Milde reflecties van Hervé Tavernier op heden en verleden met ook wat tips, nieuwtjes, spelletjes en puzzelkes.
zaterdag 16 juni 2012
Over taxus, taxol en Taxol®
Het wordt stilaan tijd om de hagen te scheren. Dus ook de taxushagen.
Jullie zien dat mijn eigen taxus baccata zo’n scheerbeurt best kan gebruiken.
En jullie weten ook dat je tot 31 augustus het taxussnoeisel gratis kan binnenbrengen bij het plaatselijk containerpark.
Het wordt daar verzameld en dan voor verdere bewerking doorgestuurd naar farmaceutische bedrijven waar men er het waardevolle 10-DAB (= 10-deacylbaccatine III) uit extraheert.
10-DAB is een voorloper van paclitaxel (= Taxol®).
Taxol® (een gedeponeerde merknaam dus) en de producten die er van zijn afgeleid, zijn waardevolle middelen in de strijd tegen allerlei kankers omdat ze blijkbaar de celdeling bij kankercellen afremmen.
Je ziet hieronder de verschilpunten in de molecule van 10-DAB en die van Taxol®: de OH-groep (klein rood vierkant) in 10-DAB wordt langs chemische weg vervangen heeft door een veel ingewikkelder groep (groot rood vierkant) om het effectieve Taxol® te bekomen:
Maar Taxol® wordt op die synthetische wijze pas sinds 1988 gemaakt.
Voordien werd taxol (toen nog geen gedeponeerde merknaam!) geïsoleerd uit de schors van de Noord-Amerikaanse taxussoort taxus brfivolia.
De opbrengst was echter enorm klein: slechts 500mg taxol uit 12kg schors! En aangezien het oogsten van de schors de bomen kapot maakt, kwam er onmiddellijk een protestbeweging op gang om de Amerikaanse taxus te redden. Een verscheurend dilemma dus: de keuze tussen bomen en mensen…
De oplossing kwam in de jaren 80 van de vorige eeuw. Ze kwam uit Frankrijk.
De Franse scheikundige Pierre Potier van het Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS) kon in 1981 aantonen dat de naalden van de Europese taxussoort taxus baccata een verbinding bevatten met een structuur die een sterke verwantschap vertoonde met die van taxol: het 10-deacylbaccatine III of 10-DAB.
En in 1988 kon Andrew Greene, een Amerikaanse chemicus die in Frankrijk werkte, taxol synthetiseren uit 10-DAB.
Daarenboven kon men uit 10kg taxusnaalden 1g 10-DAB isoleren. En door het oogsten van de taxusnaalden gaat de taxus niet kapot. De Amerikaanse taxus was gered en de Europese kon zonder schade dienen als bron voor een interessant anti-kankermiddel!
Maar voor de Franse chemie zit er een wrang nasmaakje aan dit succesverhaal.
Amerikaanse scheikundigen verbeterden het syntheseproces van de Fransen zodat de opbrengst aan werkzaam product hoger werd.
Het Amerikaans farmaceutisch bedrijf Bristol-Myers Squibb (BMS) kreeg van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) in Amerika het alleenrecht om taxol op de markt te brengen. En prompt namen ze een patent op de naam taxol! Dit was ongezien: nog nooit was een patent genomen op de naam van een natuurlijk product!
Taxol mocht dus niet langer als de naam voor de actieve stof gebruikt worden. Het werd een merknaam: Taxol®.
En de stof die de Franse chemici uit hun kolven getoverd hadden moest nu paclitaxel genoemd worden!
Maar taxol of Taxol® het doet er niet toe: met ons taxussnoeisel kunnen we dodelijk zieke mensen helpen en dat is het belangrijkste.
Vergeet dit niet en doe mee!
woensdag 8 december 2010
Lang leve de (cardio)aspirine!
Ik neem al jaren aan een stuk elke dag een cardio-apirientje.
Dit is een tabletje laag gedoseerd (100 mg = 0,1 g) acetylsalicylzuur.
Ik weet wel dat er nadelen kunnen vast zitten aan dat mini-aspirientje.
Zo kan het zuur het precaire zuur-base evenwicht in onze maag verstoren en een maagbloeding veroorzaken. Maar de lichte dosis van acetylsalicylzuur én de extra-coating van het tabletoppervlak met een polymeerlaagje, verkleinen die bloedingkans bij een gezond persoon aanzienlijk.
Komt daar nu bovenop het gisteren (7 december) gepubliceerd resultaat van een 5 jaar durend onderzoek van een groep Engelse wetenschappers van de Oxford University onder leiding van prof. Peter M Rothwell.
Daaruit blijkt dat een dagelijkse lage dosis aspirine een goede preventieve werking heeft tegen hele reeks kankers!
Ze stelden bij hun onderzoeksgroep een daling van 20% sterfte door kanker vast.
Voor de onderzoekers weegt dit positief preventie-effect in elk geval veel zwaarder dan het kleine risico op een maagbloeding.
Het onderzoek heeft ook duidelijk gemaakt dat de preventieve werking maar effect heeft als de dagelijkse lage inname jaren lang (20 à 30 jaar) volgehouden wordt en begint vóór de leeftijd waarop de meeste kankers zich openbaren (leeftijd van 40 à 50 jaar).
Je kan een samenvatting van hun artikel lezen op de site van The Lancet.
Let op: dit blogbericht is zeker geen medisch advies!
Het is een verslag van een interessant wetenschappelijk artikel.
Ga voor het echte advies naar je dokter.
