nog evenveel als een identieke niet aangesproken cilinder.
Toen Roy aan de cilinder schudde hoorde hij wel iets rammelen.
Nieuwsgierig begon Roy de cilinder open te zagen en … hij vond een vaste stof.

Plunkett
Roy Plunkett zag als chemist onmiddellijk in dat het gasvormige tetrafluoretheen gepolymeriseerd was tot een vast polymeer: polytetrafluortheen.
Teflon was geboren.

Wie weet hoe bakeliet in 1905 ontdekt is door onze Gentenaar Leo Baekeland, ziet wel de analogie in de toevalligheid van die twee ontdekkingen.
Maar ook toevallige ontdekkingen vragen nog altijd wetenschappelijk inzicht.
Als Roy Plunkett niet onmiddellijk aangevoeld had wat er in de fles met tetrafluoretheengas gebeurd was, dan was teflon er misschien nooit geweest.
En de antikleefpannen ook niet.
Toeval bestaat niet.

donderdag 5 november 2009

Zure soep en Newton

Een paar weken geleden had Mia prijs.
Ze had een grote kom verse soep gemaakt net vóór we moesten vertrekken naar Merelbeke op familiebezoek
In haar haast had ze de soepkom zonder deksel op de nog hete kookplaat laten staan…
Je kan het wellicht al raden: toen we ‘s anderendaags van het normaal lekkere goedje wilden proeven, was de ontgoocheling groot: de soep was zuur.

image 
Het voorval was natuurlijk onderwerp van gesprek toen we vorige zaterdag opnieuw in familiekring samen zaten ter gelegenheid van het Allerheiligen-weekend.
Het aanwezige vrouwenkransje had allerlei remedies om zo’n soepdrama te voorkomen. De discussie ging vooral over afkoelen met of zonder deksel op de kom.
Ik heb er me niet mee bemoeid. Maar…

woensdag 16 september 2009

Vetverbranding

14 dagen geleden waren we met enkele vrienden op fietsvakantie. We maakten dagelijks ritjes van 40 à 50 km aan een gezapig tempo.
Het ging ons immers niet om fietsen voor de sport, maar om het genieten van de mooie omgeving, van een lekker pintje onderweg en van elkaars gezelschap.
En dat het mooi is in de streek rond Damme, in de Leiestreek en in de Scheldevallei, hebben we volop kunnen ondervinden. 

 
Klik op de foto hierboven voor een groter beeld.

Maar toch kwam op een zeker moment het energieverbruik bij het fietsen ter sprake. En meer in het bijzonder de vetverbranding.
Dat is namelijk één van mijn stokpaardjes, want één van mijn permanente problemen: proberen een paar kilootjes te verliezen.
Alhoewel ik geen specialist terzake ben, wil ik toch even uitleggen hoe ik tot een resultaat probeer te komen.
En ook kom. Als ik het lang genoeg uithou tenminste.

woensdag 12 augustus 2009

Wist jij dat ook al?

Optimistische vrouwen hebben een kans op een langer leven.
Heb jij ook het gevoel dat je dat al lang wist?
En dat chagrijnige, depressieve en pessimistische types het minder lang uithouden?

pessimist
Goed, maar wetenschap steunt niet op gevoel.
Wetenschap steunt op rationeel onderzoek.
Wat niet betekent dat gevoel, gevoeligheden en emoties wetenschappelijk werk niet beïnvloeden.
Je moet er maar eens de geschiedenis van de ontdekking van de structuur van DNA op nalezen b.v.
De gevoeligheden tussen enerzijds de ontdekkers James Watson en Francis Crick en anderzijds Rosalind Franklin heeft in het verloop van dat onderzoekswerk een belangrijke rol gespeeld.
Bij gelegenheid blog ik daar nog wel eens over.

Terug naar de optimistische vrouwen en het wetenschappelijk onderzoek daarover.
Een team van de universiteit van Pittsburgh, onder leiding van Hilary Tindle, heeft eergisteren in het tijdschrift Circulation de resultaten van een uitgebreide studie gepubliceerd over het verband tussen optimisme, hartziekten en levenskansen.

