Posts tonen met het label communicatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label communicatie. Alle posts tonen

zondag 20 januari 2013

De Mona Lisa naar de maan

Radiogolven behoren tot de langgolvige soort elektromagnetische straling.
Zichtbaar licht heeft golven met een lengte die veel korter zijn.
In onderstaand schemaatje zie je hoe de verhouding ligt: de golflengte van radiogolven varieert van millimeters tot duizenden meters, terwijl de golflengte van zichtbaar licht minder dan een miljoenste van een meter bedraagt:

image

In het bovenstaand schema zie je ook dat radiogolven een interessante eigenschap vertonen: mits een goede golflengtekeuze, kunnen ze doorheen onze aardse atmosfeer dringen.
Er bestaat een behoorlijk breed radiovenster waarmee we radiogolven het heelal kunnen insturen. De andere elektromagnetische golven kunnen dat veel minder omdat ze geabsorbeerd of weerkaatst worden door de atmosfeerlagen.
Het lag dus voor de hand om radiogolven te gaan gebruiken voor communicatie met ruimtetuigen en satellieten die zich boven onze aardatmosfeer bevonden en bevinden.
Om met radiogolven boodschappen mee te sturen kan je in principe twee methodes gebruiken.
Je kan je boodschap meesturen met de radiogolf door de sterkte (= de amplitude) van die golf te laten variëren: dit is amplitude-modulatie (AM).
Of je kan het aantal radiogolven dat je per seconde de ether instuurt (= de frequentie) gebruiken om je boodschap met de radiogolf te coderen: dit is frequentie-modulatie (FM)
image

Maar het golflengte-overzicht bovenaan dit berichtje toont ook dat de kortste golven van het zichtbaar licht een optisch venster op het heelal bieden.
Voorwaarde om dat venster te gebruiken is dat we over een voldoende krachtige en te moduleren (om je boodschap te kunnen meesturen) lichtstraal beschikken.
En aan die voorwaarde is tegenwoordig te voldoen door gebruik te maken van sterk laserlicht.
Lasercommunicatie vindt dan ook in de ruimtevaart meer en meer toepassing.
Door de veel kleinere golflengte van het zichtbaar licht kan je met dat laserlicht per seconde veel meer informatie overbrengen dan met radiogolven: de transmissiesnelheid is 10 tot 100 keer hoger.
NASA heeft daarom in 2011 de Laser Communicatie Relay Demonstration (LCRD) missie opgestart.

En zeer recent hebben ze een fantastisch staaltje laten zien van wat met lasercommunicatie nu al mogelijk is.
Ze hebben met gemoduleerd laserlicht een foto van de Mona Lisa naar de maan gestuurd!
Niet helemaal naar de maan eigenlijk, maar naar de Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO), een satelliet die op dit ogenblik rond de maan cirkelt en die een laser-ontvanger aan boord heeft.
De LRO kon uit de ontvangen lasersignalen een mooie reproductie van Da Vinci’s meesterwerk reconstrueren en terugsturen naar de aarde!

Er was al geen twijfel meer: de mysterieuze glimlach van die Italiaanse schone was al de allerhoogste kunst.
Maar nu is dat ook letterlijk te nemen…

dinsdag 22 september 2009

Penfriend: een fantastisch ding !

Mia is al jarenlang “inlezer” voor “Licht en Liefde”, de organisatie die de belangen van blinde en slechtziende medemensen behartigt.
Om de 14 dagen trekt ze naar studio RS-Geluidstechniek te Tongeren om een aantal bladzijden van een audioboek in te lezen.
Deze audioboeken worden, in een aangepast formaat, op een CD gebrand, die dan met een speciale Daisyspeler kan beluisterd worden. Daisy is een letterwoord dat staat voor Digital Accesible Information System (Digitaal Toegankelijk Informatiesysteem).
De Daisyspeler heeft o.a. als voordeel dat je als gebruiker “bookmarks (bladwijzers)” kan plaatsen, zodat de opname niet in één keer moet beluisterd worden. Ook de bediening is aangepast voor slechtziende en blinde mensen.
Zó kunnen die mensen genieten van een uitgebreide bibliotheek aan werken, zowel fictie als niet-fictie.

Volgend filmpje geeft nog meer informatie over het Daisy-project.



Gisteren heb ik op internet nog een ander zeer interessant hulpmiddel van blinde en slechtziende mensen ontdekt: de Penfriend.

woensdag 9 september 2009

Internet, schermlezen en… dommer of slimmer worden

Ik breng per dag meerdere uren vóór mijn PC door.
Tektsten schrijven voor mijn blogje, e-mails lezen, e-mails schrijven. Dat hoort er dagelijks bij.
Maar het overgrote deel van de tijd ben ik teksten aan het lezen op het scherm. Na zoekwerk op Google of na doorklikken op de massa “feeds” die ik dagelijks via Google Reader voorgeschoteld krijg.
Dat lezen op een computerscherm is en blijft voor mij een moeilijk geval. Ik blijf het er lastig mee hebben om zo’n schermtekst rustig en geconcentreerd door te nemen.
Ik betrap er mijzelf op dat ik neiging heb om oppervlakkig over de tekst heen te dwarrelen.

schermlezen

Maar het ergste van dit alles zit hem in het feit dat die neiging om oppervlakkiger lezen zich ook begint te manifesteren bij het lezen van een gedrukte tekst.
Ook daar moet ik mij meer en meer inspannen om de aandacht er bij te houden.

