Posts tonen met het label biologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label biologie. Alle posts tonen

donderdag 7 maart 2013

Over bloemetjes, bijtjes en hun elektrische veldjes

Men had het tot voor kort nooit gedacht, maar tussen de bloemetjes en de bijtjes hangt er blijkbaar elektriciteit in de lucht!
Dat bloemen de bijtjes nodig hebben voor de bestuiving en dat de bijtjes voor dat goede werk nectar mogen puren is al lang gekend.
Men dacht dat het de vorm, de kleur en de geur van de bloemen waren waardoor de bijtjes gelokt werden.
Maar een recente studie van Britse biologen onder leiding van Daniel Robert heeft aangetoond dat er meer aan de hand is.

Bloemen en bijen wisselen blijkbaar bij die samenwerking ook informatie uit via de elektrische velden waarmee ze omringd zijn.
Bloemen zijn via de plantenwortels geaard en daardoor dragen de bloemdelen een negatieve lading.
Bijen vliegen door de lucht en worden door de wrijving met die lucht positief geladen.

Elektrische ladingen oefenen op andere ladingen krachten uit.
Het gebied van de ruimte waarin een lading zo’n krachtwerking kan veroorzaken noemt men het elektrisch veld.
Hoe verder af van de lading, hoe zwakker uiteraard dat elektrisch veld.
Als een voorwerp elektrisch geladen is, zal de ruimtelijke vorm van het elektrisch veld dat errond aanwezig is, afhangen van de vorm van dat geladen voorwerp.
Bij een geladen bol bijvoorbeeld is het elektrisch veld errond ook bolvormig:

image
Nu terug naar onze bloemetjes en bijtjes.
Omwille van hun lading zijn ze dus ook omgeven door elektrische velden.
Maar de vorm van die elektrisch velden rond een bloem en een bij zal afhangen van de vorm van die bloem en de bij.
Hieronder heb ik die velden voor de eenvoud bolvormig voorgesteld, maar in de werkelijkheid nemen ze grillige ruimtelijke vormen aan:
image
En nu komt het: uit de studie blijkt dat bijen de elektrische velden rond bloemen kunnen detecteren!
En als ze een bloem bezoeken, brengen ze een deel van hun positieve lading op de bloem over.
Daardoor verandert het elektrisch veld rond de bloem.
En die verandering is voor de bijen een signaal dat die bloem voor hen minder interessant is, want ze is al bezocht. De nectar is al geoogst.
Vanwege de bloem is het signaal van zijn elektrisch veld een signaal dat duidelijk maakt of ze nog bestuiving nodig heeft of niet. En dit elektrisch signaal is sneller dan de veel tragere verandering van kleur, vorm en geur.
Tussen de bloemetjes en de bijtjes is de elektrische spanning dus letterlijk te voelen…

En weet je het nog van dat ventje dat “bedekte voorlichting” kreeg via het verhaal van de bloemetjes en de bijtjes en dat tegen zijn vriendje zei: “Ge weet hoe het bij de bloemen en de bijen gaat? Wel bij de mensen is het juist hetzelfde!”.
Zouden onze elektrische velden ook een rol spelen?

woensdag 13 februari 2013

Dan toch niet nutteloos?

image

In het beeld hierboven rechts zie je waar precies “hij” zich ergens in ons spijsverteringskanaal bevindt. En links daarvan in het rode kadertje zie je “hem” uitvergroot: onze appendix, het 10 à 15cm lang wormvormig aanhangsel waar onze dunne darm overgaat in de blinde darm.
Ik heb hem nog, maar ik ken veel mensen die hem kwijt zijn: chirurgisch verwijderd na een blindedarmontsteking.

Lange tijd werd gedacht dat het kwijtspelen van de appendix geen drama was.
Dat aanhangsel was een overblijfsel ten gevolge van de verandering in de eetgewoonten van onze evolutionaire voorlopers.
Door een overschakeling van puur plantaardig, bladerrijk en moeilijk verteerbaar voedsel naar een gemakkelijker verteerbaar fruitrijker dieet, volstond een minder lang darmstelsel. Bij het inkrimpen bleef de appendix als functieloos darmplooitje over.

Maar langzamerhand begon men te twijfelen aan deze theorie die ook gesteund werd door Charles Darwin, de Godfather van de evolutionisten.
Onderzoekers ontdekten dat in de appendix lymfeweefsel aanwezig is dat de groei van nuttige darmbacteriën stimuleert.
Daarenboven kwam men er achter dat een appendix niet alleen bij de mens en de mensapen voorkomt, maar dat gelijkaardige aanhangsels in het darmstelsel op gelijkaardige posities bij veel zoogdiersoorten aanwezig is. Ook bij soorten zoals de koala die zich bijna uitsluitend met (eucalyptus)bladeren voeden.
De dieettheorie met de appendix als overblijfsel na het inkrimpen van het darmstelsel kwam dus op de helling te staan.

Recent hebben Heather F. Smith, een evolutiebiologe aan de Midwestern University  en William Parker, een chirurg van Duke University Medical Center die het immuunsysteem bestudeert, het ontbreken van de link tussen de evolutie in het dieet en het voorkomen van een appendix aangetoond via een vergelijkende studie van 50 zoogdiersoorten die een appendix hebben.
Ze zijn er van overtuigd dat de appendix dienst doet als een soort opslagplaats voor nuttige darmbacteriën en dus een belangrijke rol speelt in het immuunsysteem.