Ze hebben bijna 100.000 (!) vrouwen bij hun onderzoek betrokken.
En de resultaten liegen er niet om.
Pessimistische ladies hadden een hogere bloeddruk én een hoger cholesterolgehalte in het bloed.
Zelfs als men rekening hield met bepaalde risicofactoren aanwezig in de leef- en werkomgeving van de vrouwen, bleek uit het onderzoek dat een optimistische attitude risico verlagend werkt.
Optimistisch vrouwen bleken 9% minder kans op hartziekten te hebben en 14% minder kans op overlijden aan een kanker!
De pessimistische, cynische, negatief denkende en wantrouwende vrouwen, bleken over dezelfde tijdspanne 16% meer kans op overlijden te hebben.
De onderzoeksgroep kan geen sluitende verklaring geven voor het gevonden verband.
Het zou b.v. kunnen dat de optimisten onder de vrouwen er een gezondere levensstijl op na houden dan de negatievelingen: minder roken, meer sporten, gezonder eten.

image
Bij het lezen van zo’n onderzoek spoken onmiddellijk een aantal vragen door mijn koppeke.
Is pessimisme of optimisme je lot, je voorbestemdheid?
Kan je er iets aan doen als je een zwartkijker bent?
Of zit dat in je genen?
Zit pessimisme én optimisme bij iedereen in de genen, maar bepaalt het milieu waarin je opgroeit en leeft of de pessimisme-genen of de optimisme -genen tot uiting komen?
Kan onderwijs daar iets aan doen?
En wat is het verband tussen je levenshouding en de chemische fabriekjes in je cellen?
Maken optimisten andere stoffen aan dan pessimisten?
Maken pessimisten meer stoffen aan die schadelijke effecten hebben dan optimisten?
Over welke stoffen gaat het dan?
Ik hoop dat vervolgonderzoek daar op termijn antwoorden kan op geven.
Er is dus nog veel werk aan de winkel.

Even dit nog.
Het onderzoek van de groep rond Hilary Tindle ging alleen over vrouwen.
Maar geen nood mannen. Voor ons geldt precies het zelfde.
Daar had een Nederlandse groep in 2004 al een onderzoek over gepubliceerd in de Archives of General Psychiatry.

image
Dus: optimist, wat later in de kist…
Of is dat optimistisch?

dinsdag 4 augustus 2009

Vegetariërs aller landen

Vegetariër willen zijn is ook niet altijd gemakkelijk.
De wil is soms wel sterk, maar het vlees is altijd zwak…

maandag 13 juli 2009

Koffie brouwen vroeger en nu

Ik ben niet zo’n echte koffiedrinker. Ik drink eigenlijk alleen maar koffie bij de boterham. Of soms eens bij een gebakje.
Maar mijn moeder, dat was een echte koffiemadam.
Zij kon niet zonder een lekker “potjen” zwart. Elke namiddag.
En ze heeft me ook koffie leren zetten.

Om te beginnen moesten de bonen met de hand gemalen worden. Met een goede ouderwetse koffiemolen.

image
Ze verdacht de elektrische molens ervan dat ze de temperatuur bij het malen te hoog opdreven, waardoor er, volgens haar, aroma verloren ging.
Dat was pure “feeling”. Ze heeft dat natuurlijk nooit onderzocht. Moederke was huismoeder, geen chemiste.
De gemalen koffie werd vervolgens in een koffiekan gedaan. Maar dan een koffiekan van het aloude soort, met koffiezak.

image
Zoiets zoals op de foto hierboven. Maar dan met een “deksel” op de kan. Want zonder deksel gingen de geurige aroma’s de lucht in zei. En terecht.
En boven op het koffie moest er een “tipkenchicorei en… een "snuifken" zout!
Dan water aan de kook brengen en een portie heet, maar net niet meer kokend water (95°C schat ik) over de de koffie gieten. Deksel direct op de kan en laten doorlopen. Water weer laten koken. Tweede portie heet water over de koffie en weer laten doorlopen. En zo verder in snelle kleine hete waterporties tot je de gewenste hoeveelheid koffie-extract had. Dat mocht maximum vijf minuten duren.
En de verhouding koffie / water in het oog houden, want moeder moest geen brouwsel hebben waar je “uw gazette kon door lezen”.
Ze wilden een “potjen straffen kadée”.

Ik zorg nog iedere morgen voor de koffie.
Zoals moederke het mij leerde zet ik geen koffie meer.
Ik gebruik nu een elektrisch koffiezetapparaat.
En meestal voorgemalen, vacuümverpakte koffie. Daar zijn ook de meeste van de aromatische stoffen goed in bewaard gebleven. Soms gebruik ik eens vriesdroog koffie en dan is er nog minder aromaverlies.

Maar er zijn enkele belangrijke middelen om de kwaliteit van het koffiebrouwsel op te drijven, zelfs met die moderne koffiezetmethodes.