En blijkbaar ben ik niet alleen met dat “probleem”.
De Amerikaanse technologie-goeroe Nicholas Carr beschreef in een artikel in The Atlantic, hoe vele internetlezers met hetzelfde effect geconfronteerd worden.
Als ze in een boek lezen, geraken ze al na een paar alinea’s afgeleid en ze krijgen als het ware behoefte om naar iets anders door te klikken. Ze lezen ongeduldig en door gebrek aan concentratie onthouden ze ook minder van wat ze lezen. Hun kennis wordt oppervlakkiger.
Carr stelt het simpelweg zó: we Googelen ons dommer!!!

image
Carr veroorzaakte door dit standpunt nogal wat beroering en er ontstond een hele discussie tussen vóór- en tegenstanders van zijn visie op het gevolg van internetgebruik.

Maar uit nieuw onderzoek dat recent door Allen Renear in het wetenschappelijk tijdschrift Science werd gepubliceerd, blijkt dat niet alleen de gewone internetter oppervlakkiger leest. Ook wetenschappers, die omwille van hun job, massa’s wetenschappelijke literatuur moeten doornemen, gaan steeds meer anders lezen.
Renear noemt deze nieuwe manier van lezen: strategisch lezen.
Het leesproces is daarbij in de eerste fase een scanproces geworden.
Daarbij gaat de lezer die over een bepaald onderwerp informatie wil verkrijgen, eerst veel artikelen over het onderwerp te gelijkertijd vergelijken, analyseren en doorzoeken, via hyperlinks en digitale indexen. Uiteindelijk resulteert dit scanwerk toch in een volgende fase in het volledig doornemen van slechts een paar artikels. Er wordt dus volgens Renear meer gescand en minder gelezen.

Maar maakt strategisch lezen dommer? Heeft Carr gelijk?
Absoluut niet volgens Kevin Kelly.
Kelly stelt in een artikel in The Technium, dat wie internet gebruikt om strategisch te lezen zijn IQ zelfs met 40% kan zien omhoog gaan.
Maar afgesloten van internet geraken strategische lezers de pedalen kwijt en gaan ze minder lezen. Hun IQ daalt dan soms met 20%.

Wat in elk geval duidelijk is: de ontwikkelingen van internet hebben een ingrijpende invloed op de leesgewoonten van mensen.
Dat heeft ontegensprekelijk zijn effect op de wijze waarop we informatie vergaren, ons werk doen en ideeën ontwikkelen.
En dat ervaar ik persoonlijk als een zeer positieve evolutie.
Zelfs als mijn IQ geen 40% stijgt…

donderdag 13 augustus 2009

Zoals het ytterbiumklokje tikt

Tijd is een moeilijk begrip.
We ervaren tijd als de opeenvolging van momenten.
Tijdsduur is meetbaar. En voor al wat meetbaar is hebben we een meet-eenheid.
Voor lengte is dat de meter, voor massa is dat de kilogram.
Voor tijd is dat de seconde.
Eén meter en één kilogram kunnen we ons nog tamelijk gemakkelijk voorstellen.
Maar wat is een seconde eigenlijk?


Oorspronkelijk was een seconde het 86.400ste deel van een zonnedag.
En een zonnedag is de tijdsduur die de aarde nodig heeft om éénmaal om haar as te draaien, gezien vanaf de zon.
Maar die zonnedag is om allerlei redenen niet constant.
O.a. omdat de rotatie van de aarde om haar as niet constant is.
Toen men dat besefte, is men allerlei trucs gaan bedenken om te corrigeren. Maar het was eigenlijk allemaal wat lapwerk.
De seconde was dus een slecht omschreven eenheid van tijdsduur.

Tot men in 1955 resoluut een andere richting uitging.
Men liet voorgoed de koppeling varen tussen de eenheid van tijdsduur en de aardrotatie. M.a.w. de seconde was niet langer een deeltje van de duur van een dag.
Van toen af aan werd wat er in het inwendige van atomen gebeurt de basis voor de bepaling van de seconde.
Om het niet te ingewikkeld te maken: in een atoom kan men de deeltjes die erin aanwezig zijn zeer snel aan het trillen brengen.
Die trillingen verlopen met een zeer constant ritme en ze zijn zeer precies te tellen. Ik laat hier in het midden hoe men dat doet.

In 1969 heeft men besloten om de seconde een nieuwe definitie mee te geven op basis van zo’n trillingsaantal.
Van toen af aan was 1 seconde = de tijd nodig om in een atoom cesium 9.192.631.770 trillingen te tellen.
De nauwkeurigheid van die telling werd meer en meer verbeterd.
Daardoor werd de fout op de seconde van langs om kleiner.
Een cesium-atoomklok die op die telling gebaseerd is, vertoond tegenwoordig maar een fout van 1 seconde op 100 miljoen jaar!