Die heeft hopelijk ook The Lancet gelezen…
dinsdag 6 juli 2010
Zonder parabenen
En in deze warme tijden, smeden de cosmeticabedrijven het ijzer terwijl het (zeer) heet is. Ik heb de laatste dagen dan ook al meer dan eens reclame gezien voor zonnecrèmes, zonne-olies, deodoranten en verjongende huidcrèmes allerhande.
Wat mij daarbij opviel dat er telkens duidelijk op het scherm verscheen: “zonder parabenen”.
”Parabenen wat zijn dat?” vroeg Mia.
Wat ik haar vertelde, zal ik hier voor jullie nog eens overdoen.
Parabenen zijn een groep vrij eenvoudige chemische verbindingen.
Het zijn esters van para-hydroxybenzoëzuur (paraben) of natriumzouten van die esters:
In de cosmetica doen de parabenen dienst als conserveermiddelen.
Ze zijn zeer effectief als schimmel- en bacteriedodend middel.
In dat opzicht zijn ze effectiever dan benzoëzuur, het zuur waarvan ze afgeleid zijn.
Benzoëzuur komt in vrij hoge concentraties voor in veenbessen (cranberries)
Methylparaben komt voor in blauwe bessen (blueberries).
De parabenen conserveren niet alleen beter dan benzoëzuur, ze zijn ook ruimer toepasbaar.
Daarenboven zijn ze eenvoudig en goedkoop te maken.
Omwille van al die gunstige eigenschappen werden parabenen dan ook massaal toegepast in allerlei cosmetica. Want zonder bewaarmiddelen gaan die dure pommades en olietjes op de kortste keren ten onder aan schimmels en andere kleine boosdoeners.
Maar…
Rond de parabenen is er de laatste jaren een controverse ontstaan.
Bij sommige gebruikers veroorzaken cosmetica met parabenen allergieën.
En wat zwaarder weegt: er zou een verband kunnen zijn tussen parabenen en borstkanker. Alhoewel dit verband niet met zekerheid vast staat, is er onder invloed van actiegroepen druk uitgeoefend om parabenen uit cosmetica te weren.
Probleem: de natuurlijke alternatieven die tot nu toe zijn uitgetest, zijn veel minder effectief.
Maar je weet hoe dat gaat. De cosmeticaboeren maken van de nood een deugd.
En dus wordt “zonder parabenen” meteen een verkoopsslogan!
Ge moet het maar weten aan te pakken…
donderdag 1 april 2010
Derdehands meeroken
Ik ben er dan ook 35 jaar en 30 kilo (natuurlijk ook niet zo gezond) geleden mee gestopt. Tabaksrook bevat voldoende hoge concentraties aan risicostoffen zoals benzeen, chroom, vinylchloride enz.
Maar als er mensen in je omgeving roken, ben je een gedwongen meeroker.
Een tweedehands meeroker: je ademt lucht in die met potentieel kankerverwekkende stoffen beladen is.
Nu blijkt dat het daarmee niet ophoudt.
Ook als de rokers weg zijn en hun kankerstokjes op de asbak hebben uitgeduwd, blijft de lucht in de omgeving dagenlang ongezond.
Wie daar rondhangt wordt derdehands meeroker.
Dat is althans de bevinding van onderzoekers van het Lawrence Berkeley National Laboratory in Berkeley Californië.
Recent (februari) publiceerden ze een studie in PNAS waarin ze aantonen dat nicotineresten die zich op oppervlakken van meubels, asbakken,… afzetten, kunnen reageren met dampen van waterstofnitriet (HNO2).
Waterstofnitriet is een zuur dat tegenwoordig nogal voorkomt in de omgevingslucht omdat het o.a. vrijkomt in de uitlaatgassen van auto’s.
Het waterstofnitriet reageert met nicotine en er ontstaan potentieel kankerverwekkende nitrosamines (TSNAs).
N-Nitrosonornicotine is er zo één:
En aangezien de nicotineneerslag weken tot maanden op de oppervlakken aanwezig kan blijven, blijft het risico op derdehands meeroken lang bestaan.
Weten jullie waar je nog veilig kan ademen?
maandag 26 oktober 2009
Zoals het vroeger was.
Ik zat in de 1ste Moderne van het St.-Gregoriusinstituut – afdeling Merelbeke.
Die middelbare school was er in onze gemeente gekomen in de volle schoolstrijd, als antwoord van het katholiek onderwijs op de “Collardschool” die er door het toenmalige rijksonderwijs was opgericht.
Onze school was een “filiaal” van het grotere St.-Gregoriusinstituut van Ledeberg aan de rand van Gent.
Ieder jaar, op 12 maart, werd het naamfeest van de patroonheilige van onze school, de H. Gregorius gevierd.
Daar keken we in 1957, toen we dit voor de eerste keer mochten meebeleven, al van in het begin van het schooljaar naar uit.
12 maart was een feestdag.
Uiteraard geen les en we mochten met de hele klas, per fiets, naar Ledeberg, naar ons “groot moedercollege” om daar met die stadsmussen mee te vieren. Fier droegen we onze “alpin” met daarop het kenteken van onze Merelbeekse afdeling.
We smulden volop van de lekkere koeken en dronken met volle teugen van de zoete limonade. Iets wat we thuis zelden of nooit op tafel kregen.
Maar als je de foto goed bekijkt zie je achteraan waar het ons die dag vooral om te doen was: we mochten roken!
Maandenlang ervóór werd er op school gediscussieerd over welke sigaretten we zouden kopen: Boule d’Or of Belga Filter of Rode Michel misschien, want Groene was te straf? Uiteindelijk koos ik voor een pakje Northpole, een meer “exclusieve” soort mentholsigaretten.