Zorg er in de eerste plaats voor dat de temperatuur hoog genoeg is.
Hoe doe je dat?
Laat het water dat je in de koffiezet gaat gebruiken eerst eens doorlopen zonder koffie. Zo warm je alle “leidingen” in het toestel al eens goed op. Gebruik het hete water opnieuw om de koffie te zetten. Je zal zo nog niet de 95°C van mijn moederken bereiken, maar je zal er toch al dichterbij komen dan met een koud toestel.

Zorg er in de tweede plaats voor dat het zetten niet te lang duurt.
De meeste koffiezetapparaten doen er te lang over en dit bevordert de smaak van het brouwsel niet, integendeel.
Onderbreek het koffiezetten na een goede vijf minuten. Zet de opvangkan opzij. En als nog niet alles doorgelopen is, zet je er een grote tas onder om de overschot op te vangen.

En tenslotte: drink je koffie vers.
Laat de opvangkan na het zetten niet op de nog hete plaat van het toestel staan, maar schenk de verse koffie onmiddellijk in de tassen.
De koffiekan blijven verwarmen na het zetten en de koffie lang in de kan laten, geeft zeer zeker kwaliteitsverlies.

image
Probeer het maar eens uit en laat me maar weten of ik gelijk heb of niet.
Maar ja, misschien drink je wel altijd thee…

zaterdag 4 juli 2009

Over groenten, fruit en vitamine C

We hebben thuis geen groetentuintje.
Voor groenten zijn we aangewezen op de supermarkt.
Of… op onze buurman Romain.
Romain heeft een klein hofken én een serreke. Met lekkere sla en tomaten en boontjes.

We mogen regelmatig eens langs gaan. Voor een krop lekker verse krulsla b.v. vol vitamine C. Want van zijn serre naar ons bord gaat er weinig tijd verloren en dus verdwijnen er ook weinig vitamines.

Dat is het verschil met de sla uit de rekken van de supermarkt.
Hoeveel tijd zit er dan niet tussen de oogst en het bord?
Hoeveel vitamine C blijft er dan nog over?
Bij de hoge zomertemperaturen schat ik het verlies op ruim 50%.
Alles zal natuurlijk afhangen van de behandeling en de opslag.
En de tijd dat je slaatje in de hete auto moet liggen stoven.
Want vitamine C is geen van de stabielste vitamines.
Vitamine C is de gebruiksnaam voor ascorbinezuur.
En zelfs ascorbinezuur is nog een gebruiksnaam voor wat de scheikundigen
(2R)-2-[(1S)-1,2-dihydroxyethyl]-4,5-dihydroxyfuran-3-on
noemen. Amaai!
De moleculestructuur van ascorbinezuur wordt gemakkelijk geoxideerd, waardoor ze haar werkzaamheid verliest. Het (kleine) verschil tussen de structuur van ascorbinezuur en die van zijn niet werkzame geoxideerde vorm, zie je hieronder.

oxidatie ascorbinezuur
Maar als vitamine C zo gemakkelijk oxideert, is er dan kans dat we te maken krijgen met een vitamine-C-tekort?
Dit is vrijwel uitgesloten.
Vitamine C komt in voldoende hoge concentratie voor in groenten en fruit.
Ondanks de afbraak door oxidatie kom je via je eten toch nog gemakkelijk aan de nodige 100 mg per dag.
Als je voldoende groenten en fruit eet tenminste.
De hoogste gehaltes vind je bij de volgende soorten. Maar denk eraan dat die gehaltes in verse toestand bij de oogst bepaald zijn:

groentenenfruit
En zelfs zonder groenten en fruit krijgen we tegenwoordig nog extra porties vitamine C binnen.
Van het feit dat vitamine C zo gemakkelijk oxideert, maakt men immers handig gebruik om het als anti-oxidant E300 aan allerlei voedingsmiddelen toe te voegen. Kijk maar eens op de verpakkingen van salami, worst, ham, kaas, brood, yoghurt,…
Het toegevoegde ascorbinezuur in deze voedingsmiddelen wordt door de luchtzuurstof sneller geoxideerd dan het verpakte product zelf. Daardoor bederft het product niet vlug. Vitamine C verlengt dus de houdbaarheidsdatum.