En toch is men nog niet tevreden.
Men vindt dat nog altijd niet nauwkeurig genoeg.
Een nieuwe studie van wetenschappers aan het Amerikaanse National Institute of Standards and Technology (NIST) te Gaithersburg stellen nu voor om niet langer de atoomsoort cesium te gebruiken.
Ze tonen in hun studie aan dat met de atoomsoort ytterbium nog veel nauwkeuriger kan gewerkt worden.
Wellicht zit er dus een aanpassing van de definitie van de seconde aan te komen op basis een trillingsaantal in een atoom ytterbium.

Waarom moet de tijdsduur nu zo nauwkeurig kunnen gemeten worden?
Natuurlijk heeft dit geen nut voor onze dagelijkse bezigheden?
Hola, niet te vlug.
Een paar voorbeelden maar.
Wat dacht je van je radiogestuurd klokje of wekkertje?
Dat haalt zijn juiste tijd uit een radiogolf afkomstig van de DCF77-zender in Mainlingen en op zijn beurt is dat radiosignaal gekalibreerd op een atoomklok in Braunschweig. Ik heb het daar daar al eens in een vorig berichtje over gehad.
Maar niet alleen je wekkertjes, ook je computerklok en de juiste tijd op je radio en TV b.v. zijn geijkt op de Braunschweig atoomklok
En gebruik je nu ook een GPS om de weg naar huis of naar elders te vinden?
Welnu het de nauwkeurigheid van het hele GPS-systeem hangt af van de nauwkeurigheid van de atoomklokken die de 24 GPS-satellieten aan boord hebben.

Laat ons dus maar blij zijn dat die klokjes nauwkeurig werken.
Nu moeten we teminste aan ons vrouwke (of manneke) niet vragen om de kaart te lezen als we ergens naar toe willen.
Was dat bij jullie ook zo’n ramp?

image

maandag 10 augustus 2009

Kepler is er weer

Ik heb in maart en april meerdere blogberichtjes gewijd aan Kepler.
Niet aan de astronoom die ons met zijn fameuze wetten inzicht gegeven heeft in de bewegingen van de planeten.
Wel aan het spectaculaire NASA-project dat de naam van de Duitse sterrenkundige meekreeg.
Met dat project gaat NASA op zoek gaat naar aardachtige planeten rond sterren.
Ze doen met de Kepler-satelliet waarnemingen in een vierkant gebied van onze Melkweg dat, gezien vanuit de positie van de satelliet, iets meer dan 100 graden breed is. Dat gebied ligt tussen de sterrenbeelden Zwaan (Cygnus) en Lier (Lyra).

image
Hieronder zie je dat gebied van de sterrenhemel wat meer in detail.
De blauwe diagonale band is onze Melkweg, die dwars door het sterrenbeeld Cygnus (Zwaan) heen loopt.

sterrenbeeld
Ik ga hier het hele Kepler-opzet niet opnieuw uit de doeken doen.
Zoek daarvoor maar eens in mijn blog met “Zoeken in mijn blog”.
Dat Google-zoekmachientje vind je ergens aan de rechtse kant van deze pagina.

Voor wat volgt is het belangrijkste dat je weet dat men geschikte planeten probeert te vinden door het detecteren van het voorbijtrekken van zo’n planeet vóór zijn ster .
Dat voorbijtrekken noemt men “een transitie”.
Bij zo’n transitie wordt het licht van de ster een minuscuul klein beetje gedempt.
Ik geef een voorbeeld van hoe klein die demping wel is.
Als b.v. de planeet Jupiter voor onze zon passeert, wordt het zonlicht met 1% gedempt.
Van waar komt die 1%?
De straal van Jupiter is afgerond 70.000 km.
De straal van de zon is afgerond 700.000 km. Dus 10 maal meer.
Je zal nog wel weten dat de oppervlakte van een cirkel = π.r2
Een kleine rekensom leert ons dan dat de oppervlakte van de zonneschijf 100 (=102) maal groter is dan de oppervlakte van Jupiter. Jupiter bedekt dus 1/100 of 1% van de oppervlakte van de zon. De sterkte van het zonlicht zal dan met 1% dalen. Simpel niet?

Het zijn dus dergelijke kleine dipjes die men wil meten.
Maar hou er dan toch rekening mee dat het hier niet om waarnemingen binnen ons eigen zonnestelsel gaat. Ze gaan hier dipjes meten op circa 1000 lichtjaren van de aarde af!
Maar voor de super-gevoelige fotometers en de elektronica aan boord van de Kepler-satelliet is dat waarneembaar.
Dat hoopt men toch.

En die hoop is niet ijdel gebleken.
Een paar dagen geleden (6 augustus) liet NASA weten dat Kepler, in een testfase, een transitie heeft kunnen meten.
Het gaat over de passage van de planeet HAT-P-7b.
Die planeet draait rond een ster die bekend staat als HAT-P-7.
Rare namen zijn dat misschien, maar er zit een betekenis achter.
HAT staat voor “Hungarian-made Automated Telescope” omwille van de Hongaarse wetenschappers die aan de basis lagen van het netwerk van optische telescopen dat planeten rond andere sterren waarneemt.
P-7b is een code die de volgorde van ontdekking van de planeet door dat netwerk aangeeft.
HAT-P-7b is de 7de planeet in de rij van de 13 tot nu toe waargenomen planeten.
HAT-P-7 zelf is de ster waarrond HAT-P-7b draait.
Voor astronomen is HAT-P-7 dus een bekende ster die zich op ongeveer 320 parsec van de aarde bevindt.
De parsec is een astronomische lengtemaat. Iets voor enorm grote afstanden dus. 1 parsec komt overeen met 3,26 lichtjaar.
HAT-P-7 bevindt zich dus op ongeveer 1043 lichtjaar. Dit is de “normale afstand” voor Keplers waarnemingsgebied.