Zo zie je maar weer: in ons kennisarsenaal is niets absoluut zeker.
En als die onderzoekers gelijk hebben ben ik blij dat ik dat darmwormpje nog niet kwijt ben…

woensdag 6 februari 2013

Die fantastische vogelkes toch

Vorig weekend was het vogeltelweekend.
Ik heb niet actief meegedaan.
Maar ik heb in de voorbije koude winterdagen wel het gefladder in de gaten gehouden rond de vet- en notenbollen die ik aan ons tuinhuis had opgehangen.
En wat ik daar vastgesteld heb komt overeen met wat ik dezer dagen in de krant las: weinig mussen, veel vinken en mezen.
Ook behoorlijk wat merels die duidelijk hun overwicht in gestalte lieten gelden als het op het veroveren van het voeder aankwam.

image

En toen ik bij het zoeken naar nog meer vogelnieuws op het internet bij het Cornell Lab of Ornithology terecht kwam, kwam ik via hun YouTube-kanaal in een onvoorstelbaar wondere wereld terecht.
Ga daar ook eens een kijkje nemen, je zal je ogen niet geloven!
Eén staaltje toon ik hier maar: de ongelooflijke paringsdans van de kraagparadijsvogel, waarbij het mannetje zich zelfs tot een soort blauwe smileyKoud omtovert om een vrouwke te veroveren.
En zelfs dan moet hij soms op zijn kin kloppen...
Waarom moeten in de natuur de mannekes toch altijd zoveel moeite doen en de meiskes niet?

dinsdag 28 augustus 2012

Zat dat daar allemaal in?

In de zoo van Melbourne heeft men het uitkomen van een boomkreeft gefilmd.
Ongelooflijk hoe zo’n groot ding in zo’n klein eitje kon!


Zo’n pasgeboren vleugelloze boomkreeft groeit verder uit tot bruinzwart insect (zie de 6 poten!) met een lengte tot 12 cm en een gewicht tot 25 gram!
Het gaat hier over een reuzeninsect dat behoort tot orde van de wandelende takken.


Boomkreeften waren zo goed als uitgestorven, maar Australische wetenschappers hebben een kweekprogramma opgezet waardoor de insecten vanaf 2015 opnieuw kunnen uitgezet worden op het Lord Howe Island waar ze oorspronkelijk thuis waren.
Boomkreeften worden trouwens in het Engels “Lord Howe Island stick insects” genoemd.
Maar opdat dit plan zou kunnen slagen moeten de muizen en zwarte ratten op het eiland verdelgd worden.
Die muizen en ratten kwamen in 1919 het eiland binnen na een schipbreuk van de S.S. Makambo en ze roeiden de boomkreeften op korte tijd uit.

Meer over die strijd om het behoud van de boomkreeft kan je lezen in Lord Howe Islands stick insects are going home.
Laat ons hopen dat het reddingsplan van dit merkwaardig diertje slaagt.

donderdag 2 augustus 2012

Duik eens mee met een aalscholver!

Anderhalve week geleden vertoefden we nog in Cap Hornu, aan de schitterende baai van de Somme.
We hebben er veel gefietst en lekker gegeten.
En we hebben er ook het uniek Parc Ornitologique du Marquenterre bezocht.

Toen ik de voorbije dagen mijn foto’s aan het ordenen was, kwam ik terecht bij een opname van een groepje aalscholvers. Ze zaten tussen twee visbeurten in, vredig te zonnen op een klein eilandje op één van de vele plassen die het park rijk is:

image

Aalscholvers hebben we bij onze fietsreisjes al wel meer ontmoet. Langs de kusten van de Waddeneilanden bijvoorbeeld, waar we ze op meerpalen zagen zitten, de vleugels gespreid om ze beter te laten drogen na een duik.
En dus ook aalscholvers, (des cormorans in 't Frans), in dit fantastisch Picardisch watervogelpark.

Bij mijn zoektocht op het net naar wat meer informatie over deze handige vissers, kwam ik per toeval op een zeer bijzonder filmpje.
Onderzoekers van de Wildlife Conservation Society (WCS), onder leiding van Flavio Quintana, hebben op een wel zeer speciale wijze het voedingsgedrag van aalscholvers onderzocht.
Ze bevestigden een kleine camera op de vogels en konden zó volgen hoe diep en hoe lang ze wel duiken op zoek naar voedsel.
De opnamen werden gemaakt aan de Patogonische kusten. waar meer dan 7000 aalscholvers verblijven in een door het WCS beschermd gebied. Meer dan 400 van die vogels worden gevolgd, o.a. via GPS. En in dit geval dus ook via minicamera’s.

Uit de beelden blijkt dat de vogels tot twee en een halve minuut onder water blijven en dat ze slechts 40 seconden nodig hebben om de 45 meter diepe oceaanbodem te bereiken!
Dan blijven ze daar nog 80 seconden speuren naar een geschikte prooi vóór ze terug naar de oppervlakte gaan.
En dan zijn ze verplicht om hun vleugels gespreid in de zon te laten drogen.
Want in tegenstelling tot andere watervolgels is hun verenpak zó geconstrueerd dat het water er goed kan in binnendringen. Hun veren worden dus helemaal nat. Zó wordt de aanwezige lucht weggeperst. Daardoor vermindert hun drijfkracht en kunnen ze dieper duiken.
Die “fysica-verklaring” heb ik gevonden in “Wingspreading behavior of the cormorant

Bekijk dit spectaculair filmpje en duik maar eens mee met die sierlijke, bijzondere aalscholvers!