Waarom is vitamine C nu zo belangrijk voor de mens?
Omdat ons lichaam er levensnoodzakelijke hormonen kan van maken. Daarom vinden we de hoogste concentraties in de bijnieren en de hypofyse, onze hormonenfabriekjes bij uitstek.
Maar de anti-oxiderende werking zorgt er ook voor dat ons lichaam verlost geraakt van schadelijke vrije radicalen. Die agressieve vrije radicalen ontstaan in onze cellen als niet te vermijden bijproduct van de stofwisseling.

Volgens sommigen hangt de concentratie aan vrije radicalen in onze cellen samen met een verhoogd risico op kanker.
Linus Pauling, de dubbele Amerikaanse nobelprijswinnaar (voor chemie in 1954 en voor de vrede in 1962) was een fervent voorstander van het dagelijks innemen van hoge dosissen vitamine C (tot 10 g per dag!) om kanker te voorkomen.
Ook de geriater Dr. Herman Le Compte was een aanhanger van het gebruik van grote hoeveelheden vitamine C.

In mijn jonge jaren (40 jaar geleden dus) heb ik daar ook aan meegedaan. Ik heb toen een paar jaar lang 2 tabletten van 500 mg vitamine C per dag geslikt (de minimumdosis die Pauling voorschreef).
Tot er in de literatuur berichten verschenen over de negatieve effecten van hoge dosissen. Die berichten werden in 2001 bevestigd door een onderzoek van prof. Ian Blair van het Center for Cancer Pharmacology van de Universiteit van Pennsylvania.

Wat er ook van zij: Linus Pauling is 93 jaar oud geworden en Herman Le Compte werd (slechts?) bijna 80.
Ik hoop op iets er tussenin, voorlopig zonder extra vitamine C…

maandag 22 juni 2009

Een gezond wortelverhaal

Ik blijf het nog even over groenten hebben.
Een heel grote liefhebber van worteltjes ben ik niet. Ik eet ze nog liefst rauw samen met een slaatje van andere groenten.
Wortels zijn in elk geval gezond.
Dat ze goed zijn voor de ogen weet iedereen wel, want een konijn met een bril op… Ik durf dat mopje met een fameuze baard hier zelfs niet helemaal meer vertellen.
Ik ben zelf al meer dan 50 jaar een brildrager. Ik zou dus misschien best meer wortelen eten.
Maar waarom zijn wortelen goed voor de ogen?
Omdat wortelen vrij veel beta-caroteen bevatten.

b-caroteen
Beta-caroteen is ook de stof die het meest bijdraagt tot de oranje-rode kleur van de wortelen.
Maar daar gaat het niet om.
Beta-caroteen is de stof waar onze lever vitamine A (retinol) kan van maken. Als je goed kijkt naar de structuur hieronder en hierboven, zie je dat retinol ongeveer de helft is van de structuur van beta-caroteen.

vitA
En retinol is een belangrijke bouwsteen (een zogenaamde co-factor) van rodopsine, een eiwit dat voorkomt in de lichtgevoelige staafjes op ons netvlies.
Ziedaar de link tussen wortelen en zien.

Maar wortelen bevatten nog meer interessante stoffen.
Rond één van die stoffen is er de laatste tijd nogal wat te doen: falcarinol.

Een groep onderzoekers van Newcastle University onder leiding van Kirsten Brandt, publiceerde in 2005 een studie waarin ze de beschermende werking van falcarinol tegen het ontwikkelen van kanker aantoonden.

In een verdere studie, die vorige week via een persmededeling door de Newcastle University openbaar werd gemaakt, geven dezelfde onderzoekers nu aan hoe we het best van de weldaden van falcarinol kunnen genieten.
Een wetenschappelijk verantwoorde kookles dus.
Je doet er best aan je worteltjes in hun geheel te koken en ze pas daarna in blokjes of brokjes te snijden.
Snij je ze eerst vóór je ze kookt, dan verdwijnt er teveel falcarinol in het kookwater. Het verlies aan die beschermende stof kan zo tot 25% bedragen.
En wortels stomen is nog beter.
We zullen binnenkort toch nog een stoomkoker moeten installeren.

stomer
En rauwe worteltjes zoals ik ze best lust?
Toch niet zo goed zeggen ze, omdat in dat geval het falcarinol te moeilijk door het lichaam wordt opgenomen: het koken zorgt ervoor dat de werkzame stoffen gemakkelijker door de zachtgemaakte celwand van de wortelcellen passeert.
Daarenboven hebben de Britse onderzoekers vastgesteld dat een testgroep de worteltjes die in hun geheel gekookt werden, beter vond dan wanneer ze in stukjes gesneden gekookt werden.
Dit zou te maken hebben met het feit dat in geheel gekookte wortelen de natuurlijke suikers beter bewaard blijven. De geheel gekookte wortels zouden dus zoeter blijven.
Maar over smaken valt niet te discussiëren.
Alhoewel: over Britse keukensmaken heb ik zo mijn eigen mening…