En dit zag Kepler gebeuren, toen hij HAT-P-7 en HAT-P-7b gedurende 10 dagen observeerde:

Kepler observations of HAT-P-7B

De onderste curve is een uitvergroting van de bovenste.
Links zie je zeer duidelijk de “grote” dip in lichtsterkte van de ster HAT-P-7 als de planeet voorbijkomt.
De diepte van die dip heeft natuurlijk te maken met de oppervlakte van de planeetschijf t.o.v. de oppervlakte van de HAT-P-7. Denk aan ons voorbeeld met Jupiter hierboven.
Maar wat is dat raar klein dipje rechts dan, dat pas bij de uitvergroting goed duidelijk wordt?
Dat dipje doet zich voor als de planeet achter de ster verdwijnt!
Elke planeet weerkaatst immers een deel licht van zijn ster. Zo zien we b.v. Venus aan de hemel staan omdat Venus het zonlicht weerkaatst, alhoewel Venus zelf geen licht uitstraalt.
Idem met onze maan (misschien is die intussen al als planeet erkend?). Naargelang van de positie van de maan t.o.v. de zon en de aarde, weerkaatst ze meer of minder zonlicht: nieuwe maan, eerste kwartier, laatste kwartier, volle maan.
Ook zo voor HAT-P-7b. Zolang die nog niet achter zijn ster zit, weerkaatst hij ook een deel van het sterlicht. Maar van zodra hij achter de ster verdwijnt, valt het weerkaatste licht weg en dus… klein dipje.
Is dat niet mooi?
Nog mooier is dat NASA daar een prachtige animatie van gemaakt heeft, zodat je zowel de grote dip links als zijn klein broertje rechts nog beter kan begrijpen.



Kepler is er dus klaar voor.
Het is nu nog wachten of uit de waargenomen transities ook een planeet zal te voorschijn komen die aardachtige karakteristieken heeft.
De satelliet krijgt daar nog minimum 3 jaar zoektijd voor.
En moest dat ooit een positief resultaat opleveren, dan zijn we vertrokken: “Beam us up Scotty!

woensdag 29 april 2009

YouTube: daar kan je niet meer naast kijken

YouTube, de videosite van Google, heeft op een korte tijd een enorme vlucht genomen.
Het is na Google zelf, één van de drukst bezochte zoeksites geworden.
Vooral wie zoals ik blogt, vind er illustratieve video-fragmenten bij vrijwel alle denkbare onderwerpen.

Sedert 10 november 2008, toen ik met mijn blogje begon, heb ik 192 berichtjes geplaatst. In minstens 26 daarvan heb ik een YouTube-fragment gebruikt. Wellicht zijn het er meer omdat ik in de beginperiode mijn berichten niet altijd consequent van labels voorzag.

Op de commerciële site van YouTube - Nederland zijn er een aantal duizelingwekkende cijfers te vinden. Ze gelden dus voor Nederland en niet voor ons landje, maar de trend zal wel dezelfde zijn.
Ik schotel ze even voor:

  • er wordt iedere minuut (!) 15 uur videomateriaal naar YouTube geüpload
  • per week betekent dit het equivalent van 60.000 complete films
  • wereldwijd gebruikt één op de vijf internetters YouTube. In Nederland zouden dat er zelfs bijna één op twee zijn.
  • misschien raar, maar de helft van de gebruikers is ouder dan 30
  • en bijna de helft van de gebruikers is vrouw
  • Nederland telt 6 miljoen YouTube-gebruikers

En YouTube zou YouTube niet zijn, mocht die cijferdans niet in een filmpje gegoten zijn:

maandag 27 april 2009

Getwitter en gegoogel over varkensgriep

Wil je eens volgen hoe er over de varkensgriep getwittert wordt?
Klik dan op de Google Map hieronder.

image
Maar laat je vooral niet opjagen! Want iedereen kan twitteren wat hij wil.

Serieuzer van aard is onderstaande kaart waarop gegevens getoond worden, verstrekt door o.a. de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), Google News, ProMED e.a.
De kaart wordt om het uur ververst.

image
De kaart verwijst naar de site van Healthmap. Ze toont de situatie over heel de wereld.

Op het vogelgriep zat iedereen een beetje te wachten. Het varkensgriep heeft de wereld verrast...

Big Brother is watching you: GSM + GPS

Tijdens onze bloesemwandeling vorige woensdag kwam het ter sprake: een GSM kan een erg nuttig instrument zijn, maar het nadeel is dat je een stuk van je privacy verliest.
Als je dat ding aan laat staan, ben je overal en op elk moment te bereiken en lastig te vallen.
Persoonlijk ben ik een erg beperkte GSM-er maar als er (vooral) jonge mensen thuis op bezoek komen ontkom je er niet aan: hun belletje rinkelt of hun tunetje galmt voortdurend.