Ik had voor alle zekerheid thuis al wat geoefend met een paar sigarillootjes van ons pa, die ik stiekem op het toilet (dubbele zekerheid) had opgepaft.
Ik herinner me nog alsof het gisteren was hoe ik ervan genoten heb die 12 maart. Mijn pakje Northpole is er die dag helemaal aan gegaan…
1957.
Jongentjes van 12 jaar laten roken! Hoe kwamen ze er bij, die priesterleraars van 50 jaar geleden!
De tijden zijn veranderd.
Toen was roken nog gemeengoed.
Iedereen deed het. Bij de mannen toch. “Hij is geen man die niet roken kan” was toen de leidraad.
Maar op “den buiten” werden rokende vrouwen toen meestal nog met een erg scheef oog bekeken.
En het woord longkanker was nog nergens te horen.
Een treffende illustratie van hoe er toen tegen roken en tabaksgebruik werd aangekeken is te zien en te horen op het filmpje hieronder, daterend van 1958.
Een veel uitgebreidere versie met een lofzang op de Nederlandse tabaksindustrie, is te vinden op de onvolprezen Geschiedenissite van de VPRO.
Ik raad u aan om ook dat tijdsdocument eens te bekijken.
Maar dan moet je wel even tijd maken want het duurt maar liefst 23 minuten.
Daar moet je dus rustig bij gaan zitten.
Met een lekker bakkie koffie en… liefst zonder sigaret of sigarillootje.
donderdag 8 oktober 2009
De serieuze kost – deel 1
Voor de positieve wetenschappen is het doek deze week al gevallen: maandag geneeskunde, dinsdag fysica, woensdag chemie.
Daarmee is dit luik afgewerkt.
Voor mij is dit het moment om over die drie nobelprijzen even te “mijmeren”.
woensdag 2 september 2009
Lachgas: niet zo’n leukerd!
Iedereen heeft de dag van vandaag de mond en de pen vol over de opwarming van de aarde ten gevolge van de overproductie aan CO2.
Dat CO2 houdt de infrarode (warmte)straling tegen die de aarde, na een dagje opwarmen, de ruimte wil insturen.
Het bekende serre-effect dus. CO2 is een zogenaamd broeikasgas.
Over andere boosdoeners in dezelfde sector hoor je minder.
Die zijn dus (tot nu toe toch) minder populair in de media.
Maar dat wil niet zeggen dat ze minder schadelijk zijn.
Neem nu lachgas b.v.
Distikstofmonoxide of stikstof(I)oxide of N2O.
Dit gas werd en wordt gebruikt in de anesthesie als kalmerend en verdovend middel.
De spierverslapping in het aangezicht die daarmee gepaard gaat verklaart wellicht de naam: er (kan) een (min of meer) lachende uitdrukking op je gelaat verschijnen.
Maar als dat gasje de lucht ingaat, begint het ambetant te doen.
En het gaat de lucht in.
In mindere hoeveelheden weliswaar dan CO2, maar toch nog 10 miljoen ton per jaar. En dat gaat in stijgende lijn.
De landbouw, zowel de "biologische" als de "industriële" landbouw (34%) en de industrie (38%) zijn de grootste producenten. Maar ook de verbranding van fossiele brandstoffen, het autoverkeer en afvalverbranding, dragen hun steentje bij.
Eénmaal in de bovenste atmosfeerlagen begint het lachgas aan zijn kwalijk werk te doen.
Het is een veel sterker broeikasgas dan CO2.
Volgens de EPA (United States Environmental Protection Agency)
draagt het meer dan 300 maal meer bij tot de opwarming van de aarde dan CO2.
Maar dat is nog niet alles.
N2O is ook een zeer bedreven in het aantasten van de ozonlaag.
En die ozonlaag is van fundamenteel belang om het leven op aarde in goede banen te houden. Ze houdt immers de hoog-energetische UV-straling tegen die o.a. huidkanker kan veroorzaken.
In een recent nummer van Science hebben wetenschappers van de Amerikaanse National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) een studie gepubliceerd waarin ze stellen dat N2O in de 21ste eeuw veruit de meest dominante vernietiger van ozon aan het worden is, veel sterker dan de CFK’s (chloor- en fluorhoudende koolstofverbindingen).
Komt daarbij dat de uitstoot van N2O niet is geregeld in het Montreal Protocol zodat er geen uitstootlimieten vastgesteld zijn.
Het wordt dus hoog tijd dat daar iets aan gedaan wordt. Zowel voor het opwarmingsprobleem als voor het ozongat.
En het wordt ook tijd dat de media in hun berichtgeving over de opwarming van de aarde ook eens wat aandacht aan lachgas besteden.
Want lachgas? Helemaal niet om mee te lachen!
woensdag 12 augustus 2009
Wist jij dat ook al?
Optimistische vrouwen hebben een kans op een langer leven.
Heb jij ook het gevoel dat je dat al lang wist?
En dat chagrijnige, depressieve en pessimistische types het minder lang uithouden?
Goed, maar wetenschap steunt niet op gevoel.
Wetenschap steunt op rationeel onderzoek.
Wat niet betekent dat gevoel, gevoeligheden en emoties wetenschappelijk werk niet beïnvloeden.
Je moet er maar eens de geschiedenis van de ontdekking van de structuur van DNA op nalezen b.v.
De gevoeligheden tussen enerzijds de ontdekkers James Watson en Francis Crick en anderzijds Rosalind Franklin heeft in het verloop van dat onderzoekswerk een belangrijke rol gespeeld.