.

donderdag 14 juni 2012

Over het telefoonverkeer bij insecten en planten

Als we soms zouden denken dat we met ons SMS-, e-mail- en voicemailgedoe superieure communicators zijn, dan hebben we zonder de insecten- en plantenwereld gerekend.
Onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) en Wageningen UR zijn er namelijk achter gekomen dat insecten planten als een soort telefoon gebruiken en zelfs voice-mail berichten in de grond achterlaten!

image


Ecologe Roxina Soler en haar collega’s hadden in 2008 al ontdekt dat sommige ondergrondse wortel-etende insecten hun bovengrondse blad-etende rivalen konden laten weten dat ze best een andere plant uitzochten om hun honger te stillen: die plant was al bezet!
De onderzoekers konden aantonen dat de ondergrondse insecten door het eten van de wortels de chemische samenstelling van de plantenbladeren wijzigen, waardoor er vluchtige stoffen (phytotoxinen) uit de bladeren vrijkomen. De bovengrondse insecten detecteren die stoffen en weten zó dat ze op die plant niet gewenst zijn. En nog erger: parasitaire wespen die hun eitjes leggen in de bovengrondse insecten, kunnen die “groene telefoontjes” ook opvangen. Ze weten dus waar ze met hun eitjes terecht kunnen!

Maar daarmee houdt het niet op!
Recent nieuw onderzoek door Olga Kostenko van het NIOO-KNAW heeft aangetoond dat die planteninsecten ook “een soort voice-mail” in de bodem achterlaten via een effect op de bodemschimmels.
Nieuwe planten die op die bodem terecht komen pikken die opgeslagen berichten op en sturen die via chemische signaalstoffen weer door naar de insecten. En die signalen zijn zeer specifiek: ze zijn verschillend naargelang de vroegere plant last had van wortel-etende of blad-etende insecten.

De natuur heeft de iPhone dus al lang vóór Steve Jobs uitgevonden…

woensdag 6 juni 2012

Hoe muggen (Belgische) regenvlagen overleven

Muggen zijn Mia’s beste vrienden niet. Ook ik hou er niet van, maar ik heb er toch veel minder last van dan zij. Met het (stilaan…) warmere weer hebben we dan ook ons muskietennet weer boven ons bed geïnstalleerd.
En als het regent haalt Mia opgelucht adem, want dat is volgens haar geen muggenweer.

Maar hoe zit dat eigenlijk: kunnen muggen die tijdens hun vlucht door een fikse plensbui overvallen worden, dat wel overleven? Kunnen ze wel vliegen in de regen?
Een kleine zoektocht op het net leverde snel het antwoord: regendruppels kunnen die prikbeestjes zomaar niet klein krijgen.
Nochtans is het niet zo voor de hand liggen dat die lichtgewichtjes een bombardement overleven met regendruppels die 50 keer zwaarder zijn dan zijzelf . Bedenk maar eens wat er van ons zou overblijven als we een gewicht van pakweg 3000 kg op onze kop zouden krijgen.
Dat dit hen toch lukt is grondig onderzocht door een groep fysici onder leiding van prof. David Hu van het Georgia Institute of Technology.

Met hoge snelheidscamera’s (4000 beelden per seconde!) filmden ze muggen die ze met regendruppels bestookten.
Hieruit bleek dat de zware druppels de muggen niet verpletterden, zelfs als ze centraal getroffen werden. Ze werden gewoon naar beneden geduwd. Dit is een gevolg van het feit dat de snelheid van de druppels nauwelijks verandert bij de botsing met een lichte mug. Daardoor is de krachtstoot die de mug ervaart heel gering. Vergelijk dat een beetje met een ei dat je vanop een grote hoogte op een bed met veren laat vallen: het ei breekt niet. De muggen ook niet.
Maar zonder risico’s zijn die druppels toch ook weer niet. Als een mug naar beneden geduwd wordt door zo’n waterklomp ondergaat ze een zeer sterke versnelling. Volgens het team van prof. Hu kan die versnelling tot 300 keer de valversnelling (= g = 9,81 m/s2) bedragen.
300 g = 300 x 9,8 m/s2 = 2942 m/s2. Ter vergelijking: piloten in jachtvliegtuigen ondervinden bij een looping hooguit 9 g = 88 m/s2.
Blijkbaar is het muggenskelet meestal in staat om die enorme versnelling te verwerken.
Meestal. Want het grootste gevaar lopen ze als ze laag boven de grond vliegen. Als ze dan met zo’n kolossale versnelling naar beneden geduwd worden, is de dodelijke impact met de grond niet te vermijden.

Bekijk het filmpje hieronder maar eens. Je zal dan ook zien dat muggen nog extra tegen regendruppels beschermd worden doordat de haren op hun lichaam waterafstotend (= hydrofoob) zijn.

Mia is dus weer een illusie armer: regenweer kan muggen niet echt deren.
Maar gelukkig vliegen ze niet uit als ‘t regent (denk ik en hoopt zij)…

Muggen “are singing in the rain”…

zaterdag 28 april 2012

Het duivengeheim grotendeels opgelost.

Feral pigeons, Belfast

Het is al langer bekend dat duiven over een soort ingebouwde GPS beschikken die hen in staat stelt om na een verre vlucht feilloos hun hok terug te vinden.
Men weet ook al een tijdje dat duiven bij hun oriëntatie tijdens zo’n vlucht gebruik maken van de informatie over variaties in het magnetisch veld van de aarde.
Maar hoe de duivenhersenen die magnetische informatie verwerken was tot nu toe niet bekend.
Daar is nu verandering in gekomen.