En er is geen beterschap in zicht.
De nieuwe generatie Gsm's, de smartphones, hebben meestal al standaard een GPS ingebouwd.
Dan gaan de poppetjes pas echt aan het dansen: ze kunnen u dan niet alleen meer lastig vallen wanneer ze dat nodig vinden, ze weten ook nog op elke moment waar je precies bent.

smartphone

Binnen het global positioning system (gps) worden er 32 speciale satellieten gebruikt. Die draaien in zes verschillende banen om de aarde en zenden elk een eigen signaal uit.
Elke gps-ontvanger kan daardoor bijna overal ter wereld zijn positie tot op 10 meter nauwkeurig bepalen.

Omdat de gps-ontvangers in GSM's in een apparaat zitten dat ook een zender bevat, kunnen anderen ook zien WAAR je bent.
Dat biedt allerlei nieuwe "mogelijkheden" om in contact te blijven met vrienden en bekenden. Via Google Latitude bijvoorbeeld kan je eenvoudig op een kaart zien waar die vrienden uithangen.


Op de video hieronder zie hoe Google zijn Latitude-toepassing zelf presenteert:

Uiteraard kunnen dergelijke toepassingen ook nuttig zijn.
Oudere dementerende mensen kunnen opgespoord worden als ze hopeloos verdwaald geraken.
Ouders kunnen hun kinderen altijd lokaliseren.
Maat we zitten dan toch wel heel erg dicht bij Big Brother!
Is het wel nodig dat ouders op ieder moment weten waar hun kinderen uithangen? Hebben kinderen geen recht op een minimum aan privacy?
Moeten werkgevers altijd kunnen weten waar hun personeel zich bevindt?

Jerome Dobson, voorzitter van de American Geographical Society, maakt zich daar zorgen over.
Hij publiceerde op 23 april in Nature een artikel waarin hij zijn vrees uitdrukt over de effecten van het zich overal gevolgd te weten.
Tenzij je een (duur) abonnement hebt op dit toptijdschrift, kan je alleen maar een kort resumé lezen. Maar in de Kansascity Star vind je een uitgebreide samenvatting van een ouder artikel van dezelfde auteur over hetzelfde thema.

Dobson vreest dat die nieuw toepassingen de relaties tussen mensen enorm kan beïnvloeden.
Zijn we in staat om voldoende ethische verantwoordelijkheid op te brengen om die nieuwe technologieën op een correcte wijze te gebruiken?
Zoals steeds zit het probleem dus niet in de technologie zelf, want de positieve mogelijkheden zijn er. Het probleem zit bij de mensen die de technologie gebruiken.

Om toch met een lichte (maar illustratieve) noot over het "risico" van gps-toepassingen te eindigen: wie herinnert zich niet de lotgevallen van bospoeper André Vangenechten in de schitterende Eén-serie "Van Vlees en Bloed", toen hij met zijn schoonbroer Wilfried in het bos een reebok ging schieten. Zie je hem nog rondhuppelen met dat afgesneden "zender-oor" om de satelliet te misleiden?
Onvergetelijk!

vb

Foto: Eén - Van Vlees en Bloed

zondag 29 maart 2009

Hier sprak men Nederlands

Jullie zullen het ook wel gehoord of gelezen hebben: vorige woensdag is Fons Fraeters overleden.
Daarmee is weer een stukje uit onze jonge jaren weggeknipt.
"Hier spreekt men Nederlands". In de jaren 70, een paar keer per week, vijf vóór acht, juist vóór het TV-nieuws.
Joos Florquin, de professor, zijn trouwe hond, zijn hovenier en Fons en Annie.
Toen was keurig Nederlands nog een teken van beschaving.
Toen was ABN (kunnen) praten nog maat van je "gestudeerdheid".

De tijden zijn veranderd. Internet, SMS en Twitter domineren nu de communicatie, elk met hun eigen turbotaaltje en met afkortingen waar analfabeten zoals ik een vertaler-tolk voor nodig hebben.
En in de soaps, ook die van de VRT, zouden Fons en Annie zich ook niet Thuis gevoeld hebben. Als Nancy zegt "Kom-de-gij-ook? Da-wist-ekik-nie!" bijvoorbeeld.

En weet je wat achteruit bidden is? Nee? Dan vloek je blijkbaar nooit.
Gelukkig moet ik swaffelen hier niet meer verklaren (denk ik, hoop ik).
Maar als je me zegt dat je in je sleurhut gaat slieberen, dan weet ik (na wat Googelen) dat je in je caravan gaat slapen.

En als ik je een SMS-je stuur met "keb egt bkpn na d afchi. mr glfm, akg" dan weet je zonder twijfel dat ik echt buikpijn heb na de afhaalchinees, maar geloof me, alles komt goed.

Dan ben ik toch blij dat Fons er was.
Zie hem hier nog even aan het werk met de rest van de ploeg en ga ook eens kijken op de site van Klara waar je nog meer filmpjes van die vervlogen taalrubriek kan zien. Geniet van die zalige, rimpelloze taal en van de prachtige gedichten door Annie met de mooie stem. Bijna zo mooi als die van Mia...