Bij gelegenheid blog ik daar nog wel eens over.
Terug naar de optimistische vrouwen en het wetenschappelijk onderzoek daarover.
Een team van de universiteit van Pittsburgh, onder leiding van Hilary Tindle, heeft eergisteren in het tijdschrift Circulation de resultaten van een uitgebreide studie gepubliceerd over het verband tussen optimisme, hartziekten en levenskansen.
Ze hebben bijna 100.000 (!) vrouwen bij hun onderzoek betrokken.
En de resultaten liegen er niet om.
Pessimistische ladies hadden een hogere bloeddruk én een hoger cholesterolgehalte in het bloed.
Zelfs als men rekening hield met bepaalde risicofactoren aanwezig in de leef- en werkomgeving van de vrouwen, bleek uit het onderzoek dat een optimistische attitude risico verlagend werkt.
Optimistisch vrouwen bleken 9% minder kans op hartziekten te hebben en 14% minder kans op overlijden aan een kanker!
De pessimistische, cynische, negatief denkende en wantrouwende vrouwen, bleken over dezelfde tijdspanne 16% meer kans op overlijden te hebben.
De onderzoeksgroep kan geen sluitende verklaring geven voor het gevonden verband.
Het zou b.v. kunnen dat de optimisten onder de vrouwen er een gezondere levensstijl op na houden dan de negatievelingen: minder roken, meer sporten, gezonder eten.
Bij het lezen van zo’n onderzoek spoken onmiddellijk een aantal vragen door mijn koppeke.
Is pessimisme of optimisme je lot, je voorbestemdheid?
Kan je er iets aan doen als je een zwartkijker bent?
Of zit dat in je genen?
Zit pessimisme én optimisme bij iedereen in de genen, maar bepaalt het milieu waarin je opgroeit en leeft of de pessimisme-genen of de optimisme -genen tot uiting komen?
Kan onderwijs daar iets aan doen?
En wat is het verband tussen je levenshouding en de chemische fabriekjes in je cellen?
Maken optimisten andere stoffen aan dan pessimisten?
Maken pessimisten meer stoffen aan die schadelijke effecten hebben dan optimisten?
Over welke stoffen gaat het dan?
Ik hoop dat vervolgonderzoek daar op termijn antwoorden kan op geven.
Er is dus nog veel werk aan de winkel.
Even dit nog.
Het onderzoek van de groep rond Hilary Tindle ging alleen over vrouwen.
Maar geen nood mannen. Voor ons geldt precies het zelfde.
Daar had een Nederlandse groep in 2004 al een onderzoek over gepubliceerd in de Archives of General Psychiatry.
Dus: optimist, wat later in de kist…
Of is dat té optimistisch?
zondag 12 juli 2009
Moleculen die het hem deden en dikwijls nog doen
De Chemical Heritage Foundation (CHF) in Philadelphia heeft specialisten een rangschikking laten opmaken van de 10 moleculen die een belangrijke invloed gehad hebben op de samenleving van de 20ste eeuw.
Ik geef jullie het rijtje met wat toelichting en eigen commentaar.
Denk eraan dat het rijtje geen rangschikking inhoudt.
Dus nummer 1 is niet noodzakelijk de bijzonderste molecule.
- Aspirine of acetylsalicylzuur.
Een overbekende pijnstiller en een koortswerend middel.
Voor aspirine worden nog steeds nieuwe toepassingen ontdekt. - Iso-octaan.
Het basisbestanddeel van benzine.
Bedenk hoe de verplaatsing met de auto in de voorbije eeuw een ware explosie heeft gekend. - Penicilline.
Een antibioticum dat de mensheid voor het eerst in staat stelde om bacteriële infecties doelmatig te bestrijden.
De infectieziekten verloren de strijd, maar kanker stak meer en meer de kop op. - Polyethyleen.
Een plastic gebruikt in plastic zakken en andere producten.
Denk plastic maar eens weg uit ons leven. Kijk maar eens rond waar je nu zit terwijl je dit leest. - Nylon.
Het eerste commercieel succesvolle synthetische polymeer, dat in van alles en nog wat gebruikt werd (en wordt): van nylonkousen (met of onder naad) tot tandenborstels en parachutes. - Desoxyribonucleinezuur (DNA).
Een molecule (waarvan je hierboven een klein stukje ziet) die de genetische informatie bevat voor de ontwikkeling en het functioneren van elk levend wezen, maar… ook van een virus.
De ontdekking van de structuur in 1953 veroorzaakte een ware revolutie in de moleculaire biologie. - Progestine.
Een synthetische molecule gebruikt in de hormonale contraceptie (de pil) en in therapeutische toepassingen.
De periodieke onthouding werd in de 20ste eeuw in de vergeethoek geduwd.
Als medisch afgevaardigde voor Schering AG ben ik, in de vroege jaren ‘70 de dokters en doctoraatstudenten gaan “warm” maken voor de laag gedoseerde Schering-pil. - Dichlorodiphenyltrichloroethane (DDT).
Een synthetisch pesticide dat enorm bijgedragen heeft tot het bestrijden van gevaarlijke ziekten zoals vlektyfus.
Maar de zeer slechte afbreekbaarheid en de schadelijkheid voor de mens zijn de nadelige aspecten.
Toch wordt het in lage concentraties nog altijd gebruikt in ontwikkelingslanden. - Prozac.
Een vorm van fluoxetine hydrochloride.
Een (te?)veel gebruikt en effectief antidepressivum. - Buckminsterfullerene.