Eergisteren (26 april 2012) publiceerden L. Wu en J.D. Dickman in Sience een artikel waarin dit uit de doeken wordt gedaan.
Ze hebben de neuronen (= zenuwcellen) in de duivenhersenen ontdekt die voor de verwerking van de magnetische informatie zorgen.
Die neuronen bevinden zich in de hersenstam en verwerken gegevens over richting, sterkte en polariteit (=zin) van het aardmagnetisch veld.
Let er op dat de neuronen de gegevens over het magnetisch veld niet zelf detecteren, Ze verwerken ze alleen maar. De gegevens zelf krijgen ze doorgestuurd door magnetische receptoren die zich elders in het duivenlichaam bevinden.

En daar zit nog een probleem. Want waar die magnetische receptoren zich precies bevinden is nog onduidelijk.
Er is een tijdje gedacht dat ze zich aan de bek van de vogel zaten, in de witte knobbel (zie beeld hieronder) die rijk is aan magnetiet, een oxide van ijzer.

image

Maar zeer recent (11 april 2012) is in Nature een artikel gepubliceerd, waarin aangetoond wordt dat dit niet het geval is.
Die ijzerrijke cellen in de knobbels zijn volgens deze studie gespecialiseerde witte bloedcellen (macrofagen) die zorgen voor de recyclage van het ijzer uit afgestorven rode bloedcellen. Absoluut geen magnetische detectoren dus.

Waarom zijn die magnetoreceptoren zo moeilijk te vinden?
De reden daarvoor is dat het lichaam geen magnetische velden tegenhoudt. Daardoor kunnen de receptoren overal in het lichaam voorkomen.
En begin dan maar eens te zoeken…
Bij andere receptoren ligt dit wel anders. Lichtreceptoren bijvoorbeeld zijn stukken eenvoudiger te ontdekken. Licht kan immers niet diep in de weefsels doordringen. De lichtreceptoren (netvlies in de ogen) moeten dus dicht aan de lichaamsoppervlakte liggen. En daardoor zijn ze gemakkelijker te vinden.

Om de magnetoreceptoren toch te ontdekken willen L. Wu en J.D. Dickman nu de weg terug volgen: van de verwerkende neuronen de weg terug gaan naar de receptoren die de signalen bezorgen.
Ze hebben trouwens al werk op die weg afgelegd. En dat wijst erop dat het binnenoor de “place to be” zou kunnen zijn. De resultaten van dat onderzoek kan je in dit pdf-bestand lezen.

Het duivengeheim is dus al voor een groot deel opgelost. Maar nog niet helemaal.
Er is nog wat werk aan de duivenwinkel.

zaterdag 21 april 2012

Een schitterende Oehoe

De natuur is niet te evenaren.
Zie eens hoe deze grote arendsuil (oehoe) sierlijk, trefzeker en zonder medelijden zijn prooi benadert.
Dit is genieten op zaterdagmorgen.
Bekijk dit uiteraard in fullscreen en HD.


De grote Bubo-Bubo

Sierlijk en meedogenloos trefzeker

donderdag 22 maart 2012

Het lente-gen ontdekt

Jullie zullen het ook al wel gemerkt hebben: de lente is nu echt in het land.
Een paar dagen zonneschijn hebben er voor gezorgd dat Jan De Wilde weer volop mag zingen “de fallus impudicus staat al in bloei en de blaadjes krijgen bomen”.

image

Maar hoe komt dat toch?
Hoe weten de planten wanneer ze precies aan de bloei moeten beginnen?
Een groep Engelse biologen hebben gisteren (op de eerste dag van de lente nota bene !) in Nature een artikel gepubliceerd waarin ze aantonen dat een specifiek gen in de plantencellen, het PIF4, de eigenlijke regulator is.

Voor het bloeien van planten is het hormoon florigen nodig.
Florigen wordt geactiveerd door de daglengte en door de temperatuur. Afhankelijk van de plantensoort speelt één van die twee factoren de grootste rol.
Het Britse onderzoek heeft nu uitgewezen dat bij het verhogen van de temperatuur, PIF4, er voor zorgt dat florigen aangemaakt wordt en dat bijgevolg de planten met het bloeien beginnen.

Alhoewel mensen al eeuwen weten dat de lentewarmte voor de lente bloesems zorgt, is met dit onderzoek het mechanisme dat er achter zit duidelijk(er) geworden. Dit opent bijvoorbeeld perspectieven om gewassen te kweken die minder gevoelig zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering.

De wetenschap heeft dus weer wat meer inzicht gekregen in het wonderlijk fenomeen dat zich elk voorjaar opnieuw in de natuur afspeelt.
Dat is mooi. Maar laat ons vooral niet vergeten om er met volle teugen van te genieten.

zondag 19 februari 2012

Vingerexperimenten

Bij één van mijn recente speurtochten in tweedehands boekhandel De Slegte in Hasselt, kwam ik het merkwaardig boekje “Rare apparaten” van Maurice Collins tegen:

image

Voor € 4,99 was het van mij. Zo goed als gratis voor dit wonderwereldje met foto’s van de raarste dingen uit de tijd toen de elektronica nog niet te bespeuren was.