Bedankt Fons!

maandag 16 maart 2009

En er was nog een verjaardag!

We kunnen hier niet alles tegelijk vieren. Gisteren was het Mia’s verjaardag, zaterdag was het pi-dag.
Maar vrijdag 13 maart was het ook de 20ste verjaardag van het Wereld Wijde Web (WWW). En daar wil ik zeker ook aandacht aan besteden.
 
Ik mag zeggen dat ik die geboorte 20 jaar geleden van dichtbij meebeleefd heb.
Van 1989 af had ik thuis al een internettoegang via een telefoonmodem en abonnement bij Compuserve.
Compuserve was een Amerikaans bedrijf dat zijn computernetwerk tegen betaling beschikbaar stelde aan de hele wereld via het Internet.
Het Internet was een wereldwijd burgerlijk computernetwerk afgeleid van het Amerikaans militair netwerk Arpanet.
Toen ik bij Compuserve aansloot hadden ze ook in Brussel al een inbelpunt op hun netwerk, zodat je tegen een aanvaardbaar telefoontarief toegang kon krijgen.
Het-van-het waren in die tijd de zogenaamde forums, waarin mensen met gelijklopende interesses via het internet met elkaar konden corresponderen. Het was een boeiende internationale praatbarak.
Alles verliep nog via getypte tekst, maar er was wel al een mogelijkheid om kleine computerprogrammaatjes (shareware) uit te wisselen en te downloaden.
We voelden de wereld zienderogen kleiner worden.

Ter gelegenheid van het schoolfeest van 1990 gaf ik een demonstratie van wat internet was en van de potentiële mogelijkheden die het als enorme informatiebron zeker voor het onderwijs kon bieden. Ik had daarvoor 2 grote monitoren gehuurd en de bezoekers konden samen met mij, in een lokaaltje tegenover onze leraarskamer, kennismaken met het Net.
Het Heilig Graf had (weer eens) voor een primeur in het Bilzerse onderwijs gezorgd.

Toen kwam 1992 en het Wereld Wijde Web

Robert Cailliau, Jean-François Abramatic and T...
De Amerikaanse fysicus Tim Berners-Lee (rechts op de foto) en zijn Belgische collega, de in Tongeren geboren ingenieur Robert Cailliau (links op de foto), ontwikkelden een netwerk van knooppunten, een web met computers waarop, via een specifieke taal (HTML), hypertextdocumenten werden opgeslagen.
Hypertextdocumenten zijn documenten die elementen bevatten (hyperlinks genoemd), waardoor men via een eenvoudige muisklik naar een ander document wordt geleid. Om die hypertextdocumenten te kunnen zien en gebruiken is een zogenaamde browser nodig.
Ik herinner me dat Netscape de eerste browser was die toegang gaf tot dat wereldwijde web.
Het hek was de dam en het WWW kende op korte tijd een enorme explosie. Snel werden, naast tekst, ook beelden, klank en film op de hypertextpagina’s toegankelijk.
Een set van die pagina’s kreeg de naam website. En websites bezoeken via een browser werd surfen: het internettaaltje kreeg een snel groeiende woordenschat.
Er kwam programmatuur beschikbaar waarmee ook amateurs hun eigen websites konden in elkaar flansen. En al snel had ook het Heilig Graf zijn eigen website.

20 jaar na de geboorte van het Web is internet niet meer weg te denken uit ons leven. Surfen, e-mailen, chatten, skypen, twitteren, facebooken,… zijn voor velen een dagelijkse bezigheid.
Het Net en het Web zijn in die tijd ook enorm veranderd.
Van een passieve infomatiebron is het Web geëvolueerd naar een omgeving waar de gebruikers mee de informatiestroom bepalen via blogs en nu ook twittertweets.

Wat het Web in de toekomst wordt is koffiedik kijken.
Een verdere integratie in andere toestellen dan PC’s is voor de hand liggend. De koppeling van het Web met GSM en GPS is al een feit. Schoolborden worden digiborden waarop de kolossale informatie van het Web klassikaal voor het onderwijs in realtime bereikbaar is.
De klassieke informatiemedia zoals kranten, maar ook radio en TV zullen zich snel moeten aanpassen en zich meer op duiding moeten concentreren i.p.v. als eerste informatiebron te willen optreden. Ik heb over vrijwel elk nieuwsfeit al uren lang talloze twittertweets binnen vóór daar ‘s anderendaags iets van in de krant te lezen is.

Spijtig genoeg is er wellicht ook een grote kans op het ontstaan van een nieuwe soort armoede: de armoede van het gebrek aan geïnformeerd zijn omdat men de financiële draagkracht niet heeft om zich de nieuwe ICT-middelen aan te schaffen.