Ook gekend als buckyball.
Een relatief recent (1985) ontdekte vorm van koolstof.
Na die ontdekking kwam de ontwikkeling van nanobuisjes volop op gang en sindsdien ontstaan er steeds nieuwe supersterke composietmaterialen.
Wie in de eerste helft van vorige eeuw geboren werd, realiseert zich dikwijls te weinig dat hij de geboorte van al die chemische nieuwigheden heeft meegemaakt.
We zijn het allemaal zo snel gewoon.
donderdag 2 juli 2009
Over witte auto’s en zwarte negers
Gisterenmorgen iets na halfacht was er op Radio2-Limburg een schitterend sappig interview met een pechverhelper van de VAB.
Het ging over de gevolgen van de hoge zomerse temperaturen voor de auto en vooral voor hen die erin moeten als zo’n vierwieler een tijdje in de zon heeft staan bakken.
In witte of lichtgekleurde auto’s met lichtgekleurde autozetels, kan de temperatuur tot zo’n 40°C worden zei de man.
Maar in zwarte of donkergekleurde auto’s met donkere binnenbekleding kan het wel 55°C en meer worden zei hij.
Ik vroeg mij af of hij gemeten temperaturen hanteerde. En jawel hoor: op de site van de VAB vond ik die waarden terug in de resultaten van een warmtestudie.
In elk geval, de waarheid achter zijn verhaal was duidelijk: donkere oppervlakken absorberen veel stralingsenergie en warmen daardoor op. Licht gekleurde oppervlakken weerkaatsen veel stralingsenergie en warmen daardoor minder op.
Oké, maar hoe zit dat dan met de negerkes?
Waarom zijn die dan niet wit? Ze leven toch permanent bij intensere zonnestraling. En wit weerkaatst toch en maakt minder warm?
En waarom hebben ze nog uitgerekend donker haar ook?
Bleke blondjes zouden daar toch beter passen?
Hola, niet te simpel doen!
Hier is wat anders aan de hand.
Hier komt Darwin van achter het hoekje kijken: survival of the fittest!
De best aangepaste heeft de beste overlevingskansen.
En in streken met intense zonnestraling zijn de best aangepasten, die welke de hoogste concentratie aan het UV-absorberend huidpigment melanine in de cellen van hun opperhuid hebben.
En dat zijn donkerhuidige mensen.
Hierboven zie je een stukje van de structuur van eumelanine. Dit is de melaninevariant die in hoge concentraties voorkomt in de pigmentcellen (melanocyten) van de opperhuid én in het haar van donkerhuidige mensen.
Die hoge concentraties aan eumelanine zorgen voor de donkere huid- én haarkleur.
Maar belangrijker is dat eumelanine zeer sterk de ultraviolette straling uit het zonlicht absorbeert.
Daardoor kunnen de energierijke UV-stralen vrijwel niet doordringen tot de celkernen.
Ze kunnen dan ook geen wijzigingen aanbrengen in de DNA-structuur en dus ook niet leiden tot mutaties die huidkanker kunnen veroorzaken.
De natuurlijke selectie heeft er dus voor gezorgd dat donkerhuidigen en donkerharigen de beste overlevingskansen hadden in die UV-lichtrijke omgeving.
Die selectie is de goede geweest: liever iets warmer zonder kanker dan iets koeler met kanker.
Het is een vaststaat feit dat negroïde mensen veel minder huidkanker krijgen dan blanken.
Eén nadeeltje toch van dit selectiegebeuren. In onze westerse multiculturele samenleving zie je tegenwoordig veel donkerhuidigen die naar onze streken gemigreerd zijn met de hoop op betere leefomstandigheden. Maar bij ons is er wel minder zonlicht. En dat zonlicht, wordt bij de negroïde mensen die hier rondlopen, bijna volledig weggefilterd door de melanine in de huid. Zo kan er bij die mensen een tekort aan vitamine D ontstaan. Want vitamine D wordt in de huid gevormd uit cholesterol, maar alleen als er voldoende UV-licht kan doordringen.
Met de geringere zonnestraling en de sterke filtering door de donkere huid, is dit problematisch. Negers die in onze streken verblijven vertonen dan ook regelmatig een aantal ziekten als gevolg van gebrek aan vitamine D.
En blondjes (vrouw of man) worden in de hete zomerse dagen van tegenwoordig nóg blonder.
Want de UV-stralen, die door de lage melanineconcentratie bijna niet tegengehouden worden, maken de weinige melanine nog kapot ook. Daardoor wordt het blonde kopje nog bleker.
Maar ze kunnen wel het hoofd beter koel houden.
Alhoewel…
Waarom gaat een dom blondje bij gevaar in de koelkast zitten?
Zo probeert ze haar hoofd koel te houden.
maandag 22 juni 2009
Een gezond wortelverhaal
Ik blijf het nog even over groenten hebben.
Een heel grote liefhebber van worteltjes ben ik niet. Ik eet ze nog liefst rauw samen met een slaatje van andere groenten.
Wortels zijn in elk geval gezond.
Dat ze goed zijn voor de ogen weet iedereen wel, want een konijn met een bril op… Ik durf dat mopje met een fameuze baard hier zelfs niet helemaal meer vertellen.
Ik ben zelf al meer dan 50 jaar een brildrager. Ik zou dus misschien best meer wortelen eten.
Maar waarom zijn wortelen goed voor de ogen?
Omdat wortelen vrij veel beta-caroteen bevatten.
Beta-caroteen is ook de stof die het meest bijdraagt tot de oranje-rode kleur van de wortelen.