In elk geval toont dit wortelverhaal aan, dat koken geen eenvoudige bezigheid meer is. De cuisine moleculaire wint meer en meer veld.
Professionele kok of doordeweekse keukenpiet: als je met al die onderzoeksresultaten rekening wil houden, moet je al een paar dagen per week wetenschappelijke tijdschriften uitpluizen.
Of: regelmatig mijn blogje lezen

zondag 21 juni 2009

Groententips

Een paar dagen geleden had ik het over ons bezoek aan het Proefstation voor Groententeelt te St-Katelijne-Waver (PSKW).

PSWK4
Daar wordt landbouwkundig onderzoek gedaan naar nieuwe teelttechnieken en –methodes. Zoals je op de foto hierboven kan zien, gebeurt dit onderzoek in een uitgebreid serrenpark én in volle grond. M.a.w. onder praktijkomstandigheden.
Er wordt ook onderzocht hoe bestaande technieken kunnen verbeterd worden en hoe men praktisch de kwaliteit van groenten kan optimaliseren.

combi3
De hele Belgische groentensector kan van dit onderzoekswerk zijn profijt halen.
Maar ook de gewone man en vrouw.
Niet alleen omdat we als consument uiteraard mee profiteren van de kwaliteitsverbeteringen in de groententeelt. Maar ook omdat het onderzoekscentrum brochures publiceert met erg nuttige informatie voor de verbruiker.
Ken je b.v. de maximale bewaartermijnen voor de volgende ingevroren voedingsmiddelen?

PSKW56

En zo vind je nog meer nuttige tips als je op het beeld hieronder klikt.
Een echte aanrader. Dus downloaden maar.

groententips
En als je met je vereniging eens een boeiende en leerrijke dagtrip wil organiseren: ‘t Grom, het PSKW en de Mechelse Veilingen: niet twijfelen.

woensdag 17 juni 2009

Misschien ken je umami al?

Gisteren hebben we met een 50-tal “senioren” van de Landelijke Gilden – Zuid-Oost-Limburg, de groentestreek rond Mechelen bezocht.
Indrukwekkend was de werking van de Mechelse Veilingen, Europa’s grootste groenteveiling.



Wetenschappelijk erg boeiend was het bezoek aan het Proefstation voor groententeelt. Daar kom ik in een later blogbericht nog eens op terug


Maar in dit berichtje wil ik het vooral hebben over iets wat me opgevallen is bij het bezoek aan ‘t Grom, het Groentemuseum.
In ‘t Grom kregen we een rondleiding door de permanente tentoonstelling “Van de grond tot in de mond”.
De inhoud is meteen duidelijk: de tentoonstelling geeft een overzicht van wat er allemaal moet gebeuren vooraleer we van lekkere groenten kunnen genieten.
De verschillende bewerkingen die de tuinder moet verrichten om ons zijn groenten te kunnen aanbieden, zijn er didactisch zeer goed voorgesteld. De evolutie in de bewerkingsmiddelen bracht onze seniorengroep dikwijls met een “weet je ‘t nog” terug naar vervlogen jeugdjaren.

In het allerlaatste deel gaat het over de smaak van groenten.
En daar had ik het een beetje moeilijk mee.
Bij de voorstelling van de smaakgewaarwording werd immers nog uitgegaan van het toch verouderd model van indeling van de zones voor smaakgewaarwording op de tong: zoet op de punt, zout en zuur op de zijkanten en bitter achteraan.
image
Zó heb ik het indertijd (1963-64) ook nog geleerd van prof. Coetsier zaliger (zie foto), die ons in de 1ste kandidatuur aan de UGent, inwijdde in de experimentele psychologie.
Maar we zijn intussen 45 jaar later en het inzicht in smaakgewaarwording is danig geëvolueerd.
We kunnen nu gerust een vraagteken plaatsen bij die strikte zone-indeling.

smaken

We weten nu dat er op onze tong overal smaakpapillen liggen en die kunnen alle smaken waarnemen, want elke papil bevat alle smaakreceptoren.
En zelfs het gehemelte heeft smaakreceptoren. Dat kan je gemakkelijk testen door eens wat zout of suiker op je vinger te brengen en dat tegen je gehemelte te duwen.