En het gaat toch allemaal zo geweldig snel. Of is dat soms ouder  worden?
Ik hoop dat ons oud koppeke dat allemaal kan blijven bijhouden. 
Ik sluit dit mijmeringske af met een YouTubeke (nog zo’n recent internetfenomeen) dat u een duidelijk overzicht geeft van de nog jonge ontstaansgeschiedenis van het Net. Het in nogal technisch, maar kijk maar eens rustig

zaterdag 7 maart 2009

Kepler versus Sofie Van Moll

Sofie Van Moll probeert al weken aan een stuk onze zaterdagavonden te vergallen met haar "Hartelijke groeten aan iedereen"-programma.
Voor mij een onnozel gedoe rond het opstellen van een boodschap die aan buitenaardse wezens zou moeten gezonden worden, door ik weet niet wie en ik weet niet wanneer.

Intussen lanceerde NASA gisterenavond zijn Kepler-missie.
NASA zet hiermee een specifiek project op om systematisch op zoek te gaan naar aarde-achtige-planeten rond andere sterren in ons melkwegstelsel.
Er wordt meerbepaald gezocht naar planeten met een grootte gaande van half tot tweemaal zo groot als onze aarde, in de zogenaamde leefbare zone van hun sterren.
De leefbare zone (habitable zone) van een ster is een gebied waar men vermoedt dat er leven mogelijk is en waar vloeibaar water aan het oppervlak van de planeten kan voorkomen. Water is immers onontbeerlijk voor op koolstof gebaseerd leven zoals het leven op aarde.

De leefbare zone rond onze zon situeert zich uiteraard in een strook rond 1 AE ( AE= astronomisch eenheid = afstand aarde-zon) want onze (nog?) leefbare aarde ligt precies op 1AE.
Hoe helderder sterren zijn, hoe meer energie ze uitstralen en dus hoe verder men van de ster af moet gaan om vloeibaar water te kunnen vinden. En dus hoe verder de leefbare zone van die ster afligt.

Merk op dat Mars juist aan de grens van de leefbare zone rond onze zon ligt. (Foto Wikipedia)

De Kepler-telescoop die gisterenavond in een baan rond de aarde gebracht is, zal gedurende 3,5 jaar waarnemingen verrichten in een beperkt gebied van onze melkweg, aangegeven door de gele kegel op onderstaande tekening:


De methode om de planeten rond de sterren te ontdekken zit erg spitsvondig in mekaar.
Kepler observeert een ster. De massa van de ster kan men bepalen uit herderheidsmetingen.
Als een planeet vóór die ster passeert, dimt hij bij die passage een klein beetje het licht van de ster.
Kepler heeft zeer gevoelige lichtmeters aan boord die deze kleine vermindering in lichtsterkte kunnen meten en die dus de planeet ontdekken.

Kepler kan ook meten om de hoeveel tijd die planeet vóór de ster passeert.
Uit die omlooptijd en kennis van de massa van de ster kan de afstand van de planeet tot de ster berekend worden. 
Tussen haakjes: voor die berekening steunt men op de derde wet van Kepler...
Met die afstand en kennis van de helderheid van de ster kan men berekenen of die planeet in een leefbare zone ligt zoals ik hierboven heb uitgelegd.

Om dergelijke gevoelige metingen te doen moet de meetapparatuur in de Kepler-telescoop uitermate verfijnd zijn.
James Fanson, Kepler project manager bij Nasa's Jet Propulsion Laboratory in Californië, beweert dat, als Kepler 's nachts naar een klein stadje op aarde zou kijken, hij zou kunnen detecteren als er iemand in dat stadje voorbij een aangestoken zaklamp passeert!

Met Rodenbach zeg ik daarom: Ei, Sofie Van Moll, ween van spijt, en werp uw kroon naar Kepler!

dinsdag 3 maart 2009

Verkiezingen voorspellen? Kinderspel!

In juni moeten we met zijn allen weer naar de stembus.
Je zal ook wel weten dat het stemgedrag de dag van vandaag door allerlei factoren wordt beïnvloed. Vooral de impact van de media is enorm. Voor de kandidaten komt het er vooral op aan dat ze in de periode rond de verkiezingen in de media een positief imago kunnen ophangen.
Het is dus voor de meeste kiezers eerder een kwestie van perceptie dan van inhoud van programma’s en ideeën. Programma’s en ideeën van kandidaten worden meestal niet bestudeerd.

Waarom heb ik het daar nú al over? Dat zijn toch echt wel vijgen vóór Pasen.
Omdat vandaag Scientific American mij gekwetterd (getwitterd dus) heeft over een onderzoek door John Antonakis en Olaf Dalgas van de universiteit van Lausanne in Zwitserland. De resultaten van dit onderzoek werden op 27 februari jl. gepubliceerd in Science.
Uit een vorig onderzoek door Todorov e.a. was al gebleken dat kiezers hun stemgedrag zeer dikwijls laten bepalen door het uitzicht van de kandidaten. Kandidaten met een face die vertrouwen inboezemt, scoren best.
Anotakis en Dalgas deden onderzoek met kinderen!
Ze lieten kinderen een spel spelen over de reis van Odysseus van Troje naar Itaca. De kinderen moesten in dat spel Odysseus vergezellen op een eigen boot en ze moesten voor hun boot een kapitein aanduiden. Toen liet men hen foto’s zien van kandidaten uit voorbije buitenlandse verkiezingen, totaal onbekend bij de kinderen. Uit die foto’s moesten de kinderen hun kapitein kiezen.
En wat bleek?
In zeven van de tien gevallen kozen de kinderen voor de foto van de kandidaat die ook de verkiezingen gewonnen had!
De kapitein van hun boot, iemand die je kan vertrouwen, was dus ook degene die voor de kiezers in de voorbije verkiezingen uiterlijk het meeste vertrouwen inboezemde.