Maar daar gaat het niet om.
Beta-caroteen is de stof waar onze lever vitamine A (retinol) kan van maken. Als je goed kijkt naar de structuur hieronder en hierboven, zie je dat retinol ongeveer de helft is van de structuur van beta-caroteen.
En retinol is een belangrijke bouwsteen (een zogenaamde co-factor) van rodopsine, een eiwit dat voorkomt in de lichtgevoelige staafjes op ons netvlies.
Ziedaar de link tussen wortelen en zien.
Maar wortelen bevatten nog meer interessante stoffen.
Rond één van die stoffen is er de laatste tijd nogal wat te doen: falcarinol.
Een groep onderzoekers van Newcastle University onder leiding van Kirsten Brandt, publiceerde in 2005 een studie waarin ze de beschermende werking van falcarinol tegen het ontwikkelen van kanker aantoonden.
In een verdere studie, die vorige week via een persmededeling door de Newcastle University openbaar werd gemaakt, geven dezelfde onderzoekers nu aan hoe we het best van de weldaden van falcarinol kunnen genieten.
Een wetenschappelijk verantwoorde kookles dus.
Je doet er best aan je worteltjes in hun geheel te koken en ze pas daarna in blokjes of brokjes te snijden.
Snij je ze eerst vóór je ze kookt, dan verdwijnt er teveel falcarinol in het kookwater. Het verlies aan die beschermende stof kan zo tot 25% bedragen.
En wortels stomen is nog beter.
We zullen binnenkort toch nog een stoomkoker moeten installeren.
En rauwe worteltjes zoals ik ze best lust?
Toch niet zo goed zeggen ze, omdat in dat geval het falcarinol te moeilijk door het lichaam wordt opgenomen: het koken zorgt ervoor dat de werkzame stoffen gemakkelijker door de zachtgemaakte celwand van de wortelcellen passeert.
Daarenboven hebben de Britse onderzoekers vastgesteld dat een testgroep de worteltjes die in hun geheel gekookt werden, beter vond dan wanneer ze in stukjes gesneden gekookt werden.
Dit zou te maken hebben met het feit dat in geheel gekookte wortelen de natuurlijke suikers beter bewaard blijven. De geheel gekookte wortels zouden dus zoeter blijven.
Maar over smaken valt niet te discussiëren.
Alhoewel: over Britse keukensmaken heb ik zo mijn eigen mening…
In elk geval toont dit wortelverhaal aan, dat koken geen eenvoudige bezigheid meer is. De cuisine moleculaire wint meer en meer veld.
Professionele kok of doordeweekse keukenpiet: als je met al die onderzoeksresultaten rekening wil houden, moet je al een paar dagen per week wetenschappelijke tijdschriften uitpluizen.
Of: regelmatig mijn blogje lezen…
donderdag 7 mei 2009
Wijn: goed en slecht
Ik heb het in mijn blogje nog al gehad over de gunstige effecten van wijn.
De anti-oxidantia die er in aanwezig zijn, zouden een voorbehoedmiddel zijn tegen hartkwalen, sommige kankers, Alzheimer,…
Nu doet de Nederlandse onderzoekster, Marinette Streppel, van de Wageningse universiteit, er nog een schepje bovenop.
Al moet onmiddellijk gezegd worden dat haar positief bericht ook getuigd van Hollandse zuinigheid: een HALF glaasje wijn per dag kan het leven met vijf jaar verlengen!
Wie kan er met zo’n portie (langer) leven?
Het resultaat van de studie staat in het nummer van 30 april jl. van het Journal of Epidemiology and Community Health.
En dat resultaat is gebaseerd op een uitgebreide en langdurige inventarisatie van het drink- eet- en rookgedrag van maar liefst 1373 mannen uit Zutphen gedurende 40 jaar! (1960-2000).
Die inventarisatie is in al die jaren gebeurd met medewerking van huisdokters en medische centra.
Al die mannen waren geboren tussen 1900 en 1920 en uit die groep zijn er al 1130 overleden. Ook de doodsoorzaak werd in de studie opgenomen.
Door hun drankgedrag te vergelijken met de levensduur kwam Streppel tot de conclusie dat gematigd gebruik van alcoholische dranken goed is als je langer wil leven.
Wijndrinkers (maar dan wel zéér matige nietwaar) brengen het er het beste van af. Maar een half glas bier of sterke drank levert ook een leefbonus van min of meer twee jaar.
Als je moet kiezen tussen 5 jaar of 2 jaar langer leven, is de wijn snel besteld neem ik aan.
Maar let op: er zijn een paar Engelse biochemici die ambetant komen doen.
In een artikel in de Chemistry Central Journal waarschuwen Declan P. Naughton en Andrea Petroczi voor gezondheidsrisico’s bij dagelijks wijn drinken. De reden: te hoge gehaltes aan zware metalen in wijn!
Volgens hen zou één glas per dag al negatieve effecten kunnen hebben. Metaalionen zijn immers OXidanten en dus juist de tegenpolen van de gunstige ANTI-OXidanten in wijn!
Naughton berekende zogenaamde "target hazard quotients" (THQs) voor wijnen afkomstig uit Europa, Zuid-Amerika en het Midden-Oosten.
THQ betekent zoiets als “een maatgetal voor het risico voor de doelgroep”.
THQ is een maatgetal dat door het U.S. Environmental Protection Agency (EPA) is vastgelegd waarmee men de niveaus bepaalt voor langdurige blootstelling aan chemicaliën. Het EPA heeft de procedure beschreven waarmee THQs voor verschillende stoffen te bepalen zijn.