Smaak is dus niets meer dan een geprikkelde smaakzenuw.
De cellen in de papillen op de tong geven elektrische signalen door aan de uitlopers van de smaakzenuw waarmee ze verbonden zijn.
Op het oppervlak van de papilcellen zitten receptoren waar smaakstoffen aan kunnen binden.
Als dat gebeurt gaan er bepaalde ionkanalen open, die een elektrische spanning veroorzaken in de smaakzenuw.
Welke soort ionkanalen er opengaan hangt af van de receptor die een smaakstof gebonden heeft.
De open ionkanalen doen de smaakzenuw vuren en de hersenen weten precies wat er aan de hand is: je proeft een zoete kers bijvoorbeeld!

Al onze smaakpapillen hebben receptoren om de 5 basissmaken te kunnen erkennen, het geassocieerde ionkanaal te openen en het gekoppelde elektrisch signaal naar de hersenen te sturen.
Wat zijn die 5 basissmaken?
De klassiekers zuur, zoet, zout, bitter en… de minder gekende umami.
De basissmaak umami is moeilijker te omschrijven dan de andere 4 basissmaken.
De naam is Japans omdat de smaak daar voor het eerst werd omschreven. Het is iets in de aard van hartig, bouillionachtig of vlezig.
Men heeft een tijdlang getwijfeld aan het feit of umami wel een aparte basissmaak was. Maar sinds het identificeren van de bijhorende receptoren op de smaakpapillen is alle twijfel weggenomen.
De umamir-eceptoren worden gestimuleerd door mononatriumglutamaat.


Dit is de reden waarom deze stof tegenwoordig aan veel voedingsmiddelen wordt toegevoegd.
Kijk maar eens op de verpakkingen van chips, soepen, ketchup, charcuterie enz.
Kwestie van de hartigheid te verhogen.

Hou er dus rekening mee: als je kookt moet je ook de umami verzorgen!

zondag 7 juni 2009

Le crème de glace nouveau est arrivé

Vandaag hebben we een prachtige wandeling gemaakt in de buurt van Wellen.
De Zuid-Limburgse fruitstreek is ook in deze overgang naar de zomer een schitterende regio.
Wandelend door de Broekbeemd en de Herkvallei kan je er heerlijk genieten van het mooiste wat de natuur te bieden heeft.

Op deze verkiezingszondag kreeg wandelclub de Wellense Bokkenrijders, die de wandeling organiseerde, veel volk over de vloer.
Het was dan ook heel druk in zaal De Meersche toen we na een tochtje van 13 km aan een behoorlijk hoog tempo, wat verfrissing zochten.
Ze hadden er geurig-lekkere, vers geplukte aardbeien.
En wat is er heerlijker dan een coupe vanille-ijs met aardbeien en slagroom?

We hebben er van genoten.
Maar het heeft een tijdje geduurd…
Want de dames die de coupes moesten klaarmaken zaten door de vele bestellingen in de problemen. Ze hadden onvoldoende voorraad ijs op temperatuur laten komen. En de keiharde ijskreem, recht uit de diepvries, was niet te “bescheppen”. Het duurde eeuwen om een ijsbolletje bij mekaar te schrapen. Om echt zenuwachtig van te worden.

Maar misschien is zo’n ijskreemprobleem binnenkort van de baan.
Unilever mag volgend jaar met een nieuwe ijskreemvinding de markt op. In Nederland toch, en wellicht ook in België.
Unilever heeft een speciaal eiwit in zijn ijs gestopt.
Die eiwitten staan bekend als ISP’s, wat staat voor Ice Structuring Protëins. Je zou dat als Antivries Eiwitten kunnen vertalen.
Die wondere ISP’s zorgen ervoor dat de vorming van ijskristallen in de ijskreem bij een veel lagere temperatuur optreedt dan normaal.
Als er dan bij die veel lagere temperatuur toch wat ijskristallen ontstaan, zijn die veel kleiner, zodat ze de textuur van de ijskreem veel minder beïnvloeden.
En het zijn nu juist die ijskristallen die de ‘ijsdames” in Wellen het leven zo moeilijk maakten. Trouwens, thuis zal je ook al ondervonden hebben hoe moeilijk ijs te scheppen valt uit een doos IJsboerke of Carte d’Or die net uit de diepvries komt.
Je zal ook wel weten dat de klassieke ijskreem in een doos die een paar keer open geweest is en weer in de diepvries werd geplaatst, door het deels ontdooide ijs, meer en meer grote ijskristallen bevat. En dat beïnvloedt de smaak nadelig.
Gedaan daarmee in het nieuwe Unilever ijs.