Eén van de vele rare toestelletje die ik er vond was een vingerstrekker voor…pianisten met kleine handen!

image

Dit sadistisch tuig moest er blijkbaar voor zorgen dat de handspanwijdte van klein gebouwde pianospelers een beetje bijgewerkt werd, zodat ze de Bolero van Ravel konden tokkelen zoals het hoort.

Dit foltertuigje bracht me bij een “vingerexperimentje” waarover ik vroeger eens iets gelezen heb.
Uit dat proefje blijkt duidelijk dat onze handen allereerst uitgerust zijn als grijpinstrumenten en niet als bijvoorbeeld tokkeltoestellen.
Met je handen een grijpbeweging uitvoeren, waarbij je al je vingers gelijk naar binnen plooit gaat als een fluitje van een cent.
Maar als je bepaalde “abnormale” bewegingen wil doen, kunnen er rare dingen gebeuren.
Beweeg maar eens spontaan je duim naar omhoog. Je zal merken dat je wijsvinger terzelfdertijd even spontaan de neiging heeft om naar beneden te bewegen!
Dit heeft naar het schijnt te maken met de koppeling van de spieren van deze twee vingers.

Zoals je misschien nog weet uit uw biologielessen van vroeger, kunnen spieren alleen maar samentrekken. Ze kunnen zich niet van zelf weer uitrekken.
Daardoor komt bij elke beweging van een gewricht in ons lichaam de simultane werking van twee spiergroepen te pas: buigers en strekkers.
Zo zijn de biceps van onze bovenarm nodig om onze onderarm naar binnen te plooien (buigen) en de triceps zorgen ervoor dat onze arm weer rechtgetrokken kan worden (strekken). Als de biceps samentrekken worden de triceps uitgerokken en omgekeerd.

In onze hand zijn nu blijkbaar de buigspier van de duim en de strekspier van de wijsvinger gekoppeld: als je de duim naar boven strekt zal de buiger van de wijsvinger samentrekken: de wijsvinger plooit naar beneden.
Ook de buigers en strekkers van de middenvinger en de ringvinger zijn gekoppeld.
Je kan dat gemakkelijk ondervinden.
Maak een vuist en leg je hand op tafel met de "kneukels"naar beneden.


Probeer nu achtereenvolgens je wijsvinger, middenvinger, ringvinger en pink naar omhoog te strekken terwijl je de rest van je kneukels op de tafel houdt (niet "foetelen").
Bij je ringvinger zal dit niet lukken!
De buigspier van de middenvinger die eraan gekoppeld is, is immers al samengetrokken!

Mocht het bij u wel lukken, dan... is er bij u iets aan de hand.
Dan is er is plaats voor u in het boekje "Rare menselijke apparaten"...

zaterdag 14 januari 2012

Voor mijn vrienden de vogelaars (en alle anderen)

Een paar van mijn vrienden en ook een paar familieleden zijn echte vogelaars.
Als je met die mannen en vrouwen op wandel gaat, zien ze overal gevleugelde beestjes die aan mij en Mia voorbijgaan.
Er mag geen witte of blauwe reiger, geen fuut of geen kluut, geen gans of geen aalscholver in de buurt zijn of ze hebben hem in het vizier.
Om nog maar over ordinaire spreeuwen, lijsters, merels, mezen en mussen te zwijgen.
Bewonderingswaardig en benijdenswaardig vind ik dat, zo’n “vogeloog”.
Maar ik heb het niet. En Mia ook niet.

Om hen op deze winterse zaterdagmorgen een plezier te doen, trakteer ik hen met een subliem filmpje dat ik op YouTube gevonden heb.
Het gaat weliswaar maar over gewone mussen, maar het toont iets wat zelfs mensen met een vogeloog niet kunnen zien.
De opnames zijn gemaakt door Liesbet Carman en Cees Keyer.
Liesbet en Cees deden met hun filmpje mee aan een project van een groep die zich de Vliegkunstenaars noemt en die liefhebbers de kans geeft om met een hogesnelheidscamera (600 beelden per seconde!) vliegbewegingen van dieren en planten in beeld te brengen.
Daardoor kunnen we in vertraagde weergave zien hoe schijnbaar vredelievende vogeltjes, als het erop aankomt, ook een verbeten “struggle for life” voeren.

Lutgart, Ivo, Julien en alle andere vogelaars en niet-vogelaars, geniet van deze schitterende beelden en bekijk ze bij voorkeur in HD en full-screen.

Afblijven gij!

zaterdag 31 december 2011

Wat een wonderbare wereld

Wie zoals ik al een tijdje op ons aardbolletje rondloopt heeft het al meermaals meegemaakt, maar nu is het onzekerheidsgevoel bij de jaarwisseling toch wel heel sterk aanwezig.
Economische recessie, financiële crisis, een wankelend Europa, een onrustig Midden- en Verre Oosten, klimaatsverandering, exponentiële bevolkingsgroei,...
Liggen de beste tijden achter ons? Is er voor de jonge generatie nog een hoopvolle toekomst mogelijk?
En ook in de wetenschappen wankelen zekerheden: neutrino’s bewegen sneller dan de schijnbaar onovertrefbare lichtsnelheid. De theoretische basis van de deeltjesfysica is onzeker. Is die veronderstelde donkere materie een realiteit of kloppen de zwaartekracht- en relativiteitstheorie niet? Is ons waarneembaar universum maar één van de 10500 multiversa?