Spindoctors van de verschillende partijen zullen dat al wel vermoed hebben, maar nu is het ook wetenschappelijk bewezen: verkiezingen gaan voor de grote meerderheid van de kiezers niet om de inhoud, maar om het gepaste imago op het gepaste moment.
En de uitslag van verkiezingen voorspellen is een koud kunstje: trek met de foto’s van de topkandidaten naar de kleuterklas: het is kinderspel!

maandag 2 maart 2009

2019 volgens Microsoft

Toen ik gisteren mijn Twitter-avontuur voorstelde had ik het over de enorme invloed die de informatie- en communicatietechnologie heeft op ons dagelijks leven.
Microsoft heeft op 28 februari een filmpje op het net gelanceerd, waarin het bedrijf zijn toekomstvisie voor de komende 10 jaar voorstelt.
Als je dat ziet is de crisis ver weg. Alle problemen waarvoor de media de mensen de dag van vandaag angstig aan het maken zijn (financiële crisis, tewerkstellingscrisis, energiecrisis, klimaatcrisis, bestuurscrisis, veiligheidscrisis, vul maar aan) worden van tafel geveegd.
Dit zal natuurlijk zeker veel te simplistisch zijn, maar ik vind het toch de moeite waard om eens te bekijken. En je weet dat er in 10 jaar veel kan veranderen.

Opvallend is de alomtegenwoordigheid van aanraakschermen, videowanden en transparante displays, tot op betaalkaarten toe.
Merkwaardig zijn de realtime vertaalsystemen waardoor communiceren, zelfs met een Chinees, kinderspel wordt.
Even opvallend is hoe Microsoft, in het begin van het filmpje, accent legt op de onderwijstoepassingen van de komende ICT- technologie.
Ik hoop dat we binnen 10 jaar nog van iets van al dat moois mogen genieten.

zondag 1 maart 2009

Twitteren is kwetteren

Sedert begin deze week ben ik ook aan het Twitteren geslagen. Het is te zeggen: ik wilde eens weten waarover het gaat, maar een zeer actieve twitteraar ben ik (nog) niet.
Twitteren is de nieuwe hype op internet. Het is een snel communicatiemiddel tussen mensen die deel uit maken van een enorm netwerk.
Rond het twitteren is intussen al een specifieke terminologie ontwikkeld zoals je zal merken.
Wie inschrijft kan binnen dit netwerk mensen zoeken en hen volgen in hun dagelijkse bezigheden, tenminste als die bereid zijn om daarover iets mee te delen.
Mensen die met elkaar twitteren, noemt men followers.
De communicatie tussen twitteraars moet gebeuren via een berichtje, een Tweet, dat maximaal uit 140 lettertekens mag bestaan en dat altijd een antwoord is op de vraag "What are you doing?"
Een twitterboodschap is dus een soort klein blogberichtje. Twitteren wordt dan ook microbloggen genoemd.
De kracht van Twitter ligt in de zeer snelle verspreiding van de inhoud van de tweets.
Als je b.v. via een tweet een vraag stelt, kan die zich vliegensvlug over het netwerk verspreiden, zodat je snel antwoord kan krijgen. Immers uw followers, hebben zelf ook nog andere followers enz.
In Amerika zijn intussen ook alle grote nieuwsagentschappen op de twittercar gesprongen.
Elke grote krant, elk TV-station, heeft twitterende jounalisten, die via tweets, heet-van-de-naald-nieuws verspreiden.
Zelf ben ik follower van o.a. een aantal journalisten de New York Times, Scientific American, CNN,...


Bij de spectaculaire noodlanding van de Amerikaanse Boeing op de Hudson rivier een paar weken geleden, heeft het nieuws daarover zich via tweets vliegensvlug verspreid.
Dit heeft ook veel te maken met het feit dat de tweets daar ook via GSM (SMS-berichtjes) bij de followers kunnen terecht komen. Bij mijn weten is dit voor Belgische twitteraars nog niet mogelijk.

Zelf heb ik natuurlijk niet zoveel om over te twitteren.
Wie heeft er nu een boodschap aan het feit dat ik een mijn catalpa ga snoeien? Alhoewel mijn followers mij misschien snel zouden kunnen laten weten, wanneer ik dat best doe, mocht ik daar een vraag over hebben.
En telkens ik een nieuw blogberichtje plaats, worden al mijn followers daar automatisch over ingelicht. Maar dat is natuurlijk ook geen wereldschokkend nieuws.

En wil je weten hoe Evan Williams, een van de ontwikkelaars van Twitter, het fenomeen ziet, dan kan dat met dit filmpje:



Toch maar weer een voorbeeld van hoe internet de manier waarop mensen met elkaar communiceren razendsnel aan het beïnvloeden is.

En dat twitteren het Engels is voor kwetteren hadden jullie natuurlijk al lang door.