Het nieuwe ijs heeft daarenboven nog een paar extra troeven.
Om de stabiliteit van het ijs te verbeteren voegde men tot nu toe vetten en suikers toe. Door de ISP’s moet dat niet meer.
De hemel op aarde: een romig-zacht ijsje dat je veel minder dik kan maken!
En de ISP’s zorgen er ook voor dat het ijs niet lekt en drupt. Ook niet te versmaden als je volgende week voor vaderdag (weer?) een nieuwe das zal krijgen...

das

Zijn die ISP’s kunstmatige chemische brouwsels uit de Unilever labo’s in Vlaardingen?
Bijlange niet!
Sommige vissen, planten en bacteriën hebben ze al eeuwen in hun cellen om te kunnen overleven in extreem koude omstandigheden.
Afgekeken van de natuur dus.
Maar de knappe mannen en vrouwen in Vlaardingen hebben wel gistcellen zodanig genetisch gemanipuleerd dat ze echte ISP-fabriekjes geworden zijn.

Waartoe ze toch allemaal in staat zijn de dag van vandaag.
Straks mag ik nog koelkastschepbare ijskreem eten om te vermageren. Het leven kan toch mooi zijn nietwaar!

dinsdag 2 juni 2009

Tomaten zijn goed voor u

Ik ben één van de velen die dagelijks zijn pilletje statines neem om het gehalte aan “slechte” cholesterol op peil te houden.


Statines zijn geneesmiddelen die geïsoleerd worden uit een schimmelstam Penicillium citrinum.
Statines zijn één van de farmacologische wondermiddelen van de laatste jaren.
Alhoewel hun werking nog niet helemaal duidelijk is, weet men dat ze op twee punten aangrijpen:

  1. ze remmen de synthese van cholesterol in de lever
  2. ze dragen bij tot de verwijdering van Lage Dichtheids Lipoproteïnen (LDL) uit de bloedstroom.

De LDL zorgen voor het transport van cholesterol uit de lever naar de bloedbaan.
Gebonden aan de LDL, komt cholesterol in de aders terecht waar het zich kan afzetten en zogenaamde “plaques” vormen. Die plaques kunnen op termijn voor (soms fatale) aderverstoppingen zorgen.

De binding tussen de LDL en cholesterol wordt met LDL-cholesterol aangeduid.
En het is die binding die bekend staat als “slechte cholesterol”.
Als je het voorgaande goed gelezen hebt, zal je begrijpen dat dit een onjuiste aanduiding is: er bestaat geen goede of slechte cholesterol. Het is het complex LDL-cholesterol dat een negatief effect heeft.

Als statines zorgen voor minder LDL in het bloed én ze zorgen voor minder cholesterol, moet er om die twee redenen minder cholesterol in de aders terechtkomen als je statines inneemt. Er is dus minder kans dat er nefaste “plaques” ontstaan.

Maar statines zijn niet het wonderbare middel zonder bijwerkingen.
Maagklachten, spierkrampen enz. worden dikwijls gesignaleerd.
Er moet dus naar verbetering van de moleculestructuur gezocht worden.
Of er moeten even krachtige middelen met minder bijwerkingen gevonden worden.

Lycopeen zou zo’n middel kunnen worden.

lycopeen
Lycopeen zou het LDL-cholesterol complex blokkeren en dus voorkomen dat er cholesterol naar de aders vervoerd wordt.
Lycopeen is een natuurlijk middel dat voorkomt in de schil van tomaten en dat daar voor de rode kleur zorgt.
Het is scheikundig gezien familie van caroteen dat zorgt voor de oranje kleur van wortelen.

Er moet nog veel moet opgehelderd worden omtrent de werking van lycopeen. Maar de klinische proeven zijn positief.
En in England wordt er al een "lycopeen-medicament" aangeboden.
Het is daar te koop onder de naam Ateronon en het werd op de markt gebracht door een bedrijfje ontstaan uit Cambridge University.
Het wordt door dat bedrijfje voorgesteld als een voedingssupplement met gunstig cholesterolverlagend effect.

Het natuurlijke lycopeen wordt niet gemakkelijk via het maagdarmkanaal in het bloed opgenomen. Daarom is het werkzame bestanddeel in Ateronon een licht gewijzigde molecule die een betere opname in het bloed verzekerd. Die gewijzigde molecule werd door Nestlé ontwikkeld.