De problemen en vragen zijn dus groot en de reflex tot doemdenken komt gemakkelijk opzetten.
Maar anderzijds is het leven voor velen beter dan het ooit in de mensengeschiedenis is geweest.
Nooit was de technologische ontwikkeling op alle terreinen zo groot.
Laat ons dus pessimisme verdrijven en hoopvol blijven geloven in een toekomst die oplossingen biedt voor de problemen op die wonderlijke aarde waarop we mogen leven.
Want wonderlijk is onze wereld wel.
De 85-jarige David Attenborough, die van het zichtbaar maken van de schitterende natuur die ons omringt een levenswerk heeft gemaakt, toont ons dit nog eens overduidelijk.
Laat ons er dus in 2012 én daarna samen werk van maken, zodat die wonderlijke wereld niet ten onder gaat.

Wat een wonderbare wereld - bekijk in full-screen én HD

dinsdag 27 december 2011

Wat is uw darmgroep?

De titel van dit berichtje is geen vergissing.
Ik vraag inderdaad niet naar je bloedgroep, maar naar je darmgroep!
Ik neem aan dat je nog geen kaartje met die informatie in je portefeuille zitten hebt, maar wellicht komt dat nog.
Want een groep Duitse onderzoekers van het European Molecular Biology Laboratory in Heidelberg onder leiding van Peer Bork, heeft een paar maanden geleden ontdekt dat de bacteriën die in onze darmen leven steeds tot één van drie bacteriefamilies behoren.  Wie wat wil kan hier het volledige artikel over die ontdekking nalezen.

Ieder van ons heeft dus naast een kenmerkende bloedgroep ook een kenmerkende darmgroep.
Of om het wat geleerder te zeggen: ieder van ons behoort tot een bepaald “enterotype".
En het merkwaardige is dat er van die enterotypes slechts drie bestaan, ongeacht afkomst, huidskleur, leeftijd, geslacht,..! Net zoals er slechts vier bloedgroepen zijn, A, B, AB en O.

De namen van de darmgroepen zijn wel wat ingewikkelder dan die van de bloedgroepen:
de bacteriodesgroep, de prevotellagroep en de ruminococcusgroep.
Maar misschien wordt dat binnenkort wel vereenvoudigd tot de B, P en R-groep.

image

Zoals je op de figuur hierboven kan zien, is de naam van elke darmgroep afgeleid van de dominante bacterie die er deel van uitmaakt.

De ontdekking van de vier bloedgroepen in het begin van 20ste eeuw heeft de geneeskunde in belangrijke mate beïnvloed. Bloedtransfusies bij ongevallen en heelkundige ingrepen kunnen nu probleemloos en veilig verlopen.
De kans is groot dat de ontdekking van de drie darmgroepen in het begin van de 21ste eeuw ook een grote invloed zal hebben. De samenstelling van onze darmflora bepaalt immers hoe goed of hoe slecht we ons voedsel verteren, hoe geneesmiddelen in ons bloed worden opgenomen en hoe mensen daarin kunnen verschillen.
Dokters zullen ons in de toekomst diëten en geneesmiddelen kunnen voorschrijven die aan onze darmgroep zijn aangepast. De ontdekking van de drie enterotypes zou daarom wel eens één van de belangrijkste wetenschappelijke doorbraken van 2011 kunnen zijn.

Ik weet niet of uw huisdokter al darmgroepbepalingen laat doen. Ik vermoed van niet.
Maar wees gerust als dat ooit eens gebeurt: er komt geen ambetante prik aan te pas.
Je zal hem gewoon iets in een potje moeten binnenbrengen.
Je weet wel wat veronderstel ik…

zondag 20 november 2011

Mispels zijn geen kweeperen

Toen Mia donderdagavond laat terug kwam van de kalligrafieles, haalde ze een paar rare knolletjes uit haar tas.


 

”Gekregen van Roger” zei ze, “kweeperen. En dat schrijf je met twee é’s in kwee”.
”Dat zijn geen kweeperen” zei ik, “dat zijn mispels”.
”Dat zou ook kunnen” zei Mia, “zo goed weet ik het niet. Maar wat ik wel weet is dat Marie-Henriette van kweeperen lekkere confituur maakt”.
”Dat kan je van mispels ook” zei ik.
Geen discussie mogelijk dus: kweepeerconfituur of mispelconfituur, het kan allebei.

Mispels zijn eigenaardige vruchten.
Bijzonder is de indeuking die ook op de foto hierboven goed te zien is: een soort stervormig hart. Ze lijken wel een een beetje op grote rozenbottels. En dat is niet zo raar want enig zoekwerk leerde me dat de mispel tot de rozenfamilie behoort.
Eigenlijk zijn mispels ontstaan door een kruising tussen appels en peren.
De mispels zelf zijn bij het oogsten nog niet goed te eten. Je laat ze best een tijdje liggen tot ze een zacht gevoel geven als je er op duwt. Dat zacht worden is een gevolg van gistingsprocessen (fermentatie) die zich binnen in de vrucht afspelen. Daarbij zal wel alcohol ontstaan, wat bijdraagt tot de aangename smaak.
“Zo rot als een mispel” wordt wel eens gezegd, maar zover mag je de gisting niet laten gaan: rot mag een mispel niet zijn als je hem met smaak wil eten.

En kweeperen dan?


image

Kweeperen zijn peren van de kwee.
En de kwee is een plant die familie is van…de rozen.
Kweeperen en mispels hebben dus toch iets met mekaar te maken.
Kweeperen zijn rauw niet te eten. Maar compote, gelei en confituur van kweepeer is volgens Mia, die het van Marie-Henriette weet, naar het schijnt heel lekker.