Als de THQ voor een stof > 1 betekent dat die stof een risico vormt. Hoe groter de THQ hoe groter het risico.
Bij courante wijnen vond Naughton THQ-waarden voor zware metalen (vanadium, koper, mangaan, zink, nikkel, chroom, lood,…) variërend van 50 tot 200 per glas en soms zelfs 300! Serieus risico dus.
De hoge concentraties van sommige van die metalen zouden aanleiding kunnen geven tot ernstige ziekteverschijnselen.
Hoge mangaanconcentraties in het lichaam worden b.v. gekoppeld aan de ziekte van Parkinson.
En over lood in wijn zou ik een heel verhaal kunnen vertellen, want lood in wijn is al een oud zeer. De oude Grieken en Romeinen hadden er al last van. Maar dat verhaal hou ik voor later.
Naugton stelt in elk geval voor, dat de wijnproducenten methodes zouden ontwikkelen om die zware metalen uit hun wijn te halen of dat ze de herkomst van die metalen in de wijn achterhalen (grondsoort, besproeiing, contaminatie van de gebruikte gisten,…) om zo efficiënte methodes te ontwikkelen die beletten dat de zware metalen in de wijn terecht komen.
Hij stelt ook voor dat de etikettering op wijnflessen het gehalte aan zware metalen zou aangeven, zodat de consument geïnformeerd is.
Er zijn immers duidelijke verschillen in gehaltes naargelang de herkomst van de wijn: Italiaanse en Zuid-Amerikaanse wijnen scoren b.v. beduidend beter dan Franse en Oost-Europese wijnen.
Je voelt dat dit commercieel en concurrentieel heel gevoelig ligt…
Moeilijke situatie dus voor de wijndrinkers: gunstige effecten van een half glaasje per dag omwille van de aanwezigheid van anti-oxidanten. Ongunstige effecten van een glaasje per dag omwille van de aanwezigheid van de oxiderende zware-metaalionen.
Kies dan maar eens…
Komaan, laten we nuchter(?!) blijven: zo nu en dan (niet dagelijks dus?) een (half?) glazeke wijn zal dus wel niet veel kwaad kunnen.
Maar zouden we dan toch niet beter een pintje drinken?
Ik heb hier nog wat blauwe (8°) West-Vleteren staan. En jullie zullen ook nog wel wat onder de bierkurk hebben hoop ik.
Maar rustig aan: dagelijks een half glaasje voor twee jaar meer op deze aardbol.
Of zijn we ook content met een vol glas per dag van dat heerlijk gerstennat voor één jaartje surplus?
Er zal toch met het (paters)bier ook niets mis zijn hoop ik?
dinsdag 21 april 2009
Paradimethylaminoazobenzeen en Aspe
Mia en ik kijken iedere maandagavond naar Aspe op VTM.
Vol verwachting en met hoop op beterschap. Want we vinden de scenario's echt niet denderend.
Persoonlijk vind ik Aspe bijna zo zwak als Baantjer, alhoewel ik de acteurs in de hoofdrollen beter vind dan hun collega's in de Nederlandse serie.
Flikken was tien keer beter. "Was" inderdaad, want het is ermee gedaan.
Gisterenavond heb ik mij extra geërgerd aan Aspe.
Het ging over gifmoorden. De uitermate snelle werking van het gif botergeel was om te beginnen onaanvaardbaar foutief. Zo snel werkt dit gif absoluut niet! Maar ja, in zo'n aflevering moeten de zaken vooruit gaan nietwaar.
De wetsdokter van dienst in de serie bestond het daarenboven om de wetenschappelijke naam van het vergif botergeel totaal te verknoeien.
Botergeel of methylgeel is de gebruiksnaam voor para-dimethylamino-azobenzeen.
Ik heb koppeltekens ingelast om de naam gemakkelijker uitspreekbaar te maken.
De tekstschrijver van de Aspe-aflevering van gisteren had dat ook beter gedaan. Als hij de acteur wilde doen uitpakken met chemiekennis, moest hij ervoor gezorgd hebben dat de naam correct uitgesproken werd. Of hem gewoon over botergeel laten praten en hem niet laten brabbelen. Mijn chemisch hart bloedde.
Botergeel behoort tot de azokleurstoffen.
Deze kleurstoffengroep is zeer uitgebreid. Men vindt azokleurstoffen terug als kleuradditieven in voedingsmiddelen en als kleurstoffen in de textielindustrie.
Een groot deel van de door de Europese Unie toegestane kleuradditieven voor consumptiegoederen behoren tot de azokleurstoffen. Het gaat hier om de gekende lijst met E-nummers. De nummers E 100-180 zijn toegelaten voedingskleurstoffen. Botergeel is er geen van.
Sommige azokleurstoffen zijn inderdaad giftig en soms kankerverwekkend.
Het botergeel dat in de Aspe-aflevering als moordwapen gebruikt werd, is er zo één.
Zeer recent nog (3 april jl.) heeft het federaal voedselagentschap (FAVV) een contingent kerriepoeder van Indiase oorsprong en verkocht in o.a de Delhaizewinkels, uit de handel genomen omdat het verboden botergeel (methylgeel) er werd in aangetroffen.
Chemieleraars zijn ook goed vertrouwd met azokleurstoffen omdat een groot deel van de zogenaamde zuur-base-indicatoren tot die kleurstoffengroep behoren.
Methyloranje is één van de gekendste, maar ook botergeel of methylgeel wordt als indicator gebruikt.