De meeste cardiologen vinden Ateronon een veelbelovend middel, maar wachten nog verder onderzoek af.
Ze adviseren dan ook om de voorgeschreven statines zo maar niet aan de kant te schuiven en te vervangen door Ateronon.
Maar naast de statines ook veel groenten en fruit eten, vooral tomaten dan kan zeker geen kwaad zeggen ze.
Geen al te nieuwe raad natuurlijk.
Maar we weten weer eens, en met nog meer argumenten, wat ons te doen staat.

dinsdag 19 mei 2009

Slaap je mager

Wie mij kent weet wel dat ik al sinds lang iets probeer te doen aan mijn overgewicht.
Met vallen en opstaan. Maar meer vallen dan opstaan moet ik zeggen.
Ik volg dus met belangstelling alle nieuws over methodes die tot een paar kilootjes minder zouden kunnen leiden.
Ik ben chemicus genoeg om mij niet te wagen aan pillenslikkerij.
Zo zal je me niet naar de apotheek zien rennen om daar zonder voorschrift de fameuze Alli-vermageringspil te halen.

Ik weet dat enige natuurlijk methode om te vermageren is: verbruik per dag meer energie dan je met je voeding opneemt.

Kies b.v. voor een uitgebalanceerd 1200 kcal-dieet en zorg dat je door bewegen en gezond sporten b.v 1400 kcal per dag verbruikt.
Meer is er niet nodig.
Tot zover de theorie. Voor de praktijk is er veel wilskracht en discipline nodig. En daar loopt het gemakkelijk mis. Ik kan er van meespreken.

Maar misschien moet ik nog een andere slechte gewoonte gaan bijwerken: ik slaap te weinig.
Ik ben er elke morgen rond 7.30u. uit.
Toch niet zó laat voor iemand met pensioenstatus.
Maar ‘s avonds kan ik er maar niet in.
Het is meestal al ‘s anderendaags vóór ik onder de dekens kruip: 1u à 2u ‘s nachts is mijn gewone doen.
En die te korte nachtrust van 5 à 6 uur per nacht zou wel eens mee aan de basis kunnen liggen van mijn kilootjes teveel.

Wetenschappers van het Amerikaanse Walter Reed Army Medical Center maakten zeer recent op de 105e International Conference of the American Thoracic Society in San Diego de resultaten bekend van hun onderzoek over het verband tussen zwaarlijvigheid en slaapgedrag.
De groep onder leiding van dr. Eliasson onderzocht 14 verpleegsters op hun slaapgewoonten, hun activiteiten en hun energieverbruik.
Tussen haakjes: dit is toch wel een erg kleine proefgroep vind ik.
Ze zagen dat de proefpersonen met de kortste nachtrust gemiddeld 12% zwaarder waren dan de langslapers. De kortslapers hadden gemiddeld een BMI (Body Mass Index) van 28,3. De langslapers hadden een BMI van 24,5.
Het rare van het geval was dat de zwaardere kortslapers over dag actiever waren en meer bewogen dan de langslapers. Ze verbruikten dus ook meer energie. Maar ze aten ook veel meer dan de langslapers zodat de balans uiteindelijk negatief overhelde en ze zwaarder werden.
Dr. Eliasson ziet een verklaring in de verhoogde stress die bij de kortslapers zou voorkomen. Die verhoogde stress zou ontstaan door het vaak minder georganiseerd zijn ten gevolge van het niet uitgeslapen zijn. De verhoogde stress kan dan volgens hem leiden tot ongezond gedrag. Teveel en ongezond eten b.v.

Dat mensen met een te korte nachtrust meer zouden eten klopt ook met onderzoek naar de concentratie aan de hormonen die bij mensen de eetlust beïnvloeden.
Het hormoon ghreline bevordert de eetlust. Het hormoon leptine remt de eetlust.
En ja hoor: bij kortslapers vond men 15% meer van het ghreline en 15% minder van het leptine. Niet te verwonderen dat die nachtuilen honger hadden.


Een slaapkuur als afslankmiddel ? Ik zie dat toch niet echt zitten.
Toch zal ik er vanavond of vannacht maar iets vroeger inkruipen.
Maar ik ga eerst nog een klein stukje chocolade sneukelen nu Mia het niet ziet.
Ik kan er echt niets aan doen: mijn ghreline-spiegel is nog te hoog van die vorige te korte nachten.
Hmm... lekker. Slaapwel!