Ik heb nog nooit kweeperen gegeten. Mispels ook niet.
Maar kweeperen herinner ik me van het Nederlands dictee uit mijn schooltijd.
”Kweeperen” sloop daar regelmatig binnen omdat je het fout kon schrijven: met één é in kwee: kweperen dus.
Ik heb hier een Neerlandicus in huis die me kan uitleggen waarom het kweeperen moet zijn en niet kweperen.
Kweeperen is een samenstelling. D.w.z een woord samengesteld uit andere woorden die elk zelfstandig kunnen bestaan: kwee en peren in dit geval.
Welnu in samenstellingen behouden de samenstellende woorden elk hun eigen schrijfwijze: je plakt ze gewoon tegen elkaar zonder er iets aan te veranderen.

Met mispels heb je die taalmiserie niet.
Daarenboven kan ik ze binnenkort eens echt proeven. Binnenkort als ze bijna rot gefermenteerd zijn.
Bedankt Roger!

woensdag 16 november 2011

Blaffende piranha's

“Zo stom als een vis” heb ik altijd gehoord.
Onze goudvis die vorige week op zijn 10de overleden is, heb ik nooit veel lawaai horen maken.
Maar toch klopt dat niet.
Vissen maken wel degelijk geluid en communiceren via geluiden met elkaar.
Biologen van de Université de Liège hebben daar een uitgebreid studieobject van gemaakt.

Sandie Millot, Pierre Vandewalle en Eric Parmentier publiceerden een paar weken geleden in het Journal of Experimental Biology een studie over de geluiden die vervaarlijke roodbuik piranha’s maken als ze hun belagers willen waarschuwen.

image

Bij de roodbuik piranha’s zijn drie verschillende klankpatronen waargenomen die konden gekoppeld worden aan agressief gedrag t.o.v. andere vissen in hun buurt.
Een herhaald gegrom met de betekenis “ga weg van mij”.
Een lage dreun kon geassocieerd worden met vechtgedrag.
En een soort tandengeknars als de andere piranha’s onvoldoende rekening houden met de waarschuwingen.
Hieronder hoor en zie je de griezeltjes aan het werk.
Gevaarlijk onderzoek als je ‘t mij vraagt!

zondag 13 november 2011

Wat ik niet wist en binnenkort geen probleem meer is

Ik slik al een paar jaar statines om het cholesterolgehalte in mijn bloed onder controle te houden.
In mijn geval is dat Lipitor met atorvastatine als essentieel bestanddeel.
Je kon het verwachten: als chemicus kan ik niet nalaten om jullie met de mooie structuurformule van deze wonderstof te vermeien:

image

En als toemaatje doe ik er ook nog eens de schitterende echte systematische chemienaam bij.
Verschiet maar niet: 7-[2-(4-fluorofenyl)-3-fenyl-4-(fenylcarbamoyl) -5-propaan-2-yl-pyrrol-1-y l]-3,5- dihydroxyheptaanzuur…

Maar wat ik niet wist (?!) is dat statines zoals atorvastatine niet mogen ingenomen worden met pompelmoezen en grapefruit (een kruising tussen pompelmoezen en appelsienen)

image


Pompelmoezen en grapfruit bevatten furanocoumarines zoals bergamottine

image

En die stoffen beïnvloeden de werkzame dosis van de meeste statines, waardoor er gevaarlijke situaties zouden kunnen ontstaan.
Slik je Lipitor of Zocor of Mevacor of … ? Oké maar dan nooit met pompelmoes- of grapefruitsap !

Of toch?
Want genetici van de University of California hebben door kruisingen een nieuw type grapefruit bekomen dat geen of zeer weinig furanocoumarines bevat. De nieuwe vruchten zijn op de koop toe nog pitloos.
"Main raatjen wa wilde nog mier" zou men in Gent zeggen.
Je kan het verslag van hun werk vinden in het Journal of the American Society for Horticultural Science.

Voilà, het statine-grapefruit-probleem is van de baan.
Maar voor mij is het er eigenlijk nooit één geweest.
Ik neem mijn Lipitor vóór het slapengaan met gewoon kraantjeswater.
Met pompelmoessap?
Ik denk er nog niet aan. Bah!

dinsdag 25 oktober 2011

Voor de toiletlezers onder ons

Wie het kleinste kamertje bij ons thuis al eens gebruikt heeft weet het: ik behoor tot de gilde der toiletlezers.
Je kan daar steevast een paar (en dikwijls 2 paar en méér) boeken aantreffen waarmee ik me onledig hou als ik daar even in afzondering ga.
En in deze tijd van Kindles en iPads neem ik de laatste tijd ook die dingen wel eens mee. Maar die laat ik er wel niet liggen.


image

Zijn toiletlezers zeldzame schepsels?
Helemaal niet. Ze zijn het zelfs waard gebleken om er een serieuze wetenschappelijke studie aan te wijden.
Dat deden een groep Israëlische wetenschappers onder leiding van Ron Shaoul.
Door extrapolatie van hun onderzoek bij 499 proefpersonen blijkt dat 57,2% van de Israëli’s het doen. En meer mannen dan vrouwen.
Ik durf het bijna niet zeggen, maar toiletlezen is ook duidelijk meer verspreid bij de hoger opgeleiden…
En wat de risico’s betreft: die zijn miniem.
Alhoewel: er is iets meer risico op aambeien: 23,6% tegenover 18,2%...
Maar: constipatie komt bij WC-lezers minder voor: 8% tegenover 13,7%
Misschien denk je dat bacteriën wie daar leest een loer kunnen draaien?
Dat valt best mee, omdat de gevaarlijke bacteriën op het absorberend boeken- en krantenpapier weinig overlevingskansen blijken te hebben: ze drogen snel uit.
Het gladde oppervlak van Kindles, iPads en smartphones, houdt wat dat betreft meer risico’s in: de schadelijke microben krijgen op die apparaten wel de tijd om zich te vermenigvuldigen.