Zo'n indicator is een stof waarvan de kleur afhangt van de zuurtegraad (pH) van de oplossing waarin men hem brengt.
Zo geeft botergeel een rode kleur aan oplossingen met een pH kleiner dan 2,9 en een gele kleur als de pH groter dan 4,0 is.
Zelf liet ik mijn leerlingen in het 6de jaar Techniek-Wetenschappen ieder jaar een azokleurstof maken: oranje II
Dit is een gekende textielkleurstof.
Naast de synthese deden mijn leerlingen daarom ook testen op de wasechtheid van die kleurstof bij verschillende textielvezels.
Dat was toch wel redelijk levensechte chemie...
Zo zie je maar tot wat een gemijmer een beetje ergernis om Aspe kan leiden...
zondag 5 april 2009
In de zon of niet?
De zon is er. Nog wel niet alle dagen volop, maar toch.
Meteen zag ik bij mij in de buurt de zonnebaadsters weer van wal steken.
En ik heb ze niet van te dicht durven inspecteren, zodat ik niet weet of ze voldoende zonnecrème op hun teer wintervelleke gesmeerd hadden.
Frank Deboosere had nochtans gewaarschuwd en we weten het stilaan allemaal wel: te hevige blootstelling aan UV-stralen verhoogt het risico op huidkanker.
Vooral de UV-B-straling met een golflengte tussen 280 nm en 315 nm (nm = nanometer = 10-9 meter) is te mijden.
Maar of je met een factor-50-crème ook nog bruin wordt?
Factor 50 blokkeert immers 98% van de UV-A- en UV-B-straling!
Maar zonnebaden heeft blijkbaar ook zijn positief effect.
We weten wel dat het zonneke, als het niet te hevig is, echt deugd kan doen. Maar er is meer!
Een groep onderzoekers van de Karolinsky universiteit in Stockholm onder leiding van Pelle G. Lindqvist, heeft aangetoond dat het risico op aderverstopping bij zonnebaadsters 30% lager is dan bij wie dit niet doet.
Zij hebben hun resultaten gepubliceerd in het aprilnummer van de Journal of Thrombosis and Haematosis.
En ze hebben een wel heel uitgebreid onderzoek gedaan. Ze hebben 40.000(!!) Zweedse vrouwen opgevolgd gedurende 12 jaar (!!). Daarbij werden de gewoonten qua zonnebaden geobserveerd. Ook hun medische problematiek werd geïnventariseerd.
Van de onderzochte vrouwen waren 312 waarbij in die 12 jaar trombose optrad. En dat waren er die weinig of niet van het zonnetje profiteerden.
Ze stelden ook vast dat het risico op bloedklonters 50% hoger was in de wintermaanden december, januari en februari als er weing zon is.
Het positief effect van de zon wordt door Lindqvist gekoppeld aan een verhoogde productie van vitamine D in het lichaam.
Maar hoe vitamine D tegen trombose beschermt is nog onduidelijk.
De Zweedse onderzoekers zien in elk geval een duidelijk effect.
En ze stellen zelfs dat men echt best elke dag tijdens de middaguren, als de UV-straling het meest intensief is, een beetje in de zon wandelt! Wie in de zon beweegt en een zonnecrème opdoet die het verbranden belet ( en dat moet geen factor 50 zijn), loopt volgens de Zweden weinig of geen risico op huidkanker én krijgt van ons Laura bescherming tegen aderperikelen.
Ik vind dit een merkwaardige zaak.
Dat zonlicht de productie van vitamine D bevordert is allang bekend.
Maar vitamine D wordt in ons lichaam, onder invloed van UV-straling aangemaakt uit... je raadt het nooit: cholesterol!
Misschien ligt daar een deel van de verklaring: door in de zon te lopen, wordt er meer vitamine D aangemaakt en vermindert het gehalte aan cholesterol. En dat is positief voor ons aderstelsel!
Eureka! Ik zal Lindqvist eens bellen om hem te vragen wat hij van mijn (simpele) redenering denkt...
donderdag 18 december 2008
Chocolade hmm (redelijk) gezond!
Herinner je mijn blogbericht van 23 november over de gunstige polyfenolen in rode wijn. En over koffie en thee zijn er ook al gelijkaardige positieve berichten.
Komt daar nu toch wel chocolade bij zeker! Ook zo’n zwakte van mij.
Ik lees een artikel van prof. Joe Vinson, een ultiem specialist terzake, die stelt dat chocolade relatief goed is voor onze gezondheid. Chocolade heeft immers plantaardige roots en planten zijn bij uitstek producenten van de anti-oxiderend-werkende polyfenolen. Joe Vinson komt in zijn onderzoek tot de bevinding dat chocolade tsjokvol zit met polyfenolen. Hij vond dat een reep melkchocolade meer dan 300 mg polyfenolen bevat, evenveel als alle polyfenolen samen die we met een “klavertje-4-dieet” dagelijks aan groenten en fruit verorberen. In zwarte chocolade is dat zelfs dubbel zoveel.Scheikundige Harold Schmitz van M&M Mars (dus misschien een beetje parti pris) heeft daarenboven aangetoond dat flavonoïden (een subklasse van de polyfenolen) in chocolade slechte cholesterol kunnen neutraliseren.
Toch nog wat roet in de chocolade gooien: het goedje blijft rijk aan verzadigde vetten en levert een pak calorieën.
Maar we gaan toch heerlijke, relatief gezonde dagen tegemoet bij een fluwelen gas wijn en een verrukkelijk brokje van de bruine lekkernij.
Ge moet de Mignonnetjes maar niet meer verstoppen Mia!