Goed om weten dus dat onze hebbelijkheid geen echte problemen meebrengt.
En mocht je het hele verhaal willen lezen: je kan het hier vinden.
Lees het dus maar gerust, op uw gemak, daar waar ook de koning te voet naar toe gaat.

donderdag 25 augustus 2011

Over snot- en andere neuzen

Wetenschappers willen alles doorgronden.
Een voorbeeld van een vraag die sommigen onder hen bezighoudt: wat is het verband tussen de vorm van de neus en zijn functie.
En neuzen zijn er, zoals andere lichaamsdelen in allerlei formaten: kloefen, petieterkes, wipnneuzen, mopskes,… en gewone snotneuzen. Wie dagelijks in de spiegel kijkt weet tot welke categorie zijn exemplaar behoort.

image
Maar de Duitse onderzoekers onder leiding van Marlijn Noback van de Eberhard Karls Universität in Tübingen, hadden het eigenlijk niet over de uiterlijke vorm van de neus. De het ging hen om de bouw van de neusholte.

image

Ze deden metingen aan 100 schedels van 10 groepen mensen afkomstig uit 5 verschillende klimaatzones.
En wat ze vonden past mooi in Darwin’s “survival of the fittest”-theorie.
Mensen uit koude, droge streken, hebben langere, hogere en smallere neusholtes dan mensen die in warme en vochtige streken leven.
De hoge, smalle holte zorgt ervoor dat de ingeademde lucht langer contact maakt met het neusslijmvlies. De lucht is dan goed opgewarmd en bevochtigd vóór hij in de longen terecht komt. De microscopisch kleine haartjes, die de wanden van de lange, hoge holte bedekken houden zo ook beter stofdeeltjes en ziekteverwekkers tegen.
Dit kan ook verklaren waarom mensen uit warme en vochtige streken, die naar het noorden trekken, sneller te maken krijgen met verkoudheden: hun neusholte is niet aangepast aan de omstandigheden.

“Hoe zit het met mijn neusholte?” zal je je misschien afvragen.
Je kan dat moeilijk zomaar zien.
Maar er bestaat toch een soort “neusregeltje” dat een verband legt tussen de uitwendige bouw van je neus en de vorm van je neusholte: een lange, smalle neusholte is niet aan kleine mopsneusjes besteed. Daarvoor is meestal een relatief smal en groot exemplaar nodig. Een “smalle kloef” dus.

Kijk nu maar eens opnieuw in de spiegel.
Schrik niet, maar hou rekening met wat je ziet als je naar Alaska cruiset …

zondag 7 augustus 2011

Dag nonkel Toet

Onlangs hebben Mia en ik op Brussels Expo de tentoonstelling over het graf van  Toetankhamon bezocht.
Alhoewel er geen originele stukken getoond worden, laat de tentoonstelling op een zeer didactisch verantwoorde wijze zien wat de ploeg van Howard Carter bijna 90 jaar geleden in de Vallei der Koningen gevonden heeft en hóe ze dat gevonden heeft.


image

Een bezoekje zeker waard! En dat kan nog tot 6 november.

Je moest hem daar eens zien schitteren, nonkel Toet!
Nonkel Toet? Jaja!
Want volgens een groep Zwitserse genetici heeft de helft van de Europese mannen hetzelfde DNA-profiel als koning Toet!
Dat DNA-profiel behoort tot de zogenaamde R1b1a2-haplogroep.
En dat is weer biologielatijn dat een beetje uitleg vraagt.

Elke levende cel heeft in haar kern een aantal chromosomen.
Dat zijn minuscule worstvormige structuurtjes die het erfelijk materiaal, het DNA, bevatten.
Chromosomen komen steeds in paren voor: één chromosoom van zo’n paar komt van de moeder, het andere van de vader.
In menselijke lichaamscellen komen er 46 chromosomen voor in 23 paren.
In menselijke geslachtscellen komen er dan natuurlijk 23 chromosomen voor, zodat bij de versmelting van een eicel en een zaadcel opnieuw lichaamscellen met 46 chromosomen ontstaan.

image

Een haplogroep is een stukje DNA dat voorkomt op één helt van zo’n chromosoom.
image

Bij de R1b1a2-haplogroep gaat het over een stukje DNA op het mannelijk Y-chromosoom, het zogenaamde geslachtschromosoom.
De notatie R1b1a2 komt van de methode die genetici gebruiken om gebieden op het DNA aan te duiden.

Als 50% van de Europese mannen diezelfde haplogroep in hun DNA dragen, wijst dit in elk geval op een gemeenschappelijke voorouder.
Nonkel Toet dus.
En het strafste van al: minder dan 1% van de hedendaagse Egyptische mannen heeft het Toet-profiel!
Toet is dus (familie) van ons en niet van onze Noord-Afrikaanse broeders. Sorry…